De einder is je achterdoek

Hij wordt zelfs bezongen in de de 'Dreigroschenoper' van Bertolt Brecht, de oerwet voor elke theatervoorstelling: 'En men ziet die in het licht, die in het donker ziet men niet.' Maar tussen licht en donker zit een scala van mogelijkheden waarmee de onzichtbare hand van de belichter het oog van...

Bij die grote buitenprojecten die ik samen met vormgever Peter de Kimpe heb gedaan, zoals Abe! (1995) in het voetbalstadion van Heerenveen, Peer Gynt (1999) op Terschelling tijdens Oerol en Orfeo Aqua (2000), een opera op de Friese meren, schuw ik geen effecten. Kom op, zeg. Licht is zelf een effect. Dat werkt juist heel goed in die enorme ruimten.

Ik hou ontzettend van die ruimtelijkheid. Licht moet ruimte en sfeer geven. Kleur brengen in een zwarte ruimte. Ook buiten. Dan breng je kleur aan op een watervlakte of in een enorme zandbak. Maar je bent ook veel minder formeel bezig dan in het reguliere theater, omdat je alleen maar 's nachts kunt uitlichten en dat is erg avontuurlijk. Hoeveel ik ook van het gewone theater hou, om nou alleen maar over lichtbruggen heen te lopen, nee, dat zie ik mezelf toch niet doen tot mijn vijfenzestigste.

En net als in het theater wil ik ook buiten dan zo snel mogelijk, nadat ik de basis van het lichtplan heb voorbereid, samen met de regisseur en de spelers zo'n voorstelling verder ontwikkelen. Dat wordt niet altijd begrepen. Zeker niet door de natuur.

Zo'n voorstelling buiten heeft iets opera-achtigs. Vooral als er veel muziek gebruikt wordt. En als er muziek bij een productie zit, ga ik leven. Opera achtervolgt me. Bij de opera ben ik ook begonnen in 1972. Met een mazzeltje. Het hoofd technische dienst vond het zo leuk dat ik op Texel ben opgegroeid, omdat hijzelf uit Den Helder kwam. Bij de opera heb ik meteen groot leren werken. Urenlange lichtsessies met Götz Friedrich, die zijn lichtplannen altijd stap voor stap opbouwde. Repeteren, en dan hier nog een spotje, daar nog een spotje.

Licht werkt in de open natuur totaal anders dan in een theater. Je hebt bijvoorbeeld maar één keer per dag de kans om de voorstelling te bekijken, omdat het natuurlijke licht dan alweer veranderd is. Je kunt niet nog eens even een scène terugnemen. De lampen waarmee je werkt zijn veel groter. Je moet die afstanden overbruggen. En dan nog. Vergeet het maar dat je buiten een totaaltje kan maken, want zoveel licht heb je toch niet. Dus de hele dramatiek, de manier waarop je met licht kunt werken is totaal anders. En dan was bij Abe!, in zo'n stadion, de ruimte nog begrensd, maar op Oerol op Terschelling, ja, de einder is je achterdoek. En daar heb ik niks over te zeggen. Geen dag is gelijk.

Dan ben je niet meer bezig dat licht iets te verhogen of te verlagen. Je hoopt dat de hoofdrolspeler voldoende licht heeft. Sommige effecten die zich heel ver afspelen worden dan belangrijk. Je moet ook niet proberen om alles maar te laten zien. Bijvoorbeeld in dat stadion was er een computergestuurde bal die over het veld ging. Het enige wat belicht werd, was die bal. En je hoefde helemaal niet bang te zijn, dat alleen dat uitgelichte stukje van vijftig centimeter te weinig was. Dat werkte prima.

Dat gold ook voor Terschelling. Als ik daar één man op een hele grote afstand even in één schijnwerpertje had, was dat veel spannender dan dat ik die hele duinenrij had uitgelicht. Hoewel ik daar natuurlijk ook niet echt aan ontkwam.

We moesten wel een zandvlakte belichten omdat Peer Gynt nou eenmaal in de Sahara terecht komt. Maar goed daar heb ik ook middelen voor. Ik werkte tenslotte met stadionschijnwerpers. Die hebben een heel hoog vermogen. Geweldig zware joekels, 1800 watt. Allemaal heel goed mee te werken, alleen moest ik die dingen verstoppen.

In mijn begintijd werd er nog heel erg vanuit het naturalisme gedacht in de theatervormgeving. En het licht vulde dat aan. Een bos was een lamp met een bladerengobo, een bladerenraster, ervoor. Nou, als je tegenwoordig met een bladerengobo aankomt, loopt iedereen gillend weg.

Na dat naturalisme kwam heel erg in zwang dat je het licht juist in het beeld hangt. Dat je de schijnwerpers ziet op het toneel: het is niet echt! We maken hier theater!

Nu is er toch weer een behoefte gekomen om het theater de doos te laten zijn waarin de dingen gebeuren. Dus om de schijnwerpers weer te verstoppen en wel de dramatiek mee te nemen die theater kan oproepen. Ook buiten.

Toen de regisseur bij Peer Gynt had bepaald op welke plekken van de locatie er gespeeld ging worden, moest ik in die immense ruimte mijn licht zien weg te bergen om de natuurlijkheid in tact te laten. Zeker op zo'n strand is dat lastig. De eerste nacht begon het meteen te waaien en werd ik levend geschuurd. Toen ben ik in de warme lichtcabine gaan zitten met een kacheltje. Soms zijn de weersomstandighedenen je gewoon de baas. Maar dat kun je niet iedere nacht toestaan, want ook buiten is het op een goed moment première.

Bij Orfeo Aqua ben ik uitgegaan van de werking van het opkomend licht tijdens het ochtendgloren. We wilden zoveel mogelijk met natuurlijk licht belichten. Ik vroeg op. De zon bekeken. Tabellen gelezen. Hoeken berekend. Maar de dageraad duurt 's zomers gewoon veel te lang, dus hebben we de zon toch maar een handje geholpen door hem synthetisch op te laten komen. Heel ver, zover mogelijk aan de andere kant van het water, en om dat effect voor het publiek te verbergen, hebben we een groot scherm geplaatst en dat oranje belicht. Dat scherm lieten we langzaam omhoog komen. En dat was de opgaande zon. Door het publiek ergens anders naar te laten kijken, door de solisten op een bepaalde plaats aandacht te geven, merkte niemand dat de zon weer werd opgeruimd. Theatertrucs. Daar ben je toch vaak mee bezig als belichter.

Verder gebruik je hele onconventionele lichtmethoden als je buiten bent. Vuur is erg belangrijk. De pyrotechniek. Vuur is zo'n essentiële vorm van licht. Daar grijp je juist op terug als je in de natuur werkt. Olie, die brandt. Bij Peer Gynt hebben we ongelooflijk veel met vuur gewerkt. Van olielampjes tot en met bomen die in de fik gingen. Het hele strand stond vol met brandende olietonnen. Een prachtig beeld.

Door die andere werktijden is het wel heel zwaar. Meer dan één buitenproject per jaar vind ik al ongemakkelijk worden. In de tijd van één locatieproject kun je twee andere projecten doen. En omdat je alleen maar 's nachts werkt, wordt je hele ritme verstoord. Dat kun je ook maar beperkt volhouden. Dan verlang ik er wel eens naar om weer gewoon een schilderij te belichten voor een tentoonstelling. Dat doe ik ook graag. Want een Vermeer mooi uitlichten en tegelijk aan de hele specifieke lichteisen van een museum proberen te voldoen, is net zo spannend als dat werken in de buitenlucht. Om de uv-straling en maximale lichtwaarden van je belichting beperkt te houden en zo'n werk niet aan te tasten.

Met Peter de Kimpe maak ik nu voor het eerst een eigen voorstelling. Loop. Beelden en licht rond drie strijkkwartetten van Jacob ter Veldhuis. We hebben net een 1:4-versie aan het publiek getoond. Een soort maquetteversie, poppenkastversie. Ja, en ook dan ben ik toch echt met licht bezig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden