DE ENIG JUISTE ISLAM VAN KIRGIEZEN EN OEZBEKEN

Kirgizië, Oezbekistan en Tadzjikistan, drie nieuwe Centraal-Aziatische staten, zijn beducht voor het islamitische gevaar. Hoeveel moslimstrijders er ACTIEF ZIJN, WEET niemand....

Het liep tegen het eind van de lente in Gaz, een Kirgizisch dorp van vierkante lemen huizen. De sneeuw was van de bergen verdwenen, het smeltwater weggezakt in het poreuze steen, en de rivier die tussen de spichtige populieren stroomde, geslonken tot een stroompje.

Toen de dorpelingen hun schapen naar de bergweiden brachten, merkten ze iets vreemd. Boven tussen de rotsen hadden onbekende mannen hun kamp opgeslagen. Baardige strijders, tot de tanden gewapend. Mujaheddin. Er waren Oez beken bij, Tadzjieken, Tsjet sjenen, zelfs een Oejgoer uit Chi na. De dorpelingen raakten na een tijdje aan hen gewend: soms daalden ze af uit de bergen, kochten aardappelen en graan, en spraken over de heilige oorlog. Waarom sloot het dorp zich niet bij hen aan? Ze streden in naam van Allah tegen het goddeloze regime: gewone mensen hoefden niet bang te zijn. Het leger en de politie, ah, dat was een andere zaak.

Gaz ligt in een uithoek: het duurde weken voor het nieuws over de guerrillastrijders de autoriteiten bereikte. Ze stuurden vrachtwagens met haveloze soldaten, die enkel gekookte kool te eten kregen en een hond neerschoten voor hun avondmaal. Ondanks de waarschuwingen van de voorzitter van de dorpsraad was een van de vrachtwagens naar boven gereden, waar het dal van Gaz zich vernauwt tot een kloof en de weg verandert in stenig pad. De officier, de chauffeur en de drie soldaten hadden geen schijn

van kans.

Daarna galmden de salvo's dagelijks door het dal. Een van de oude mannen van Gaz, die Berlijn nog had helpen veroveren, vertelde aan iedereen die wilde luisteren dat dit geen oorlog was, dat je in een echte oorlog de grond onder je voeten voelt schokken van de explosies, maar toch werd het dorp op last van de autoriteiten geëvacueerd. Vrouwen, kinderen en bejaarden liepen de 40 kilometer naar het districtscentrum, waar ze de rest van de zomer doorbrachten op het stoffige voetbalveld. Toen, even plotseling als ze verschenen, waren de moslim-guerrillastrijders verdwenen. Naar Tad zji kistan, werd gezegd. Of naar Afghanistan.

Als we een anderhalf jaar later de plaats van de hinderlaag bezoeken, ligt er een bescheiden monument met de namen van de gesneuvelde militairen. Bij de sokkel liggen roestende patroonhulzen. De uitgebrande vrachtwagen ligt als het karkas van een dood beest op de bodem van de kloof. Irisbaj Mammajoesoepov hijgt van de klim door de sneeuw. Het is winter: de passen zijn dicht en de guerrillastrijders kunnen voorlopig niet erdoor. Als de bibliothecaris van Gaz op adem is gekomen, zegt hij: 'Ik weet zeker dat ze terugkomen, ze kennen de weg.'

Centraal-Azië is in de ban van het islamitisch gevaar. Kirgizië, Oez be ki stan en Tadzjikistan zijn zwakke staten, niet opgewassen tegen de onafhankelijkheid. Ze zijn pas in 1991 op de wereldkaart verschenen. Niet na een lange vrijheidsstrijd - alleen omdat de Sovjet-Unie onverwachts ophield te bestaan. De problemen die de nieuwe staten de baas moeten worden, zijn enorm. De grenzen zijn onlogisch, de nationaliteiten hopeloos door elkaar geklutst, uitbarstingen van etnisch geweld altijd mogelijk.

In die omstandigheden verschijnen in 1998 de moslim-guerrillastrijders ten tonele. Wie zegt dat de verpauperde bevolking niet hun kant zal kiezen? Beloven ze niet letterlijk het paradijs op aarde? Ze hebben een oplossing voor alle problemen - de islamitische wet, de sharia - en ze hebben de wil en de wapens om voor de sharia te vechten. Die eerste keer, in Gaz, blijft het bij schermutselingen. De tweede keer dat de guerrillastrijders Kirgizië binnenvallen, in augustus van het vorige jaar, klinkt er voor het eerst artillerie en gieren de straaljagers. En komende zomer? De radiozender De Stem van het Shariaat heeft al omgeroepen: '2001 wordt het beslissende jaar van onze jihad.'

Iedereen weet wat de guerrillastrijders van plan zijn. Op het punt waar de grenzen van Kirgizië, Tadzjikstan en Oezbekistan bij elkaar komen, ligt de Fergana-vallei. Het is een weidse vlakte, zo'n honderd kilometer lang en veertig kilometer breed, die aan alle kanten wordt omsloten door uitlopers van het Pamir-gebergte en de Tien-Sjan. In de winter, als de bergen verscholen liggen in de nevel, heeft de vallei met zijn geknotte moerbeibomen en lange rechte irrigatiekanalen veel weg van een Nederlandse polder. Tegen de dorre steppes en bergen van Centraal-Azië steekt Fergana af als een tuin van Eden. Dankzij het smeltwater en de vruchtbare grond kan er bijna het hele jaar rond worden geoogst. De leider van de guerrillastrijders, ene Dzjoema die in de jaren tachtig als paratrooper met het Rode Leger in Afghanistan had gevochten en zich nadien had bekeerd tot de Almachtige, komt uit de stad Namagnai in het Oezbeekse deel van de vallei. Hij droomt van de Islamitische Republiek Fergana met zijn geboorteplaats als de nieuwe hoofdstad.

Kijk in de atlas: de Centraal-Aziatische staten beslaan een reusachtig gebied. Maar op de politieke kaart is het een witte vlek. De nieuwe landen, onzeker van hun plaats in de wereld, horen nog bij geen enkel militair bondgenootschap. China, Pakistan, Rusland, Turkije en het Wes ten wedijveren om macht, invloed en olie. En precies in het midden, in het hart van Azië: de Fergana-vallei. Tienduizenden kilometers verderop, in Washington, Moskou en Beijing, breken geheime diensten en geostrategen zich het hoofd over de vraag: wat als de mujaheddin de vallei deze zomer binnendringen?

De International Crisis Group, een gerespecteerde denktank die is gevestigd in Brussel, schrijft: 'De opeenhoping van grieven, onzekerheden, wantrouwen en het gevoel kwetsbaarheid is genoeg om een of ander plaatselijk incident - bijvoorbeeld een rel, een grensincident of een terroristische aanval - snel te laten uitgroeien tot wijdverbreid geweld en een algehele opstand, of tot een internationale militaire confrontatie.'

De vn hebben uit voorzorg achthonderd tenten gestuurd voor de opvang van vluchtelingen. Onder de hulporganisaties in het gebied is conflict prevention het modewoord. In de Westerse pers verschijnen artikelen vol uitdrukkingen als 'vicieuze cirkel' en 'neergaande spiraal'.

'Hoeveel guerrillastrijders zijn er? Een paar honderd? Misschien duizend?' 'Monsieur, het is een hype', klaagt Yves Marchand. Hij is een Parijzenaar met een radde tong, en runt voor M & lsquor;decins sans Frontières een aids-preventieproject in de stad Osj in het oosten van de vallei, en alles waarover de wereld wil horen, zijn de guerrillastrijders. 'Het is een hype, maar een gevaarlijke hype. Straks beginnen ze van de weeromstuit te vechten!' Yves laat een boekje zien dat bedoeld is om soldaten voor te lichten over aids; het virus voorgesteld als een gedrochtelijk stripfiguurtje met een gemene fundamentalistenbaard. 'Oui, un mujaheddin.'

Het grootste en dichtstbevolkte deel van de Fergana-vallei behoort tot Oezbekistan. Vanuit de hoofdstad Tasjkent wordt door de bergen een nieuwe snelweg naar de vallei gebouwd, misschien wel de beste weg van het land. In de helft van de tijd die het vroeger kostte, kunnen trucks met handelswaar - en tanks - Fergana bereiken. We willen in de vallei te weten komen of de moslim-guerrillastrijders steun genieten van de Oezbeken, of Centraal-Azië echt aan de vooravond staat van een oorlog.

Boven op de pas is een slagboom en een legerpost met muren van betonplaat. Een soldaat draait onze accreditaties rond in zijn vuile vingers. Rondkijken in de vallei gaat niet zomaar.

In Oezbekistan gebeurt er niets zonder toestemming van president Islam Karimov en zijn leger en politie. Langs de weg hangen portretten van zijn vlezige gezicht en borden met zijn uitspraken. Hij was tot 1991 de eerste secretaris van de Socialistische Sovjet-republiek Oezbe kistan; daarna had hij zijn communistische partij omgedoopt tot de nationaal-democraten, en zichzelf tot president laten kiezen. Een oppositie bestaat er net zo min als vroeger. Karimovs tegenstanders zitten in de gevangenis of zijn naar het buitenland gevlucht. De democratie is dood geboren in Oezbekistan.

We willen graag een moskee bezoeken. In de Fergana-vallei waren ten tijde van Gorbatsjovs glasnost tientallen oude moskeeën gerenoveerd, en honderden nieuwe geopend. Sommige imams preekten meer dan alleen godvruchtigheid; ze gingen tekeer tegen de corruptie en onderdrukking van het regime. Er werd hardop gesproken over een islamistische revolutie; naast de moskeeën werden sportschooltjes geopend waar mannen les konden krijgen in zelfverdediging en karate. 'De helft van de geestelijkheid droeg de zwarte band', had een gevluchtte oppositiepolitcus verteld, vol ontzag.

De islam gewoonweg verbieden ging niet, maar Karimov liet alle opstandige imams oppakken, sloot een groot deel van de nieuwe moskeeën wegens 'overtreding van de bouwvoorschriften', en stelde de oude onder streng toezicht. De kern van de guerrillabeweging bestond uit islamitische revolutionairen die op tijd over de grens met Tadzjikistan waren gevlucht. Op de Oezbeekse vliegvelden en busstations had de politie biljetten met foto's van 'de terroristen' aangeplakt: jonge mannen met pluizige moslimbaardjes.

Het Oezbeekse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een programma voor ons opgesteld. We mogen naar de Khonakhan in de stad Margilan: een eeuwenoude moskee met gebedsruimten die zijn beschilderd in tere pasteltinten. Als we aankomen, klinkt van de minaret het Allah-u-akbar voor het vrijdaggebed; maar gedempt, niet door een luidspreker, dat is in Oezbekistan verboden. De moskee stroomt vol, tot op straat rollen de mannen in lange rijen hun gebedskleedjes uit. Als imam Sabirzjan klaar is met het lezen van de soera's van de Koran, knikt hij met zijn stralend witte tulband gedienstig naar onze bege leiders van het stadbestuur, en zegt ongevraagd: 'Dit is de enig juiste islam.'

Het is niet moeilijk voor te stellen waarom de islam Karimov zo'n angst aanjaagt. In het land waar alleen hij de bevelen uitdeelt, knielen en buigen alle mannen tegelijk, als op een onhoorbaar commando. De enigen die blijven staan, zijn de twee geuniformeerde agenten, hun portofoons luid krakend in de stilte. Als zijn meerdere niet oplet, haalt de jongste snel zijn handen in gebed over zijn gezicht. Op de een of andere manier hangt in de moskee het besef dat iedereen, landarbeider en president, gelijk is voor het aangezicht van Allah.

De gouverneur zetelt in Fergana: een Sovjetstad vol met de lelijke flats die je overal tussen Brest en Vladivostok tegenkomt. Zijn plaatsvervanger, Fatih Azimov, heeft van het ministerie opdracht gekregen ons te woord te staan. Hij ontvangt in een enorme zaal: hij zit tussen een rij ambtenaren onder de kroonluchter. Terzijde staat een tafeltje met vier Oezbeekse journalisten, hun pennen in de aanslag, en de plaatselijke tv maakt opnamen. Alsof we komen onderhandelen over een staatsverdrag. Uit de mond van de vice-gouverneur rolt het ene cijfer na het andere: 362 duizend ton katoen... 168 miljoen dollar investeringen... 190 moskeeën...

Een adviseur kan een geeuw niet meer bedwingen. Oezbeekse bureaucraten weten niet goed wat ze aan buitenlandse bezoekers over 'de terroristen' moeten zeggen: aan de ene kant willen ze vertellen dat het gevaar groot is (en hulp dus noodzakelijk); aan de andere kant dat alles onder controle is. 'Het volk veroordeelt eensgezind de aanhangers van het kalifaat', zegt de vice-gouverneur, maar even later bekent hij: 'Er is geen garantie dat de jeugd niet is geïnfecteerd met hun ideeën.' Haastig: 'Maar daartegen zetten we alle middelen in.'

Het ministerie heeft voor ons een ontmoeting geregeld met de voorzitter van het comit & lsquor; van de wijk Nieuwpark. Alle steden en dorpen zijn op instructie van de president verdeeld in wijken, die werden bestuurd door een wijkcomit & lsquor;, en elk comit & lsquor; heeft een speciale afdeling voor 'de strijd tegen het terrorisme'. Voorzitter Sodirzjon Eminov haalt uit een kast in zijn wijkkantoor een stapel kartonnen kaarten

- een voor elk van de 1250 families. Alles staat erop aangetekend. 'We hadden twee of drie families met ideeën, maar ik heb hen ervan overtuigd dat ze zich verkeerd opstelden tegenover de staat.' Natuurlijk blijft hij ze in de gaten houden. Eminov is trots op zijn netwerk van verklikkers. 'Elke verdachte familie krijgt een opzichter, die observeert wie er bij hen aan huis komt, en als iemand te vaak langskomt, wordt die ook onderzocht.'

Aan de muur van het wijkkantoor hangt het onvermijdelijke citaat van president Karimov: 'Oezbekistan is ons vaderland, en te werken voor zijn welvaart moet voor elk van haar burgers een vreugde zijn.'

De politie heeft duizenden mannen in de vallei opgepakt. Een videocassette met verboden preken, een verdachte opmerking, zelfs het verkeerde soort baard is aanleiding genoeg. Hun families zijn gebrandmerkt: hun ouders en broers kunnen geen werk vinden, hun kinderen zijn niet meer welkom op de school. Hun buren durven niet meer met hen te praten (iedereen weet van de verklikkers). Ze worden uitgestoten - vijanden van het volk. Alleen als het hoofd van de familie zijn vlees en bloed publiekelijk verstoot, op de wijkvergadering of op de televisie, worden ze weer in genade aangenomen.

Dilsjod Ischakov werkte op de valuta-afdeling van de Nationale Bank. Hij had drie kinderen, dronk niet, feestte niet en bad vijf keer per dag. Op 17 februari 2000 kwam de politie hem halen. Als in het officiële programma van het ministerie een gaatje valt, spreken we met zijn moeder Farida, een lerares. Toen ze Dilsjod terugzag in de rechtszaal, kon hij niet meer staan: zijn voetzolen waren rauw geslagen. De rechter schold hem uit voor Wahhabist, de term die in Centraal-Azië wordt gebruikt voor fundamentalisten. Hij deelde soms pamfletten uit, geeft zijn moeder toe. Maar het vonnis van de rechter luidde vijftien jaar voor een 'poging tot omverwerping van het grondwettelijk gezag'.

Het ene moment staan Farida's ogen vol tranen, dan weer schieten ze vuur. In haar hand houdt ze een smeekbrief aan de president, waarop nooit antwoord is gekomen. Melodramatisch zegt ze: 'Als ik een wapen in handen krijg, sta ik niet in voor mezelf.'

De terreur heeft de guerrillastrijders het onverdiende aura van vrijheids strijders gegeven: meer dan eens horen we Djzoema uit Na man gan vergelijken met Che Guevara. Ze werken als een magneet op studenten die de connecties missen om een baantje toegeschoven te krijgen op een of ander ministerie; op de mannen die te arm zijn om een bruidschat bij elkaar te sparen, en dus geen vrouw kunnen vinden. Het gist, ondanks de politie en de verklikkers. Iemand laat ons een van de handgeschreven kattenbelletjes zien, die stiekem de ronde doen: 'Karimov: zoon van de Farao!!!' 'Ook hij zal verantwoording moeten afleggen tegenover Allah.'

De meeste mensen in de Fergana-vallei houden zich liever verre van politiek: de guerrillastrijders en de president zijn ver weg, de armoede ligt voor iedereen vlak om de hoek. Vroeger werd in de vallei katoen verbouwd voor de textielkombinaten van Rusland; maar met de Sovjet-Unie is ook de planeconomie verdwenen, en met de planeconomie de gegarandeerde afzetmarkt en de controlecommissies uit Mos kou, die ervoor zorgden dat de plaatselijke partijbonzen hun hebzucht niet helemaal de vrije loop lieten.

Nu staat de economie bijna stil, smokkel is de enige manier om aan geld te komen. De nieuwe machthebbers zuigen de bevolking uit als de khans van weleer. In het Tadzjiekse deel van de vallei zijn de meeste fabrieken en collectieve boerderijen leeggeplunderd en vervallen tot ruïnes. 'De-industrialisatie', heet dat in de rapporten van de Wereld bank en het IMF.

De betonnen goten van het bevloeiingssysteem lekken of zijn gebroken, en de velden verdrogen. Er is water genoeg: hier stroomt de brede Syr-Darja-rivier door een opening in de bergen de vallei uit, om drieduizend kilometer naar het westen in de woestijn te verdampen. Anvar Atabajev, de coordinator van het United Nations Development Program, houdt kantoor in het ommuurde villawijkje van de vn op de hoge oever van de rivier, een paar kilometer buiten de stad Chodz jand. Hij kan het modderige water voorbij zien stromen. '550 kubieke meter per seconde', rekent hij berustend voor.

Er dreigt honger: Atabajevs collega's hebben vandaag de eerste treinwagons met meel van de noodhulp uitgeladen. De graanoogst is mislukt, het weinige water ging naar de teelt van katoen, dat in het buitenland kan worden verkocht (de plukkers verdienen een paar waardeloze soems, de dollars verdwijnen in de zakken van de bazen en de bureaucraten). Op de velden verzamelen de Tadzjieken in de snijdende wind de katoenplanten die na de pluk zijn achtergebleven, en binden ze in schoven. Het is voor de kachel: het provinciale verwarmingssysteem is al jaren buiten werking. De houtige stengels branden snel op en geven weinig warmte, maar andere brandstof kunnen ze niet betalen.

In een theehuis zitten de mannen in kleermakerszit te schaken met stukken die zijn gladgesleten van de ouderdom. Zjoeman Toech tachinov is 70 jaar: hij heeft vier dochters en vier zonen die voor hem zorgen, maar de pelgrimstocht naar Mekka die hij voor zijn dood nog zo graag wil maken, kunnen ze niet betalen.

'Hoeveel arme mensen zijn er in Europa?', wil hij weten. Wat moeten we zeggen? Vergeleken met de Tadzjieken zijn de meeste Europeanen miljonairs. 'Niet zo veel.' 'Minder dan 50 procent?', houdt de oude aan. 'Minder dan 50 procent is heel erg weinig.'

De armoede wordt verergerd doordat Oezbekistan de grenzen in de vallei grotendeels heeft gesloten uit angst voor de guerrillastrijders. Vroeger, in de Sovjet-Unie, was de grens tussen de republieken niet meer dan een vreemde, grillige lijn op de kaart. Nu betekent het mij nen velden, visumplicht, controleposten. Dorpen zijn ineens afgesloten van de buitenwereld. Herders kunnen nergens heen met hun kudde. De handel stagneert.

Op een dag passeren we in een paar uur rijden zes keer een grens. De ene keer bestaat die uit niet meer dan een soldaat achter een schoolbankje, de andere keer dient een tak met een steen als contra-gewicht, als slagboom, weer een andere keer staat er zelfs een gebutste container (binnen vangt een emmer het lekkende regenwater op).

Maar overal moeten chauffeurs een bankbiljet in een uitgestoken hand stoppen. Oezbeken worden uitgeschud door de Tadzjieken en Kirgiezen, de Kirgiezen door de Tadzjieken en Oezbeken, enzovoort. De commandant van de Tadzjiekse grenspost bij het stadje Naoe vertelt hoe de Oezbeken hem alles hadden afgenomen - alles! - toen hij terugkwam van een halfjaar werken in Rusland. Met zijn omvangrijke buik ziet hij eruit alsof hij zelf ook zijn deel wel krijgt, maar de herinnering aan de vernedering is hem te veel. Woedend kijkt de commandant naar de weg die langs zijn post loopt. 'Als die Oezbeek hier langskomt, schiet ik hem door zijn kop. Als ze oorlog willen, kunnen ze die krijgen.'

In de Fergana-vallei is het gevoel van instabiliteit tastbaar. De wereld maakt zich zorgen om het islamitische gevaar, maar de moslim-guerrillastrijders zijn maar een onderdeel, en misschien niet het belangrijkste, van de maalstroom waarin Centraal-Azië is terechtgekomen. Repressie. Opstandelingen. Gesloten grenzen. Smokkel. Economische crisis. Armoede. Etnische haat. Het hoofd van een internationale hulporganisatie had in een rapport geprobeerd de toestand op een bladzijde samen te vatten in een diagram: tientallen hokjes waren met elkaar verbonden door een netwerk van pijlen en stippellijnen.

De toekomst? Op weg door het Oezbeekse deel van de vallei komen we langs een veemarkt bij het stadje Hamza. Het gerucht wil dat Dzjoema en zijn guerrillastrijders op weg naar Hamza waren toen ze aan de rand van de vallei, bij Gaz, op het leger stuitten. Hun doel was de stinkende olieraffinaderij in de buurt van het ommuurde stuk modderterrein waar de markt wordt gehouden. Het is druk op de markt: Oezbeken laden spartelende schapen in de achterbak van een aftandse Lada, een Kirgies dartelt op zijn paard tussen de mensen en de koeienruggen. Een man met blauwe kaftan komt nieuwsgierig naar de buitenlanders toe, en geeft de zachte handdruk die de volkeren in Centraal-Azië gemeen hebben.

'Mijn naam is Roma, en ik kan van je gezicht je toekomst aflezen.'

Roma kijkt ons een voor een strak aan, een gesprongen adertje in zijn oog geeft hem een ongezond uiterlijk. Er komen meer marktgangers omheen staan, Roma speelt voor publiek. 'Ik zie dat je vrouw een zuurpruim is, zij heeft de broek aan!', zegt hij stellig. 'Ja, waar iedereen bij staat durf je natuurlijk niet te zeggen dat dat waar is.' De mensen lachen. Roma trekt zijn gezicht in een ernstige plooi.

'Ik zie ook dat je miljardair zult worden.'

'Kun je ook de toekomst van het land voorspellen?'

Nu is het de beurt van Roma om te lachen. Nee, de toekomst van het land kan niemand voorspellen, 'die is in de hand van Allah'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden