De enige die kon zwemmen

Jan Clement uit Kortgene, Noord-Beveland, was 15 jaar toen Zeeland in de vroege ochtend van 1 februari 1953 werd overvallen door het water....

Ik schrok wakker. Mijn vader schreeuwde dat het water binnen stond. Ik sliep op de open zolder, mijn vader en moeder en mijn broertje en zusje sliepen beneden in de bedstee. Zij zijn naar boven geklommen. Dat moet tegen half drie zijn geweest.

Mijn vader schoof het raam open. Op de dijk liepen mensen, de binnendijk was nog heel. We schreeuwden om hulp, maar niemand kon iets doen, er waren geen bootjes. Soms riepen ze dat het water alweer zakte. Dan was er weer een dijk doorgebroken en liep er een polder vol. Even later stond het water nog hoger.

Ik wilde eruit springen, maar mijn vader hield me elke keer tegen. We hebben wel een uur bij het raam gestaan. De balken kraakten, het water kolkte tot en met. Toen het de zolder op stroomde, ben ik toch gesprongen. Op een pak stro.

Of ze nog iets hebben geroepen? Ik weet het niet. Ik heb niks gehoord. Ik dacht maar één ding: wegwezen. Een paar minuten later is het huis ingestort. De balken braken, de kap kwam naar beneden.

Het pak stro kantelde. Ik zwom naar de dijk, sloeg eroverheen, zo hoog stond het water al, en heb het op een lopen gezet. Eerst Kortgene in, maar het water kwam van alle kanten. Ik ben omgedraaid en naar de molen gerend.

Veel mensen riepen door de opengeschoven ramen: kom hier binnen, kom hier binnen. Ik dacht: daar moet ik niet wezen, ik moet in de molen zijn. Eer die vol zit, dat zal nog wel even duren.

Om tien uur 's ochtends hebben kennissen van mijn vader en moeder me naar Kamperland gebracht, naar een oom van mijn vader, die ik nog nooit had gezien. Ik ben eerst naar bed gegaan. Om drie uur 's middags werd ik wakker en hebben ze me zachtjes verteld dat er niemand over was. Ze hadden al besloten dat ik kon blijven.

Dinsdag ben ik naar de dokter gegaan. Hebben we afgesproken dat ik me drie weken rustig zou houden. Daarna ben ik weer gaan werken. Meehelpen de zeedijk herstellen. Mijn vaders oom was los werkman. Hij pakte alles aan en ik kon altijd mee.

Het was 31 januari feest geweest in Kortgene. Het nieuwe gemeentehuis was 's middags geopend door de commissaris van de koningin. Ik liep voor het eerst met de muziek op straat, met de Koninklijke Harmonie EMM, Eendracht Maakt Macht, waar ik tweede tuba speelde.

De commissaris kwam met de pont. Ze moesten hem naar de weg dragen, zo drassig was het en hij had natuurlijk geen laarzen aan. Toen konden we al zien dat er iets niet klopte. Het moest eb zijn, maar het water bleef staan.

Ze zijn dikwijls genoeg naar de burgemeester geweest om hem te waarschuwen. Hij zat in hotel De Korenbeurs een borreltje te drinken. ''Komt wel goed'', zei hij, ''het is wel vaker hoog water.''

Als het stormt, ben ik wakker. Vorig jaar met die storm op 27 oktober stonden mensen op de Oosterscheldekering te kijken naar het woeste water. Ik kan niet begrijpen dat je zo'n stomme hond kunt zijn. Als je over de railing slaat, zien ze je nooit meer terug. Als het water kwaad wil, vliegen de schuiven door de Oosterschelde. Het water neemt alles mee, er blijft niks staan. Dat heb ik zelf gezien.

Die schuiven laten ze zakken als het stormt. Deden ze de 27ste ook. Nu zitten de mosselboeren te mauwen dat het niet had gehoeven, want het water is niet zo hoog gekomen. Ze zijn boos omdat ze schade hebben; er is te weinig water in de Oosterschelde gestroomd. Zulke dingen snap ik niet. Als je tot je kop in het water hebt gestaan, denk je er wel anders over. Je moet het gevaar voor wezen; als het water echt zo hoog komt, is het te laat.

Arnhem had Kortgene geadopteerd. Eens per jaar moest ik daar naar de kinderbescherming. Wilden ze weten of ik niks tekort kwam. Ze meenden het goed, maar het waren wel allemaal hoge heren in villa's, ze waren baron en zo. Ging ik met de trein naar Arnhem, werd ik afgehaald door een klerk die mij bij de baron thuisbracht.

Ik kreeg er een keer een spiegel eitje. Had ik nog nooit gegeten. Bij ons bakten ze een ei gewoon: kléts, even roeren, gewoon klutsen. Wij aten vroeger met onze handen. Hoe moet ik dat nou versieren?, dacht ik. Ik probeerde het met mes en vork, het zootje droop aan alle kanten. Ze hadden een ventje van een jaar of 6, die zat tegenover mij en lachte zich kapot.

De volgende dag ging ik met de baron naar het bureau. Daar zaten de hoge heren aan tafel en kon ik mijn verhaal doen.

Ik moest elk jaar ook voor de notaris verschijnen. Die bekeek of mijn oom het goed deed. En of ik het goed deed. Je bent er zomaar niet. Ik beheerde de centen die ik zelf verdiende. Alles wat buitenom kwam, ging via mijn oom. Mijn huis is voor een deel gebouwd van het Rampenfonds.

Toen ik 21 was, had ik niemand meer nodig. Geen voogd, geen notaris, niemand meer. Ik ben getrouwd en op m'n eigen gaan wonen in Kortgene. Daar had ik naar uitgekeken, ik wilde weg. Ook al zijn ze nog zo goed voor je, je woont toch bij een ander. Ik wilde mijn voeten onder mijn eigen tafel steken. In huis golden hún regels. Ik heb bij mij thuis ook regels. Als mijn kleinkinderen iets doen wat ik niet wil, zeg ik: niet doen. Klaar. Zo is het toch? Doet iedereen.

Hoe het me is gelukt te overleven, weet ik niet. Ik was jong, dat scheelt. Ik had vrij vlug verkering, anderhalf jaar later al, dat scheelt ook. We zijn nog steeds bij elkaar, we hebben twee dochters en drie kleinkinderen. En ik ben heel goed opgevangen in Kamperland. Heel wat beter dan in Kortgene. Toen ik een paar weken na de ramp in Kortgene was, deed niemand z'n smoel open.

Om de rekeningen van mijn vader te betalen, wisten ze me wel te vinden. Mijn vader had geld van de schoenmaker geleend om ons huis te kopen. Die vroeg meteen hoe hij zijn geld moest terugkrijgen. De oom van mijn vader heeft het allemaal terugbetaald. Van het Rampenfonds en misschien nog wel meer instanties.

Vier weken na de ramp had ik een rekening in de bus van de fietsenmaker. Die had de fiets van mijn vader gerepareerd. Ook dat heeft mijn oom opgelost.

Er is niet veel teruggevonden van ons huis. Paar kachels, paar fietsen. De familie van mijn moeder heeft die opgeknapt en verkocht. Ik heb er niks van gezien. Ik heb sowieso niet veel gehoord van mijn familie.

Ik heb nooit veel over de ramp verteld. Tot voor kort wist mijn vrouw niet eens alles. Toen mijn kinderen ouder werden, vroegen ze naar opa en oma. Heb ik wel wat verteld, maar nooit het ware.

Tot mijn 50ste speelde het niet, toen kwamen de slapeloze nachten. Soms lig ik 's nachts te piekeren over waarom het zo gemoeten heeft.

Ze hadden met mij moeten springen. Dat had ik ook gezegd. Pakken stro dreven er zat. Ik zei: ''Spring erop. Er staan mensen genoeg op de dijk. Die helpen je wel.'' Mijn vader wilde dat niet. Ik was de enige die kon zwemmen.

Ik had al mijn kleren aan en zwom zo weg. Als ik er nu in zou springen, zou me dat niet lukken. Mensen in het nauw kunnen alles.

Twee huizen naast ons woonde een koeienboer. Die had een grote schuur. Het dak kwam langs drijven, maar te ver van ons huis, anders hadden ze daarop kunnen springen.

Er zijn ook mensen geweest die het dak opgingen en de pannen eraf hebben gegooid. Dan zakte het huis niet in elkaar. Maar ja, dat is niet gebeurd.

We kunnen er net zoveel over filosoferen als we willen, het verandert niks. Dit raak ik nooit meer kwijt. Alleen als ik doodga. Dan is het gebeurd natuurlijk.

Ik zat in de landbouw. Geen boerenknecht, arbeider. Aardappels poten en rapen, bieten uitsteken. Hoe meer je deed, hoe meer je verdiende. Aardappels gingen per mand, bieten per lapje grond. Ze weten tegenwoordig glad niet meer hoe dat ging. Als ik het er weleens over heb, zeggen ze: dat was de oude tijd, die is voorbij. Dan zeg ik: dat kan wel wezen, maar ik heb het toch maar moeten doen. In regen en wind, met een spa in de bevroren grond, dan zag je zwarte sneeuw.

Daarna ben ik magazijnmeester geweest bij een loodgieter. Op mijn 40ste heb ik mijn hoveniersdiploma gehaald en ben ik gaan werken bij een hovenier. De laatste dertien jaar was ik bij de plantsoenendienst van de gemeente en heb ik een vakantiebungalowpark aan het Veerse Meer onderhouden. Mooi werk. Beetje eigen baas. Op mijn 57ste kon ik met prévut en ben ik eruit gestapt.

Toen ik promotie maakte, had ik dat graag met mijn vader besproken. Vroeger wisten we niet anders dan dat we altijd in de slik zaten te wroeten. Als je je dan toch een beetje opwerkt, dat hadden mijn vader en moeder heel leuk gevonden.

We hebben nooit afscheid genomen. Ik ben gewoon gesprongen. Zo eruit. Niet omgekeken. Zo weg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.