De duik van de Mir

Na ruim 85 duizend rondjes zal het Russische ruimtestation volgend maand naar de aarde terugkeren. Het grootste deel zal in de atmosfeer verbranden; stukken en brokken komen in de Stille Oceaan terecht....

BEGIN maart duikt het Russische ruimtestation Mir in de Stille Oceaan, ergens ten oosten van Nieuw-Zeeland. Dan komt er een einde aan het bestaan van ruimteobject 16609, het nummer dat het eerste onderdeel van de Mir van de Amerikaanse defensieautoriteiten heeft gekregen direct na de lancering in 1986. De Mir is in de loop der jaren uitgebreid met een tiental modules tot uiteindelijk een gevaarte van 130 ton.

Het ruimtestation heeft er 85.600 rondjes om de aarde op zitten. Er zijn meer dan 140 kosmonauten en astronauten uit elf landen aan boord geweest. Het ruimtestation moet naar beneden omdat Rusland financieel niet in staat is het in de lucht te houden. Daarvoor hebben de Russen in vier jaar tijd een miljard dollar gekregen van andere landen. In ruil daarvoor hebben buitenlandse astronauten aan boord van het station experimenten gedaan. Maar in juni 1999 droogde die bron op.

Vervolgens werd geprobeerd bedrijven te interesseren. Met privékapitaal, voornamelijk uit de VS, kon het leven van de Mir nog een jaartje worden gerekt. Maar eind vorig jaar viel het doek definitief, na lange discussies tussen enerzijds politici en anderzijds deskundigen uit de Russische ruimtevaartindustrie die tot in lengte van dagen wilden teren op eerdere ruimtevaartsuccessen.

Gehinderd door nostalgie konden ze geen afscheid nemen van hun paradepaard bij uitstek, een volledig ingericht laboratorim voor de bemande ruimtevaart, het enige terrein waar de Russen nog steeds een grote kennisvoorsprong hebben op andere landen. De bouw van het internationale ruimtestation ISS, waar Rusland eveneens aan meedoet, gaf de doorslag. Eén station onderhouden is nauwelijks op te brengen, laat staan twee.

De Mir zal begin maart richting aarde worden gedirigeerd, is eind vorig jaar besloten. In de aanloop daarnaartoe is vorige week een Progress-vrachtvoertuig aan de Mir gekoppeld. Die Progress M1-5, tot de nok toe gevuld met brandstof, zal straks dienen als aandrijfraket om het gevaarte verder in de atmosfeer te duwen. De Mir heeft geen symmetrische vorm en dat maakt voorspellende baanberekeningen gecompliceerd, zo niet onmogelijk.

Het ruimtestation draait op dit moment rondjes op een hoogte van ongeveer driehonderd kilometer. Daar ondervindt het wrijving van de ijle buitenste laag van de atmosfeer. Het station zakt daardoor een halve tot een hele kilometer per dag. Zonder ingrijpen zal die daling geleidelijk versnellen. Een complicerende factor is de verhoogde zonne-activiteit. Die maakt dat de wrijving groter is dan normaal, en moeilijk voorspelbaar.

Naar verwachting zal de Mir omstreeks 6 maart zijn gezakt tot een baanhoogte van 250 kilometer, met een foutenmarge van vijf dagen. In die laatste omloopbaan van de Mir zal de Progress-motor aan het werk worden gezet. Met een drietal korte pulsen zal de baanhoogte worden teruggebracht tot 220 kilometer. De motor zal vervolgens ergens boven Saudi-Arabië opnieuw worden ontstoken, voor vijftien tot twintig minuten.

Hierdoor wordt de Mir nog dieper in de aardse atmosfeer gedrukt. Op ongeveer 150 kilometer hoogte zullen de zonnepanelen afbreken, en andere uitstekende onderdelen zoals antennes. En de Mir zal flink gaan tollen. De echte destructie begint op honderd kilometer hoogte, verwacht prof. dr. Walter Flury, Europa's bekendste onderzoeker op het gebied van ruimtepuin.

De Mir zal in stukken uiteenvallen die vervolgens door de hitte grotendeels verdampen in de atmosfeer. Onderdelen die massief zijn, onder meer enkele koppelstukken tussen verschillende modules of delen van hoogsmeltend titaan, zullen echter maar ten dele verdampen, en mogelijk geheel intact blijven.

Tot voor kort ging men ervan uit dat er 10 tot 15 procent van een ruimtevaartuig, in de vorm van honderden brokstukken, groot en klein, op aarde terechtkomt. Uit radarwaarnemingen van het neerkomen van de Amerikaanse Compton-rontgensatelliet begin juni vorig jaar ten zuidenoosten van Hawaii blijkt dat die schatting veel te laag is.

'Het is zeker 30 procent', zegt Flury van het onderzoeksinstituut Esoc, onderdeel van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA in Darmstadt. Esoc verwacht dat brokstukken van de Mir, mits het station op het juiste moment gecontroleerd naar beneden wordt geduwd, in de Stille Oceaan ten oosten van Nieuw-Zeeland terecht zullen komen. Het betreft een gebied met een lengte van drieduizend kilometer, met een foutenmarge van enige duizenden kilometers. De breedte van het veld van ruimtepuin is honderd kilometer.

Het onderzoeksteam van Flury heeft veel ervaring met baanberekeningen van binnenkomende ruimtevaartobjecten. De Russen hebben daarom ESA begin januari officieel gevraagd om hand- en spandiensten bij het veilig terugbrengen van de Mir naar de aarde.

Flury acht het risico verwaarloosbaar klein dat er Mir-onderdelen op land terechtkomen. De Russen hebben grote ervaring met het veilig terugbrengen van ruimtevoertuigen naar de aarde.

Dat ligt echter geheel anders, zegt hij, als de Progress-motor op het laatste moment dienst weigert, of dat de impuls richting aarde op het verkeerde moment wordt gegeven.

De binnenkomst in de dampkring is dan ongecontroleerd, zegt Flury. In het verleden is dat een keer gebeurd. Het Russische ruimstation Saljoet-7, met een gewicht van veertig ton, kwam begin 1997 eveneens ongecontroleerd de dampkring binnen. Er zijn toen tientallen brokstukken in een dunbevolkt gebied in het Andesgebergte terechtgekomen, zonder gevolgen overigens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden