De eeuwige kwellingen van het rennersvak

WIE DENKT DAT topsport lichaam en geest adelt, moet meteen Bert Wagendorp's roman De proloog ter hand nemen. Wielrennen als broodwinning haalt al het slechte in de mens naar boven, van renner zelf tot ploegleider, sponsor en toeschouwer....

HERMAN PLEIJ

De proloog is een zeer korte tijdrit waarmee grote koersen als de Tour de France openen. Binnen het specialisme van de tijdrit zijn het weer specialisten die als een geleid projectiel zo'n zes kilometer weten af te leggen. Win je de proloog, dan is je seizoen gemaakt, de ploegleider het hele jaar tevreden en je ploeg voorzien van een duidelijk uitgangspunt voor de eerste week van de ronde. Maar je zult maar net verkeerd schakelen in een bocht, wegglijden door een steentje of afgeleid worden door een wild bewegende toeschouwer. Of de nacht ervoor niet kunnen slapen.

Dat is de uitgangssituatie van deze roman. In plaats van een bundeling van zijn mooiste stukken heeft wielerverslaggever Bert Wagendorp van de Volkskrant de vorm gekozen van een fictief verhaal, gebed in de echte wereld met de bekende namen en waar gebeurde verhalen.

De gedoodverfde winnaar van de proloog ligt te woelen in zijn bed. Het is bloedheet in het goedkope hotel, onder het raam jakkert een dorpskermis, muggen gonzen en op de gang zoemt een Cola-apparaat. Bovendien is hij opgescheept met een wel zeer lompe kamergenoot, de belichaming van het Brabantse wielrennen, meer kont dan kop. Alles aan zijn maat is eenlettergrepig en vooral groot, ook zijn geslacht waarmee hij buiten het bereik van de camera's naar de Franse meisjes zwaait.

Deze Brabander wordt zo nu en dan half vloekend wakker van het gedraai van zijn gevoelige collega, die zowaar boeken leest. Hij scheldt hem uit voor student, maar praat ook mee over de kwellingen van hun beroep: oerdomme ploegleiders, doping, combines, de eeuwige angst om te vallen, een mond vol tanden voor de microfoon. Daarover horen we allemaal in de lange monologue intérieure van de renner die de proloog moet winnen.

De aansluiting tussen zijn fictieve wereld en al die echte verhalen rond Hennie Kuiper, Jan Raas, Eddy Merckx, Peter Winnen, Gert-Jan Theunisse en vele anderen is echter niet helemaal gelukt. Wagendorp vertelt zijn anekdotes minstens zo smeuiïg als Mart Smeets, maar gaandeweg het boek wordt het steeds onduidelijker waarom ze in de mond van romanfiguren zijn gelegd. Ook de karakters van de Brabander en de ploegleider worden onderweg overgenomen door de journalist Wagendorp, waardoor ze allemaal ondanks hun stupiditeit even bedreven raken in het analyseren van het wielrennersmalheur.

De auteur gaat voor zijn karakters staan. Daar worden de verhalen niet minder van. Alleen vergeet de lezer wie ze vertelt. Wagendorp is zeer gedreven, hanteert een aanstekelijke praatstijl en weet waarover hij het heeft. Alles komt uit de eerste hand, zoals ook blijkt uit de lange lijst van zegslieden aan het eind van het boek. Daarin staat iedereen die de laatste vijfentwintig jaar iets te betekenen had in de wielerwereld. Behalve Joop Zoetemelk, die inderdaad zijn hele carrière lang niets te zeggen had. Ook niet tegen Wagendorp, weten we nu.

Aardig op dreef is hij bij de dopingverhalen, nu verteld vanuit de renners zelf. Je moet wel, wat doe je anders in het peloton? En hoe kun je die dagelijkse kwellingen in hitte en hagel, op bergtoppen en in schroeiende dalen, anders verdragen? Daarom rijden renners volgespoten met testosteron dagenlang met erecties tot onder hun kin over Alpen en Pyreneeën. Als ze betrapt worden, verdedigen ze zich door te wijzen op al die halfblote meiden langs de hellingen die ze moeten beklimmen.

De mooiste gedeelten uit Wagendorp's roman gaan over vriendschap. Naarbuiten moet een ploeg kameraadschap uitstralen, opofferingsgezindheid, trouw aan de eigen organisatie. Maar niets daarvan. De wielrennerij is weinig meer dan een leerschool in het kwaad. Na een paar jaar vertrouw je je hele leven nooit meer iemand. Winnen kun je alleen als je de juiste personen op het juiste moment betaalt. En als je permanent misleidt en oplicht. Ook als je zogenaamd een deal sluit tijdens de rit met een ander. Je bent weg met zijn tweeën. Jij kunt de gele trui pakken, maar dan moet de ander wel meewerken. Je spreekt af dat hij als beloning daarvoor de rit mag winnen. Maar dan rijd je hem vlak voor de meet toch nog voorbij: rit èn gele trui. Na afloop word je geroemd vanwege je tactisch inzicht. De held van de dag. Alleen oppassen dat de verliezer je de volgende dag niet het ravijn in rijdt.

Wagendorp laat niets heel van de wielersport. Nergens komt hij in de verleiding al die ellende toch ondergeschikt te maken aan positieve waarderingen. En bij de lezer groeit de overtuiging dat elke professionele topsport tot zulke

(on)menselijke degeneraties moet leiden. Dat is knap van Wagendorp. Sport sterkt niet lichaam en geest, sport corrumpeert tot op de vezel. Bij deelnemer en toeschouwer. Waarom we dat echter uit de mond van een romanfiguur moeten vernemen, blijft onduidelijk.

Herman Pleij

Bert Wagendorp: De proloog.

Veen; ¿ 19,90.

ISBN 90 254 1224 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden