De economen weten het echt niet

Aangewakkerd door de banken- en eurocrisis, is de economische wetenschap zwaar onder vuur komen te liggen. Zo stelde in de Volkskrant van 30 november de hoogleraar klinische psychologie Jan Derksen voor om de komende vijf jaar geen Nobelprijs economie beschikbaar te stellen. Volgens hem hebben economen te weinig oog voor psychologische factoren en zijn zij te veel onderdeel geworden van politieke ideologieën. Hierdoor zijn hun beleidsadviezen vaak misleidend en zijn ze medeverantwoordelijk voor de huidige crises.


Ook uit eigen kring komt forse kritiek. Zo schreef Nobelprijswinnaar Paul Krugman in the New York Times van 20 september 2009 dat economen het spoor bijster zijn geraakt omdat zij hun wiskundige modellen als realiteit zijn gaan beschouwen. Soortgelijke kritiek viel ruim twintig jaar geleden al te beluisteren bij de vooraanstaande theoreticus Michio Morishima. Volgens hem produceren economen op grote schaal 'vliegtuigen zonder motoren' omdat ze te weinig kennis van en interesse hebben in de economische realiteit. Hij verliet de economische wetenschap en ging zich via sociologie, antropologie en geschiedenis verdiepen in de economie.


De kritiek van Morishima, Krugman en vele andere vooraanstaande economen betreft vooral de hoofdstroming, de neoklassieke economie. Die gaat uit van rationele consumenten en producenten die over perfecte informatie beschikken en hun nut, respectievelijk, winst maximaliseren. Uitgaande van deze extreme veronderstellingen is het gedrag van consumenten en producenten in hoge mate voorspelbaar en valt het met wiskundige optimaliseringsmodellen te beschrijven.


De neoklassieke veronderstellingen impliceren ook dat wanneer prijzen en lonen niet gehinderd worden om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen, de economie als totaliteit een hoog zelfregulerend vermogen heeft. In een dergelijke abstracte wereld is een beperkte rol weggelegd voor overheidsregulering; de overheid dient er vooral voor te zorgen dat de markt en het prijsmechanisme hun zegenrijke werk kunnen verrichten. Daarnaast dient de centrale bank de geldhoeveelheid in lijn met de groei van de economie te houden.


Het neoklassieke model werd al meer dan een halve eeuw geleden verworpen door Nobelprijswinnaar Simon en vervangen door een veel realistischer model waarin producenten en consumenten over beperkte informatie beschikken, beperkt rationeel zijn, met onzekerheid te maken hebben en met behulp van simpele zoek- en stopregels keuzes maken uit een beperkt menu, in plaats van winst of nut te maximeren. Ook vele andere veronderstellingen van het neoklassieke model zijn bekritiseerd en hebben plaats moeten maken voor meer realistische uitgangspunten, waarin psychologische en sociale factoren een cruciale rol spelen.


Dit heeft ertoe geleid dat naast de neoklassieke economie andere stromingen zijn ontstaan, vooral de gedragseconomie en de institutionele economie. De eerstgenoemde stroming houdt zich vooral bezig met de vraag in hoeverre consumenten en producenten daadwerkelijk rationele nuts- en winstmaximerende agenten zijn, terwijl de institutionele economie zich richt op de rol van instituties in de economie.


Ondanks deze ontwikkelingen spelen de rationele, nuts- en winstmaximerende agenten nog steeds de hoofdrol in de economische wetenschap. Het is deze dubbelzinnige wijze van wetenschapsbeoefening die de geloofwaardigheid en beleidsrelevantie van de economische wetenschap aantast. Enerzijds is het neoklassieke model volledig onderuit gehaald, anderzijds domineert het nog steeds, ondanks het feit dat er alternatieven voorhanden zijn die beter sporen met de economische realiteit.


De neoklassieke economie heeft veel recepten geleverd voor praktisch economisch beleid. Zo zijn marktwerking en deregulering op vele terreinen, onder andere in de financiële sector, in hoge mate gebaseerd op neoklassieke inzichten. Vanwege de theorie van zelfregulering is aan de schaduwwerking ervan minder aandacht besteed. Het accent ligt op de analyse van de voordelen van concurrentie en marktwerking en op de ontwikkeling van prikkels, zoals het bonussysteem, en veel minder op beperkte rationaliteit, gebreken van instituties, zoals in de financiële sector, en de gevolgen van onvoldoende regulering. Maar ook sociale en psychologische factoren die een cruciale rol spelen in de economie, krijgen weinig aandacht. Hierdoor is de neoklassieke theorie - en vanwege haar dominante positie de economische wetenschap als geheel - van beperkte betekenis bij de oplossing van de huidige financiële crises. Herstel van vertrouwen is hiervoor immers van cruciaal belang. Wat deze factor betreft, komt de neoklassieke economie echter niet veel verder dan de gemeenplaats dat vertrouwen te voet komt, maar te paard gaat. Grondige analyses van de aard, ontwikkeling en effecten ervan ontbreken.


In een reactie op Derksen in de Volkskrant van 6 december stelde Arnold Heertje terecht dat economen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor beroerd economisch beleid. Wat een grote, invloedrijke groep wel verweten kan worden, is dat zij te weinig gewaarschuwd heeft voor de beperkte beleidsrelevantie van hun modellen.


Verder doen zij er goed aan de neoklassieke economie af te zweren en de institutionele en gedragseconomie in rap tempo verder te ontwikkelen - onder andere door te rade te gaan bij de zusterwetenschappen geschiedenis, sociologie en psychologie - en deze empirisch te onderbouwen. Verder moeten beleidsmakers doordrongen zijn van de beperkte, en soms misleidende, betekenis van economische modellen en daarop gebaseerde adviezen.


De economische wetenschap heeft aan gezag ingeboet omdat veel beoefenaren niet te rade gaan bij de sociologie, de psychologie en de geschiedenis.


HENK FOLMER is hoogleraar methoden en technieken van ruimtelijk economisch onderzoek.