De eeuw van de media

WAAR HEBBEN we het over als we het over journalistiek hebben?..

Jan Blokker

In de negentiende eeuw had je al deftige couranten naast dubieuze schend- en scheldblaadjes. Nu hebben we nog steeds kwaliteitskranten naast roddelbladen, toegewijde dienaren van de openbaarheid naast rioolratten, persmuskieten en inktkoelies, zoekers naar de waarheid van de bouwfraude naast primeurjagers op de nieuwe verloofde van Catherine Keyl, en Buitenhof naast De week van Willibrord.

Allemaal factoren in de 'journalistieke cultuur in de twintigste eeuw.'

Onder die titel werd vorig jaar in Amsterdam een conferentie gehouden van communicatiewetenschappers, pershistorici, televisiemakers en krantenschrijvers, die in talrijke referaten de professie zo breed mogelijk te lijf gingen, dus zonder al te nuffig onderscheid tussen hoog en laag.

Zo passeerden gedurende drie congresdagen niet alleen ontwikkelingen in de parlementaire geschiedenis de revue, maar kwamen vanuit geleerde dan wel anekdotische, historische of meer sociologische gezichtspunten ook de sportverslaggeving, de literaire kritiek, de 'royalty', de opmars van de talkshow, het infotainment, de persfotografie en zelfs de betekenis van de ontbijttelevisie aan de orde, en werd ten slotte vooruitgekeken naar het nog ongewisse tijdperk van internet, de virtuele krant en de macht van de interactieve consument.

Een selectie uit al die gesproken bijdragen - papers, in congrestaal - is nu onder redactie van de organisatoren in druk verschenen: meer dan vijfhonderd pagina's neerslag van een levendige studiebijeenkomst.

Echt neerslag is misschien het woord niet. In zo'n boekuitgave mis je nou eenmaal het specifieke saamhorigheidszweet dat bij zo'n drukbezochte conferentie hoort, de altijd incoherente discussies en de roezige wandelgang ambiance, tot en met de lijflijke voordracht die van een op papier nogal ongeïnspireerde verhandeling toch nog iets aardigs en persoonlijks kan hebben gemaakt.

Vijfentwintig uit hun gezellige Balie-context gehaalde causerieën in één bundel - dat levert bovendien haast per definitie een allegaartje op, ook al hebben ze dat ene onderwerp gemeenschappelijk, en ook al hebben de samenstellers oprecht gestreefd naar 'een zekere eenheid in benadering en thematiek, die de redactie in staat zou moeten stellen een samenhangend geheel te creëren en de bijdragen beter op elkaar af te stemmen'.

Een indeling in vier 'secties' leek een ordenende oplossing. We krijgen achtereenvolgens zeven bijdragen te lezen onder het hoofdje 'journalistiek en politiek', zes in de categorie 'een eeuw schrijvende journalistiek', vijf in de afdeling 'vijftig jaar televisiejournalistiek', en nog eens zeven onder het motto 'perspectieven'.

Dat klinkt logisch, maar dan nog.

Samenhang blijft waarschijnlijk altijd een illusie als je te maken hebt met auteurs(sprekers), die niet alleen in stijl en analytisch vermogen nogal van verschillend niveau zijn, maar die ook vanuit onderscheiden disciplines werken.

De strikt pershistorische artikelen over de relaties van respectievelijk Colijn, Romme en Den Uyl met kranten die ze naar hun hand konden zetten of naar wier gunst ze uit welbegrepen politiek eigenbelang juist moesten hengelen, leveren heldere mini-monografie tjes op, die informatief licht laten schijnen niet alleen op vroege vormen van 'spin-dokterij', maar vooral ook op de kwetsbare positie van een onafhankelijke journalistiek.

Hun onderlinge samenhang wordt des te duidelijker, omdat ze bij elkaar ook de veranderde verhoudingen in de samenleving - dus in de opstelling van de journalist - markeren. Persgeschiedenis is tenslotte samenlevingsgeschiedenis.

Maar in de laatste paar decennia - in een interessant artikel van de Engelse hoogleraar James Curran wordt daar naar verwezen - verliest de persgeschiedenis ogenschijnlijk steeds meer terrein aan wat met een modieus woord 'media-studies' wordt genoemd: het bastaardkind van sociologie en communicatiewetenschap. De bijdragen op het terrein van de 'media-studies' zetten in de bundel niet de meeste zoden aan de dijk. Er worden ontzettend veel Engelse of Amerikaanse optel- en aftrek onderzoeken in geciteerd ('ze strompelen voort op voetnoten', zou Carmiggelt hebben gezegd), en men komt tot conclusies waarvan je het gevoel hebt dat ze morgen door nieuwe Engelse of Amerikaanse mediadeskundigen met geheel nieuwe onderzoeksresultaten zullen worden ontkracht.

Dat bevordert weinig samenhang.

De eindredacteuren hebben elke sectie ingeleid met zoiets als een leading article waarin het thema in algemene termen wordt aangestreken. Dat zijn over het algemeen zinnige en inderdaad ordenende stukken, al wil het ook daar wel eens uit de hand lopen. Huub Wijfjes bijvoorbeeld roept ter introductie van de 'stijlveranderingen in de politieke journalistiek' het postmodernisme uit tot een 'fundamentele, de hele cultuur betreffende verandering' en definieert vervolgens:

'Het centrale kenmerk van postmoderne cultuur is een vrijblijvend affectief-dynamisch wijgevoel' waarin 'het individu en zijn of haar drijfveren de kern vormen, en grote, individu-overstijgende waarden en principes zijn verdwenen of afgesleten.'

Daar zou ik nog wel eens een driedaagse conferentie aan de journalistieke bittertafel over willen beleggen.

Nou zijn zulke quasi-wijsgerige sweeping statements misschien wel onvermijdelijk als mediamedewerkers en wetenschappers met elkaar een boom opzetten over een eeuw journalistieke cultuur - zeker als ze zich op de drempel voelen van een volstrekt nieuw (en nogmaals ongewis) tijdperk.

Verzuiling, afhankelijkheid, ontzuiling en onafhankelijkheid, waakhondenfunctie, professionalisering en ten slotte commercialisering zijn, vanzelfsprekend, de steekwoorden in zo'n discours.

Wat dat laatste betreft is er sprake van in ieder geval één merkwaardig gemis. Ad van Liempt doet in een aardige en onpretentieuze bijdrage verslag van de wijze waarop het pas ingerichte Nederland 3 met pijn en moeite een dagelijkse actualiteitenrubriek (NOS Laat) wist binnen te smokkelen over de door de fossiele omroepverenigingen streng bewaakte grenzen van de heilige 'identiteit': lang nadat de kranten zich hadden vrijgemaakt van kerk en politieke partij, ijlde de verzuiling immers nog na in het reservaat van Hilversum. Nos Laat, later opgevolgd door Nova waaraan ook de VARA meedeed, was een kleine revolutie die ook de zenders 1 en 2 niet onberoerd kon laten (vandaar inmiddels Netwerk en 2 Vandaag), en die natuurlijk ook alles had te maken met de komst van de eerste commerciële omroep in 1989.

Die blijft in de bundel uiteraard niet ongenoemd (en het is raar dat Van Liempt doet alsof de commerciëlen nooit een eigen actualiteitenrubriek hebben kunnen ontwikkelen, terwijl er toch een veelbekeken rubriek als Barend & Van Dorp is, die nogal eens een politicus van Den Haag Vandaag afsnoept), maar noch op de conferentie, noch in de boekuitgave wordt in een afzonderlijke bijdrage ingegaan op de functie van het uitgeef- en omroepbedrijf, dus ook niet op de mate waarin de 'journalistieke cultuur' onderworpen blijft aan hetzij de willekeur, hetzij de winst- en verliesrekening, hetzij de kijkcijfers van de onderneming.

De recente bedrijfseconomische (bezuinigende) maatregelen bij PCM bewijzen dat commercialisering geen euvel is dat zich tot RTL, Yorin, SBS of Net 5 beperkt. Ook in de dagen dat Colijn avances maakte naar De Telegraaf - en De Telegraaf er belang bij had Colijn als een onontbeerlijke sterke man af te schilderen - leefde de journalistieke cultuur niet in een maatschappelijk vacuüm.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden