De dubbele tong van de dichter

IN HET DERDE Vestdijkjaarboek (zie Cicero van afgelopen vrijdag) spreekt Guillaume van der Graft, opnieuw geconfronteerd met besprekingen van zijn poëzie door Vestdijk, zijn bewonderende verwondering uit over Vestdijks diepzinnige interpretaties van zijn verzen, juist waar de betekenis aan het oppervlak ligt....

To make a prairie it takes a clover

And one bee,

One clover, and a bee,

And revery.

The revery alone will do

If bees are few.

Hier laat Vestdijk onmiddellijk op volgen: 'Dit volmaakte versje vervangt een verhandeling over het Kantianisme' Ter Braak, in zijn bspreking van Lier en lancet (waarin het essay over Dickinson staat) zag het uitroepteken als 'een bewijs van enthousiasme'. Zijn commentaar op de uitroep luidt: 'Dat kan nu wel zo zijn, maar er bestaat gevaar, dat men gaat denken, dat er door het hoofd van Emily Dickinson zo iets als een zeer sterk geconcentreerde Kritik der Reinen Vernunft is gegaan; dat ergo, de hele Kritik der Reinen Vernunft uit de zes regels van Emily Dickinson te voorschijn moet kunnen worden gehaald, als men maar lang genoeg 'vist'.'

Die bezwaren zijn reëel, al lijkt me 'vist' onjuist; een inzicht als door Vestdijk hier verwoord ontstaat veeleer in een flits (vandaar ook dat uitroepteken, denk ik). Er is voor Vestdijk geen andere mogelijkheid het gedicht te interpreteren dan met die verwijzing. Is de vergelijking juist? Zij is, zou ik willen zeggen, metaforisch waar: Kants werk als metafoor voor een gedichtje (en natuurlijk ook omgekeerd). De metafoor is in dit geval een schepping van de lezer. Vestdijk geeft nog enig bewonderend techisch commentaar op het gedichtje, maar het is duidelijk: zijn visie is zijn waardering! Dat is de eigenmachtigheid van de criticus. Emily Dickinson had een gelijke klacht als Guillaume van der Graft kunnen uiten. Maar ik denk dat men met een dergelijke lichte klacht het wezen van het lezen ontkent.

Als Vestdijk 'marxisme' had geschreven? Dan zou Ter Braak Vestdijk fantasterij hebben kunnen verwijten. De ontdekking van een als metafoor werkende verwijzing is echter niet te danken aan de verbeelding alleen; kennis is even belangrijk, zeer grote en grondige belezenheid dus. Kennis en verbeelding samen maken het mogelijk in een klein gedicht de grote filosofische wereld binnen te halen. Elke lezer haalt binnen, al is het maar binnen zijn gevoelswereld. Alleen de heel goede lezer laat een tekst andere teksten binnenhalen, uit het heelal van de literatuur.

H ET VALT te verdedigen: de literatuur als een gesloten heelal. Wie schrijft, schrijft per se in de taal van dat heelal, de taal van de literatuur dus. Op de spits gedreven: elk nieuw gedicht zit vol verwijzingen naar andere bestaande gedichten. Nog meer toegespitst: elk gedicht is een metafoor van een ander gedicht. Hoe groter de belezenheid van de dichter, hoe meer verwijzingen hij in het ene gedicht ziet. De grootste belezene is de hoofdbewoner van het heelal en hij is de grootste verbandenlegger. Ik dacht even dat in een boek met de titel The Full-Knowing Reader die denkbeeldige, bijna goddelijke lezer de hoofdfiguur was. Maar die 'full-knowing' lezer is voor de auteur, de Amerikaanse hoogleraar Joseph Pucci, een literair-theoretische gestalte, die in de loop van het boek een literair-praktische gestalte wordt en die is hijzelf. De ondertitel van de studie zegt nog iets meer over de inhoud: 'Allusion and the Power of the Reader in the Western Literary Tradition'. Het gaat dus om de allusie, de toespeling, de verwijzing in een literaire tekst naar een andere tekst, door volledig citeren en het geciteerde letterlijk opnemen in de eigen tekst, door gedeeltelijk citeren, door de toespeling met enkele woorden. Voor de geleerde auteur is niet zozeer het onderkennen van de allusie, maar vooral het interpreteren van de verwijzing binnen het geheel van de tekst de taak van de lezer. En de lezer met de grootste kennis (van beide werken: de lener en het geleende) is de beste interpretator. Wat de schrijver heeft aangereikt, schept de lezer, die de gestalte heeft van een hoogstaande inbreker, die zich van de autonomie van het gedicht niets aantrekt, van de intenties van de schrijver of dichter evenmin. Hij heeft of neemt de macht. Wat de tekst in zijn wetenschappelijk geordende verbeelding uitricht en oplevert - dat is de lezing van de tekst. Het spel van de intertekstualiteit wordt hier verlaten, het New Criticism, het Structuralisme en het Poststructuralisme worden na lange theoretische verklaringen met respect terzijde geschoven, al is de auteur eclectisch genoeg om verworvenheden van de richtingen te gebruiken, zoals de nadruk op het retorisch karakter van de literatuur gelegd door de poststructuralisten.

Aan de methodes in de benadering van het literaire werk door de genoemde richtingen toegepast, ligt uiteraard een visie op het literaire werk of de literatuur zelf ten grondslag. Pucci meent, dat de kracht en de uniekheid van de literatuur nergens beter zichtbaar wordt dan in de literaire allusie. En die kracht en uniekheid hebben niet zozeer met de aard, maar vooral met de uitwerking van de literatuur te maken, een scheiding die mij geforceerd aandoet. De lezer maakt de literatuur. En dat laat zich het best bewijzen in de behandeling van de allusie. Overigens: de full knowledge is toch maar betrekkelijk: 'Die correspondeert niet met complete kennis van alles dat de allusie kan betekenen, ook niet met een bevoorrecht, superieur lezen.' Het moment van de herkenning van de allusie lijkt het belangrijkste. Misschien moet ik hier denken aan de 'flits' die ik bij Vestdijk veronderstelde. In elk geval: de interpretatie van de uitwerking van de allusie het gevolg, is een voorlopige, de best mogelijke. En dat is geen opzienbarende visie.

D E ALLUSIE moet herkend worden wil ze uitwerking hebben. Of zij daardoor alleen maar lezersgericht is, betwijfel ik. De vergelijking met retorische kunstgrepen gaat daarom niet op, als men zich tot de klassieke retorica in strikte zin beperkt, wat de auteur toch sterk doet. Veralgemeent men het begrip, dan komt men terecht bij algemene kenmerken van alle literatuur of die nu vol allusies zit of niet. Geen gedicht zonder retorische kunstgrepen; de lezer zou het gedicht niet alleen niet als gedicht herkennen, maar ook niet weten hoe te reageren. Dat is bekend. Misschien is dit het merkwaardigste aan Pucci's studie: in zijn behandeling van het begrip allusie laten zich door de lezer, of hij nu full-known is of niet, algemene opvattingen over literatuur ontdekken. Hij lijkt soms moeilijk te doen over wat bekend is. In ieder geval: of de hele literatuur is een verzameling allusies, wat ik geloof, of de allusie is een zeer speciaal kenmerk van bepaalde literaire teksten, teksten uit een samengestelde cultuur bijvoorbeeld.

Wat de auteur schrijft over de aanwezigheid en het bewustzijn van de allusie in het vroege christendom, is misschien wel - met zijn onderzoek van enkele teksten uit de Confessiones van Augustinus - het beste uit het boek. Dat vroege christendom had een tweeledige cultuur: die waarin het zich manifesteerde, de klassieke, en waarin het geloofde, die van de openbaring middels de bijbel. Maar die bijbel zelf bestond uit twee delen: het joodse - het oude testament - en het christelijke - het nieuwe. Een tweeledig boek. De oplossing om dat boek tot een eenheid te lezen, is de geniale visie dat het nieuwe al in het oude geschreven was. Geen boek met meer allusies dan het oude testament; maar ook het nieuwe kende ontelbare allusies op het oude. Dat vroeg wat van de lezers aan kennis, interpretatiekunde, geduld vooral. Maar dit is waarschijnlijk het belangrijkste: wie de allusies verstond, verstond God, diens boodschap en die was lezer-gericht! Die lezer of toehoorder maakte heel wat gebroken leek. Lezen, ook in andere betekenis (bij Augustinus) is een vorm van heling.

Ook de Romeinse cultuur was een tweeledige, want Grieks-Romeins van karakter. Volgens de auteur kende de oudheid geen woord voor 'allusie'. Maar er is genoeg eigenzinnig geleend om de aanwezigheid van de allusie te veronderstellen. Niet alleen geleend, maar ook vooral verwerkt en in de wijze van verwerking laat zich het nieuwe werk kennen, maar ook het oude verstaan, althans de visie op het oude. Een heel hoofdstuk handelt over Catullus en diens Griekse voorbeelden. Ik acht me niet tot een oordeel competent. Schitterend is het hoofdstuk over Augustinus en Horatius. In de behandeling leert men niet alleen beiden heel goed kennen, maar de interpretatie van de opname van allusies op Horatius in enkele passages van de Confessiones maakt de kern van het boek en van Augustinus dualisme kenbaar. Hij leende, zeer bewust en met een visie uiteraard, maar alleen de auteur kan laten zien hoever de consequenties gingen voor zijn tekst: het 'leenwoord' heeft effect op de hele betekenis van de tekst. Superieur.

Hoe vrij is de full-knowing lezer? Van de vermaningen van Augustinus tegen het verkeerd lezen had, dunkt mij, de auteur zich soms wel iets mogen aantrekken. Wat hij over enkele begrippen in de Historia Calamitatum van Abélard schrijft, kan zijn belezenheid demonstreren. Maar het toont ook aan, hoe gemakkelijk een allusie kan worden ontdekt en met de interpretatie daarvan een tekst geweld wordt aangedaan. Bij sommige teksten wordt een allusie een illusie: de tekst kan het gewicht van de eraan toegedachte toespeling niet verdragen. Ik moest denken aan een opstel uit het boekje The Business of Criticism van Helen Gardner. Zij keert zich tegen een bijbelexegeet, die op grond van een allusie - gelijkheid van woorden in dit geval - het Marcus-evangelie gemodelleerd zag naar het Jozef-verhaal uit Genesis. Zij toonde aan dat de aard van de tekst van dat evangelie een dergelijke interpretatie niet verdraagt. Een lezer mag niet intelligenter zijn dan een tekst, zeker een full-knowing lezer niet!

W AT PUCCI OVER Dante en Ovidius schrijft, is wel overtuigend. Dat uit de literatuur van deze eeuw de Cantos van Pound centraal staan, was te verwachten. Die zijn op zich het bewijs niet van de dubbelheid, maar van de nauwelijks overzienbare meervoudigheid van onze cultuur. Ik meen dat het punt bereikt wordt dat de allusie geen allusie meer is: alles wat geschreven is maakt deel uit van de teksten van de schrijver. Allusie lijkt een historisch begrip geworden; de ontlening kent geen verdekt karakter meer, geen integrale opname ook. Alles staat openlijk bij elkaar. Ik denk dat de poëzie van Eliot (enkele regels van hem komen uitvoerig in het theoretisch gedeelte ter sprake) beter demonstratiemateriaal was geweest. Voor de Nederlandse lezer de poëzie van Christine D'haen. Dit is natuurlijk het allermooiste van de allusie: het geleende fragment krijgt er door zijn verwerking in een andere tekst betekenis bij of misschien wel een heel nieuwe. De allusie werkt als de metafoor: naar twee kanten. En de vergelijking met de metafoor gaat ook hiervoor op: de tweezijdige werking is alleen door de beste lezer te zien. Als men alle literatuur als een eenheid ziet, geven de delen ervan ook voortdurend elkaar betekenis. Elk vers is een allusie van of op talloze andere gedichten. Ik moet bekennen door de studie van Pucci sterk tot bijgedachten te zijn gestimuleerd. En dat kan de kwaliteit van de studie uitmaken. Het boek heeft door ontelbare allusies die ik erin ontdekte op mij een grote uitwerking gehad. Het boek zelf is het enige bewijs van de waarheid van zijn inhoud. De studie was oorspronkelijk een dissertatie. En dat is te merken, niet alleen door de soms vermoeiend geleerde manier van schrijven, maar ook door de herhalingen die een angst verkeerd verstaan te worden verraden. Een curieuze angst voor een auteur over een dergelijk onderwerp.

Joseph Pucci, The Full-Knowing Reader, Allusion and the Power of the Reader in the Western Literary Tradition, Yale University Press, New Haven/London, prijs * 93.50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden