De ene geschiedenis is de andere niet

Wat is het nut van geschiedenis op school? Die vraag houdt al generaties lang de gemoederen bezig. Vaak ging het daarbij meer om politiek dan om didactiek....

EEN MAMMOETTANKER noemt voorzitter Piet de Rooy de commissie Historische en Maatschappelijke vorming. Die massa was nodig om een eind te maken aan de eindeloze discussie over nut en noodzaak van geschiedenis op school. De belangrijkste doelstelling van het geschiedenisonderwijs, zo schrijft de commissie in Heden, verleden en toekomst, is het ontwikkelen van historisch besef. Leerlingen moeten leren de eigen tijd te relativeren. Maar besef van wélk verleden? Ligt niet het gevaar op de loer dat het historisch besef wordt doorkneed met politieke opvattingen? De geschiedenis zelf biedt daarvan genoeg voorbeelden.

Geschiedenis als modern schoolvak dateert uit de 19de eeuw. In 1857 werd het vak verplicht op de lagere school. Zes jaar later kreeg het een plek in het curriculum van de splinternieuwe hbs. De geschiedenisles had een onverbloemd politiek doel: het aankweken van 'liefde voor den vaderlandschen bodem'.

Die liefde was niet vanzelfsprekend. Na de afscheiding van België in 1839 kreeg Nederland zijn definitieve staatkundige vorm. Maar verder was het land een archipel van gebieden en samenlevingen, met verschillende dialecten, klederdrachten, geloven en zelfs een verschillende klokkentijd.

Nationaal bewustzijn was in de ogen van de liberale elite een voorwaarde voor de overleving voor de staat. Uitgevonden tradities en een kunstmatig vaderlands verleden waren prima instrumenten om dat te bereiken.

Het lager onderwijs bood 'aanschouwelijk onderricht'. Vandaar de vele prachtige schoolplaten uit die tijd. Op de middelbare school begon het echte werk. De Batavieren waren 'eenvoudige menschen, opregt, trouw eerlijk, gastvrij, doch overgegeven aan drank en spel', lazen gymnasiasten in Geschiedenis des Vaderlands (1847). Gelukkig was er de beschaafde Claudius Civilis die zijn volk voorging in een succesvolle opstand tegen de Romeinen. Later waren het de Dirken, die van nummer I tot VII het graafschap Holland opstootten in de vaart der volkeren.

Het leeuwendeel van het boek is gereserveerd voor de Tachtigjarige Oorlog. De strijd tegen de Spaanse onderdrukking was het thema bij uitstek om nationale gevoelens op te wekken. Willem van Oranje, de oogappel van het volk, de bloeddorstige Raad van Beroerten, de ijzeren Hertog van Alva, de kloekmoedige Watergeuzen, de fatsoenlijke weduwe Kenau Simons Hasselaar en de lafhartige moordenaar Balthasar Gerards, allemaal krijgen ze een plaats. Eén onderwerp wordt bewust voorzichtig behandeld, en slechts terloops aangestipt: de Reformatie.

Dat was geen toeval. Wettelijk was vastgelegd dat onderwijzers zich dienden te onthouden van lessen die strijdig waren met 'de eerbied verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.' Maar die andersdenkenden zelf dachten daar anders over. Katholieken en orthodox-protestanten hadden behoefte hun eigenheid in de nieuwe natie te onderstrepen. Dus richtten zij 'bijzondere' scholen op en onderwezen ze hun eigen vaderlandse geschiedenis.

Zo leerden protestante kinderen op hun 'scholen met den bijbel' dat de Opstand vooral een strijd voor godsdienstvrijheid was geweest. Het Handboek der Geschiedenis van het Vaderland van Groen van Prinsterer verhaalde hoe Willem van Oranje 'als een Mozes' de Hervormden uit het slavenhuis had geleid.

Hun katholieke leeftijdgenoten hoorden een heel ander verhaal. De Vader des Vaderlands was 'een meester in de kunst van het veinzen, in looze streken, in het volgen en opsporen van slinksche, verborgene gangen', zo lazen zij in Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten in de XVIe Eeuw van W.J.F. Nuyens. Weliswaar had hij zich verzet tegen Alva, 'maar aan het hoofd van een partij, die op hare beurt van onderdrukte weder onderdrukker werd'. Wie die nieuwe onderdrukten waren, laat zich raden.

Kritiek op het politiek geladen geschiedenisonderwijs bleef niet uit. Voorstanders van de 'nieuwe paedagogiek' beklaagden zich erover dat de leraar dikwijls leugens vertelde. 'De partijdigheid van het geschiedenisonderwijs is oorzaak, dat den leerlingen als met den paplepel wordt ingegoten hoe braaf de Nederlanders waren, en hoe slecht de andere volken.' schreef J. Kleefstra in 1887.

Maar katholieken en protestanten hielden voet bij stuk. De schoolstrijd tussen het neutrale staatsonderwijs en het bijzondere onderwijs was in volle gang. 'De neutrale school en het onderwijs in de geschiedenis,... die twee sluiten elkander uit, zal tenminste de school neutraal en de geschiedenis geschiedenis blijven, valt te lezen in Leerplan voor de scholen met den Bijbel uit 1912.

De schoolstrijd werd gewonnen door het bijzonder onderwijs. De grondwet van 1917 garandeerde gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs. De wederzijdse verkettering van katholieken en protestanten duurde voort, zeker nu zij niet langer streden tegen een gemeenschappelijke vijand.

Nationaal beneden de maat, zo beoordeelde bijvoorbeeld de Willem de Zwijgerstichting in 1948 het geschiedenisonderwijs op de katholieke scholen. Er was onvoldoende aandacht voor 'het protestants-nationaal karakter van ons volk'. In een tegenpamflet - het Nihil Obstat en het Evulgetur op het schutblad - boog J. Doodkorte zich in volle ernst over vragen als 'Behoren Heiligen tot de Vaderlandse Geschiedenis?' en 'Kunnen wij Willem van Oranje eren als kampioen van de verdraagzaamheid?' De antwoorden waren respectievelijk 'Ja' en 'Neen'.

Doodkorte schroomde niet de protestanten te betichten van nazi-praktijken. Die vergelijking was exemplarisch. Niet langer bepaalde de strijd tegen Spanje in het verre verleden wie een goed of een fout vaderlander was. De bezetting werd het zwaartepunt van de vaderlandse geschiedenis.

Antifascisme en eerbied voor de democratie namen ook in het geschiedenisonderwijs de positie van de natievorming over. Naarmate de Koude Oorlog heter werd, kwam daar nog het anticommunisme bij. Toen in 1960 het Bilderbergrapport voorstelde het aantal uren geschiedenisles op school te verminderen, schreef de Utrechtse historicus Pieter Geyl dat die maatregel 'ons weerstandsvermogen tegen de stelselmatig naar expansie strevende totalitaire opvattingen van het communisme zou kunnen verzwakken'.

Ontzuiling, politieke polarisatie en nieuwe pedagogische inzichten in de jaren zestig en zeventig lieten het geschiedenisonderwijs niet onberoerd. In 1968 werd de Mammoetwet ingevoerd. Geschiedenis werd in de bovenbouw van het voorgezet onderwijs een keuzevak. Volgens velen het begin van het einde van het historisch besef.

Tegelijkertijd rees verzet tegen de politieke boodschap in het geschiedenisonderwijs. Het Socialistisch Onderwijsfront - toch net iets robuuster dan 'personeelscollectief' - beschouwde de gangbare schoolboeken als propaganda voor de heersende klasse. Niet dat objectieve geschiedenisles het streven was. Zonder blikken of blozen werd in Kazerne, kerk en kapitaal. Indoktrinatie in ons geschiedenisonderwijs (1973) een alternatief doel geformuleerd. Het geschiedenisonderwijs was er bij uitstek op toegerust de leugens van de misdadige kapitalistische ideologie te ontmaskeren. Anti-autoritair onderwijs zou van 'langzame kritische bewustwording' leiden tot een 'aktieve strijd in het belang van de onderdrukte klasse.'

Zo ver zou het niet komen. Maar de onderwijshervormers van de jaren zestig boekten wel een ander succes. In hun ogen was het onmogelijk de 'hele' geschiedenis te onderwijzen. Liever behandelden zij het verleden aan de hand van bepaalde thema's. Aan feitjes hadden de leerlingen niets, vonden zij. Alleen het aanleren van vaardigheden zou leiden tot werkelijk begrip.

De thematische methode sloeg aan. Dat blijkt ook uit de titels van de leerboeken. Vragen aan de geschiedenis klinkt toch anders dan Ketens der geslachten of Volkeren trokken voorbij. Maar de gevolgen voor de feitenkennis waren desastreus, zo bleek steevast uit onderzoeken. Sindsdien beheerste de thematische methode het debat, of het nu ging om de onderwerpen voor het Centraal Schriftelijk Eindexamen, de invoering van de Basisvorming of de aankleding van het Studiehuis.

De schijntegenstelling tussen feiten en vaardigheden, tussen chronologie en thema, is nu verleden tijd. Een schijntegenstelling, want wat heb je aan feiten zonder vaardigheden en andersom? Chronologie moet van de commissie-De Rooy weer de basis van het geschiedenisonderwijs worden, zij het in een nieuwe vorm. Weg met begrippen als Middeleeuwen, Renaissance en Verlichting. Leerlingen verdiepen zich straks in de tijdperken van 'monniken en ridders', 'pruiken en revoluties' en 'burgers en stoommachines'. Daarnaast is alle ruimte voor het behandelen van thema's.

Blijft over de vraag hoe het zit met de politieke boodschap. Moet het moderne geschiedenisonderwijs speciale aandacht besteden aan de mensenrechten of aan de multiculturele samenleving? De Rooy laat dat het liefst aan de scholen zelf over: 'De commissie was beducht voor iedere vorm van staatspedagogiek'.

Gelukkig maar, want geschiedenis heeft helemaal geen politieke legitimatie nodig. Het vak is leuk genoeg van zichzelf. En om die reden, geheel los van politieke agenda's, organiseren de Volkskrant en het Historisch Nieuwsblad alweer voor de derde keer de Grote Geschiedenis Quiz. Volgende week kunt u meedoen met de voorronde. Daarbij maakt het niet uit of u van voor of van na de Mammoetwet bent, als u maar beschikt over feitenkennis. En historisch besef natuurlijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden