De eigenaardige universiteit

Na dertig jaar kan de Amerikaan Galen Irwin zich nog steeds verbazen over het wetenschappelijk onderwijs in Nederland: het is gebaseerd op zesjes, herexamens werken vertraging in de hand en de universiteiten vragen zich niet af wat ze willen zijn en waar ze naartoe gaan....

TOEN DE Amerikaanse politicoloog Galen A. Irwin zich in 1970 liet recruteren door de Rijksuniversiteit Leiden maakte hij kennis met een academische cultuur die hem volkomen vreemd was. In de Verenigde Staten, waar hij had gestudeerd aan de universiteiten van Kansas en Florida State, had hij ondervonden dat een wetenschappelijke opleiding als privilege geldt. Als een permanente aansporing om hard te werken en zichtbaar te presteren.

De frivoliteiten waarmee de jaren zestig hardnekkig worden geassocieerd, gingen volkomen aan hem (en de meeste van zijn medestudenten) voorbij. 'Wrijf het me niet te veel in', zegt de inmiddels tot hoogleraar benoemde Irwin. 'Ik heb de jaren zestig beleefd, maar niet méégemaakt. Ik heb de kansen die de tijd mij bood, gemist. Ik heb niet tegen de oorlog in Vietnam gedemonstreerd, geen draft cards verbrand, laat staan geijverd voor de burgerrechten. Hasj heb ik nooit gerookt en van seksorgies had ik geen weet. De prangende vraag ''Wat deed jij in de jaren zestig?'' moet ik helaas beantwoorden met: niets.' Behalve werken dan. Dat deed Irwin met volle overgave.

Op voorspraak van prof.dr. H. Daalder vestigde hij zich in Leiden om een bijdrage te leveren aan een onderzoeksproject naar politieke participatie. Hij beleefde er de nazomer van de oude universiteit. De patriarchen, van wie Daalder er een was, zaten nog fier in het zadel. 'Hij regelde min of meer alles. Zonder last of ruggespraak. Niet omdat hij zo van macht hield, helemaal niet. Maar om zijn medewerkers in de gelegenheid te stellen hun werk te doen.'

En die medewerkers kregen, anders dan Irwin in de Verenigde Staten gewend was, allen een vaste aanstelling. Op één na. 'Dat was hier toentertijd ongehoord. Zodra je op enigerlei wijze werd ingeschakeld door de universiteit, kreeg je een vast dienstverband. De bewuste medewerker kwam daar echter niet voor in aanmerking omdat hij niet genoeg publiceerde. In dat opzicht was Daalder bepaald progressief. Hij was een wegbereider van de cultuurverandering die pas nu haar beslag krijgt.'

Irwin ervoer de prestatiedruk overigens als alleszins dragelijk. 'Ik gaf vrijwel geen onderwijs, zodat ik mij op het onderzoek kon concentreren. En daar had ik mijn handen beslist niet aan vol. Ik herinner mij van die tijd vooral de heerlijke lunches, en de mosselen die we aten met de medewerkers van het secretariaat. Buiten, in de zon. Het ging er werkelijk heel ontspannen aan toe. We namen uitputtend de actualiteit door. Er gebéurde toen natuurlijk ook wel wat. Zeker op de universiteiten. We hebben daar verrukkelijke discussies over gevoerd.'

Irwin kijkt vertederd wanneer hij de vakgroepsrituelen van lang vervlogen tijden in herinnering roept. Eén onderdeel van de toenmalige discussiecultuur heeft de wisseling der seizoenen echter moeiteloos doorstaan: nog vrijwel dagelijks komen de medewerkers van de Leidse vakgroep Politieke Wetenschappen na de lunch bijeen om, zoals Irwin het uitdrukt, 'ideetjes op elkaar uit te proberen'.

Tijdens deze bijeenkomsten ventileerde Irwin op gezette tijden zijn verbazing over de eigenaardigheden van het Nederlandse hoger onderwijs. Dat heeft, vooral onder invloed van de bezuinigingen van de jaren tachtig, weliswaar veel veranderingen ten goede ondergaan, maar per saldo is er veel bij het oude gebleven, meent Irwin.

Akkoord: de studenten moeten voldoen aan een prestatienorm om in aanmerking te komen voor studiefinanciering, en aan het wetenschappelijk personeel worden beduidend meer eisen gesteld dan dertig jaar geleden. 'Het soortelijk gewicht van de universitair docent komt ongeveer overeen met dat van de toenmalige hoogleraar. En daar kunnen we ons gelukkig mee prijzen.'

Daar staan echter vele ongerijmdheden tegenover. De voornaamste is, aldus Irwin, het nagenoeg ontbreken van positieve stimulansen. 'Het onderwijs is hier meer ingericht op de bestraffing van slechte prestaties dan op de beloning van goede prestaties. Cijfers spelen, enkele numerus-fixus-opleidingen zoals geneeskunde uitgezonderd, geen rol bij de toelating van vwo'ers tot de universiteit. En tijdens de studie is alleen de vraag van belang óf je een tentamen haalt. Niet hóe je het haalt. Wie het hele traject van basisschool naar universiteit doorloopt, wordt eigenlijk maar één keer afgerekend op zijn score: bij de Cito-toets die wordt afgenomen bij leerlingen van groep 8. Daarna vermindert elk jaar de noodzaak hoge cijfers te halen. Het hele systeem is geënt op zesjes. Niet op achten en negens. Met de Amerikaanse toestanden waaraan critici van het prestatieregime zo graag refereren, heeft het stelsel dan ook niets gemeen.'

En zo zijn er meer fenomenen waarover Irwin zich is blijven verbazen. Over het feit bijvoorbeeld dat het bestuur van zijn universiteit het lidmaatschap aanmoedigt van studentenverenigingen die vaak meer afleiding bieden dan bevorderlijk is voor het studierendement. 'Amerikaanse studenten werken gedurende de week en feesten in het weekeinde. In Leiden is de sociëteit door de week open en op zaterdagavond dicht. Zelfs studieverenigingen presteren het reisjes en andere activiteiten te organiseren tijdens de onderwijsperioden. Het is een eeuwenlange traditie dat men eerst aan het studentenleven went, en dan aan de studie begint.'

EVEN OPMERKELIJK, in Irwins ogen, is de cultivering van de zelfredzaamheid van de studenten. 'De lijfspreuk van menig universitair medewerker luidt: ''Het is hier geen school.'' Wat men hiermee wil aangeven, is meestal niet geheel duidelijk. Voor sommigen betekent het blijkbaar dat de student een maximum aan vrijheid moet worden gegund. Dit betekent geen verplichte aanwezigheid op colleges, geen opdrachten of huiswerk, geen deadlines, geen overhoringen of beurten, en geen proefwerk week met tentamens dicht op elkaar.'

En dan is er nog dat curieuze verschijnsel 'herexamen'. Dat werkt op grote schaal uitstelgedrag en studievertraging in de hand. Het herexamen immers, wordt in de praktijk niet gezien als tweede of derde kans, maar als een 'dubbelkansing'. Als een legitimatie voor studenten om hun tentamen als een gokje te zien. De herkansing - 'de valse vriend voor studenten', zoals Irwin haar noemt - heeft de verzakelijking van de universiteit echter moeiteloos overleefd. Voor Irwin fungeert ze zelfs als symptoom voor de continuïteit in het hoger onderwijs.

Dat geldt in nog sterkere mate voor de omstandigheid dat een student tien jaar over een vier- of vijfjarige opleiding mag doen. 'Daar begrijpen Amerikanen werkelijk niets van. Als vier jaar realistisch is, waarom wordt de student daar dan niet aan gehóuden? Als vier jaar studie niet realistisch is, ligt het voor de hand ofwel de nominale studieduur te verlengen, ofwel universiteiten te dwingen hun programma's aan te passen.'

Op aandrang van zijn naaste collega's schreef Irwin in 1997 een kritische beschouwing over het Nederlandse hoger onderwijs in Socialisme & Democratie. Hij moest daarvoor overigens enige aarzeling overwinnen. 'Als je hier roept: ''In Amerika doen ze het beter'', zit de deur meteen dicht. Je moet, als relatieve buitenstaander, je bedenkingen bij de Nederlandse praktijken heel subtiel verwoorden. Academici zijn weliswaar bedreven in het uiten van zelfkritiek, maar van anderen horen ze liever niets lelijks.

'Ik heb dat meermalen ondervonden. Zo was ik, jaren geleden alweer, aanwezig bij een vergadering van een adviescommissie van de wetenschapsorganisatie NWO. Een van de aanwezigen verwees, als onderbouwing van zijn kritiek op de Nederlandse praktijk bij onderzoeksvrijstellingen, naar de situatie in de Verenigde Staten. Ik viel hem daarin bij. De voorzitter was echter niet gediend van dergelijke perspectieven. ''Hier in Nederland doen wij het zó'', besloot hij. En daarmee was dit agendapunt afgehandeld.'

Irwin stelde zich dan ook in op een kritisch onthaal van zijn bijdrage aan S & D (Zaaien en oogsten in de tuin van Ritzen geheten). Enigszins tot zijn verbazing bleef het debat waarin hij had willen voorgaan echter uit. Dat wil zeggen: één lezer won per telefoon nadere inlichtingen in over het stuk. Maar verder bleef het stil. Hoe dat komt? Irwin weet het ook niet. De oplage van S & D zal er vermoedelijk iets mee te maken hebben gehad. Maar mogelijk heeft hij zich ook vergist in de behoefte de fundamenten van het hoger onderwijs ter discussie te stellen. De academische gemeenschap koestert de rust die na het vertrek van Ritzen is ingetreden, en gaat de identiteitsvraag uit de weg.

'Dat is misschien wel het grootste probleem waarmee de Nederlandse universiteiten kampen', zegt Irwin. 'Vragen als: ''Wát willen we zijn, en wáár gaan we naartoe'' worden stelselmatig genegeerd. Ze bewijzen allemaal wel lippendienst aan moderne geloofsartikelen en spiegelen zich aan gerenommeerde Amerikaanse zusterinstellingen, maar geen van hen heeft het wérkelijk aangedurfd zich te ontworstelen aan de nominale gelijkheid van de Nederlandse universiteiten. Ik kan goed met verschillen leven, maar de gemiddelde Nederlander heeft daar grote moeite mee.'

Aan de profilering van de verschillende instellingen, en aan hun ontluikende concurrentie hecht Irwin vooralsnog niet zoveel betekenis. Noch aan het eerherstel van de kwaliteit waaraan de universiteiten zeggen te werken. Zo heeft de Universiteit van Amsterdam sinds kort drie 'superprofs' in dienst die zijn vrijgesteld van onderwijstaken en bestuurswerk. De UvA voert deze innovatie op als blijk van haar moderniteit, maar volgens Irwin gaat er een heel ander signaal van uit. 'Zo'n superprof articuleert alleen maar de geprononceerde scheiding tussen onderwijs en onderzoek.'

En dat vwo'ers die arts willen worden voortaan met een hoog cijfergemiddelde zonder loting tot de opleiding geneeskunde kunnen worden toegelaten, ziet Irwin hooguit als een correctie van het hoogst onbillijke lotingsysteem. 'Dat zo'n Meike Vernooy met een cijfergemiddelde van 9,6 niet tot de opleiding van haar keuze kon worden toegelaten omdat ze het verkeerde nummer trok, viel kennelijk zelfs in Nederland niet meer uit te leggen.' De opkomst van 'de ondernemende universiteit' ten slotte, neemt Irwin met een flinke korrel zout.

Van de nauwe relaties met het bedrijfsleven die de Leidse collegevoorzitter Vredevoogd twee jaar geleden in NRC Handelsblad in het vooruitzicht stelde, heeft hij bijvoorbeeld nog niets gemerkt. En hij waagt zich aan de veronderstelling dat hetzelfde voor Vredevoogd geldt. 'Als het hem ernst is met de verzelfstandiging van zijn universiteit, zou hij ten minste de helft van zijn tijd kwijt zijn aan fundraising. Ik betwijfel of dat het geval is.'

Fundraising, de kernactiviteit van het bestuurlijk apparaat der Amerikaanse universiteiten, reikt veel verder dat de contractactiviteiten waarmee de Nederlandse instellingen marktgerichtheid suggereren. 'Dat houdt in dat je als collegevoorzitter op bezoek gaat bij mensen die iets voor je kunnen betekenen: ''Kan ik iets komen vertellen over mijn universiteit?'' Je moet standwerker willen zijn, maar daartegen verzet de Nederlandse academische traditie zich. De gewoonte op de overheid te leunen, domineert tot op de dag van heden. Bill Gates heeft Duke University onlangs 30 miljoen dollar geschonken. Daar is een subtiel proces van Seelenmassage aan voorafgegaan. Ik vraag mij echter af of mevrouw Nina Brink van World Online al is benaderd door een Nederlandse collegevoorzitter. En waarom is het gebouw waarin mijn vakgroep is gehuisvest vernoemd naar een dode hoogleraar uit de zeventiende eeuw - Pieter de la Court - en niet, bijvoorbeeld, naar een levende biermagnaat? Daar zouden miljoenen mee te verdienen zijn.'

MAAR OM effectief te kunnen lobbyen moet elke Nederlandse universiteit zich herkenbaar profileren. 'Nu refereert men graag aan het Amerikaanse voorbeeld. Waarop doelt men dan echter precies? Op een typische onderwijs universiteit als Williams College? Of op een research university zoals Harvard? Hoe het antwoord op de vraag ook luidt: met de huidige middelen zullen de Nederlandse universiteiten hooguit kunnen wedijveren met de Amerikaanse subtop, met de nummer vijftig van de Amerikaanse ranglijst. Zij kunnen daar wel overwogen voor kiezen. Maar wie meer wil, wie zich terecht wil afficheren als het Yale, Berkeley of Harvard van Nederland, moet de daarvoor benodigde middelen zelf opbrengen.'

Daarvoor moeten de Nederlandse universiteiten echter hun huiver overwinnen om zich wezenlijk van elkaar te onderscheiden. 'Er zíjn hier natuurlijk wel verschillen, maar die hangen vooral samen met de individuele talenten van hoogleraren, of met de productiviteit van een vakgroep. Die verschillen zijn niet institutioneel. Alle instellingen worden geacht hetzelfde product te kunnen leveren. Op den duur zal dat een onhoudbare stelling blijken te zijn.

'Als Nederland zijn dertien universiteiten wil behouden, zullen die hun werkterrein moeten herverkavelen. De een ontwikkelt zich tot research-instelling, de ander legt zich toe op onderwijs. De instellingen zullen ook afstand moeten doen van hun pretentie de hele academische cyclus, tot en met de promotie, te kunnen beslaan. Sommigen beperken zich tot de eerste fase, anderen ontwikkelen zich tot universiteit in de ware zin van het woord.'

Een dergelijke taakverdeling ligt niet in het verschiet. De meeste Europese landen mogen vorig jaar in Bologna dan zijn overeengekomen hun hoger onderwijs op het bachelor-master-model te enten, de Nederlandse universiteiten lijken dit vooralsnog slechts als een nieuwe naam voor de bestaande toestand te beschouwen. Zij grijpen de gelegenheid niet aan voor een herinrichting van hun domein.

'Een gemiste kans', meent Irwin. 'Het wetenschappelijk onderwijs geniet dezelfde autonomie als de gemeente Bunschoten. Die wilde het zwembad op zondag sluiten, maar dat mocht niet. We mogen ons van elkaar onderscheiden zolang we maar op elkaar blijven lijken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden