Reportageic Amsterdam UMC

De druk op de intensive care neemt toe: ‘Nul plekken. We zitten vol’

Het Amsterdam UMC.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Een korte zomer lang waren de ‘normale’ patiënten terug op de ic, maar nu stroomt het Amsterdam UMC weer vol met covidpatiënten. Maud Effting loopt twee dagen mee op de ic en voelt de spanning bij intensivisten en verpleegkundigen oplopen.

Het is 8.49 uur in de ochtend als intensivist Alexander Vlaar van het Amsterdam UMC achter zijn computer naar de lijst met de patiënten op zijn afdeling kijkt. In zijn doktersjas draagt hij twee mobiele telefoons en een pieper. Vandaag is hij de arts die op alle noodsituaties moet reageren.

Rrrring.

Zijn pieper. ‘Alexander Vlaar, intensive care’, zegt hij.

Aan de andere kant van de lijn vraagt de ROAZ, het regionale netwerk voor de acute zorg, hoeveel plekken hij over heeft voor covidpatiënten uit andere ziekenhuizen. Kan er iemand naar hem worden overgeplaatst?

‘Nul plekken’, zegt Vlaar. ‘We zitten vol.’

Hij heeft genoeg bedden en beademingsapparatuur – daar ligt het niet aan. Maar hij heeft simpelweg niet genoeg verpleegkundigen om meer zorg op de ic te kunnen leveren. Het is het grootste probleem van zijn ziekenhuis op dit moment, deze tekorten. Er zijn niet zomaar extra verpleegkundigen te vinden en het duurt lang voordat er meer zijn opgeleid.

‘We werken altijd al met dit krapte­model’, vertelt hij. ‘We waren net bezig om de verpleegkundigen te bedanken voor de vorige golf, toen dit zich aankondigde. Dus dat bedanken kon niet eens doorgaan.’

Een zomer lang waren de ‘normale’ patiënten weer terug op de ic van het Amsterdam UMC, locatie AMC: ernstige verkeersongelukken, verlammingen, hersenbloedingen, hartoperaties. Maar nu is er geen ontkomen meer aan. Dit is de tweede golf. Hierbinnen wordt er weer aan corona gestorven.

En nu is vanochtend ook nog één van de intensivisten ziek geworden. Hij belt haar. ‘No pressure hier hoor’, zegt hij. ‘Maar hoe ziek ben je? Ben je ziek-ziek? Of ga je voor een test?’

‘Oh’, zegt hij even later. ‘Ze heeft koorts.’

Even later loopt hij langs de artsen­kamer, waar twee vrouwelijke artsen in opleiding achter een computer zitten. ‘Dit is mijn eerste dag hier’, zegt de een. Ook de ander is net begonnen.

Intensivist Sander van der Sluijs op de ic.Beeld Elmer Bets

De reanimatie

Intensivist Sander van der Sluijs beent met grote passen over de gangen van de intensive care van het Amsterdam UMC. Hij is een rustige arts met donkere ogen in een vriendelijk gezicht. Altijd kalm, ook tijdens deze tweede coronagolf. Maar nu even niet.

‘Dit ga ik dus niet meemaken’, zegt hij, tegen een aantal verpleegkundigen. ‘Dat ouders hun eigen kind niet mogen zien sterven. Ik heb hier ongelooflijk veel moeite mee.’

Zojuist heeft hij een telefoongesprek gevoerd met de familie van een vrouwelijke patiënt die onlangs op de intensive care is binnengebracht. Hij heeft hen verteld dat hij de behandeling gaat staken. De vrouw is niet meer te redden. Het coronavirus heeft te veel verwoest.

In een geïsoleerde kamer op de ic ligt de patiënte op haar buik. Ze ligt doodstil. In haar mond zit een beademingsbuis.

Maar van der Sluijs heeft een probleem.

Zijn patiënte is een paar dagen geleden gereanimeerd door haar ouders. Volkomen onverwachts zakte ze in elkaar. Haar familie beademde haar, gaf haar hartmassage totdat de ambulance kwam. Maar daarom moeten ze nu in quarantaine blijven; volgens de regels mogen ze het ziekenhuis niet in.

De intensivist is aangedaan. Dit is niet wat hij wil in zijn werk.

‘Ik weet zeker dat we dit tijdens de eerste golf ook gedaan hebben’, zegt hij ­tegen verpleegkundige Lisanne van Kooten. ‘Ik stel me altijd voor hoe het zou zijn als het over mijn eigen kind zou gaan. Dan hadden ze vijftien paarden ­nodig gehad om me tegen te houden.’

Maar hoe krijgen ze haar familie langs de beveiliging van het ziekenhuis? Moeten ze hen dan laten liegen? Dat willen ze niet.

Ondertussen kijken ze op de monitor naar de waarden van de vrouw. Haar organen zijn het langzaam aan het begeven. Ze heeft nog maar 79 procent zuurstof in haar bloed. ‘We mogen wel opschieten’, zegt Van Kooten bezorgd. ‘Anders heb ik straks geen bloeddruk meer.’

‘Waarom bellen we de medische directie niet?’, oppert iemand.

‘En als ze nee zeggen?’, vraagt een ander.

Van der Sluijs lacht. Zijn blik is vastberaden. ‘Dan ga ik de medische directie vragen om zèlf met haar ouders te praten’, zegt hij.

En weg is de arts.

Hoofdverpleegkundige Susanne Heijmenberg aan de telefoon.Beeld Elmer Bets

De verpleegkundigen

Het aantal opgenomen patiënten in het ziekenhuis lijkt tot nu toe relatief klein, en nog niet op het niveau van tijdens de eerste golf. Maar toch is de spanning voelbaar. Wie rondloopt op de intensive care van Amsterdam UMC ziet de druk per dag oplopen. Dat komt doordat de rest van de zorg zoveel mogelijk door blijft gaan. De covidpatiënten, die veel zorg vragen, komen er daarom bovenop.

Wekenlang werd er geroepen dat de reguliere zorg niet mocht afschalen. Pas op het laatst werd besloten dat het tóch moest gebeuren. Maar wie heeft dat ­eigenlijk al gedaan? Welke specialisme zegt als eerste: bij mij kunnen er wel wat minder patiënten komen? En welke afdeling staat zijn verpleegkundigen af? De antwoorden zijn er nog niet. Het zijn de gevoelige afwegingen die moeten worden gemaakt in dit academische ziekenhuis.

Op haar kamer in het hart van intensive care zit hoofdverpleegkundige ­Susanne Heijmenberg in een online-Teams-meeting met een paar collega’s. Het gaat over plannen om de ic draaiende te kunnen houden. Heijmenberg houdt van het puzzelen. Van bellen en praten met iedereen in dit ziekenhuis totdat uiteindelijk altijd alles hier weer wordt opgelost. ‘We hebben een hoog­leraar gynaecologie gehad die hier de pauzes stond in te delen’, zegt ze.

‘Ik hoop dat chirurgie kan afschalen’, zegt haar collega. ‘Anders moeten we nog een keer op kindergeneeskunde duwen.’

‘Susanne’, zegt de collega aan het eind. ‘Kun jij ook uit de voeten met mensen die helemáál geen ic-opleiding hebben gehad?’

Heijmenberg zwijgt even. Maar dan herpakt ze zich. ‘Als het moet’, zegt ze, ‘dan doen we het.’ Ze lacht. Ze is bezig met een programma om verpleegkundigen te kunnen ondersteunen op de ic.

Vanochtend is er een ic-verpleegkundige van haar team positief getest op ­covid. Die is ze dus voor langere tijd kwijt. ‘Inmiddels zijn er nóg twee aan het testen’, vertelt ze. ‘En twee dagen geleden zei iemand in het team: ik weet het niet zo goed. Die zit dus ook thuis. Er is geen grijs. Klachten betekent: thuisblijven en testen.’

Verpleegkundige ­Ronald Visser.Beeld Elmer Bets

Ook bij de verpleegafdeling drie verdiepingen hoger hebben ze hiermee te maken. ‘Er zijn net twee collega’s onwel geworden’, zegt verpleegkundige ­Ronald Visser tegen haar. Zijn covid-eenheid ligt inmiddels vol. ‘Ze moeten zolang in die pakken werken en de verwarming staat te hoog. De één ging bijna onderuit, de ander zag lijkbleek.’

Heijmenberg: ‘Iedereen zit aan zijn taks.’

Visser: ‘Mensen zijn er gewoon klaar mee. Ik slaap er slecht van.’

Visser vertelt hoe een paar collega’s tijdens de eerst golf patiënten voor hun ogen hebben zien overlijden aan ademnood. ‘Dat is traumatisch geweest’, zegt hij.

Zelf raakte hoofdverpleegkundige Heijmenberg tijdens het begin van de eerste golf besmet. ‘Ik kreeg ineens pijn in mijn rug. En daarna een enorme pijn in mijn longen, en een hoge hartslag. Toen ik positief bleek, zei mijn zoon van 15: je gaat toch niet dood? Eigenlijk heb ik niemand verteld over de paniek die ik toen heb gevoeld. Ik was bang om benauwd te worden, om de controle te verliezen.

‘In het begin dacht ik: laat ik het maar gehad hebben. Ik deed stoer tegenover collega’s. Als zorgverleners geloof je gewoon niet dat je zelf ook ziek kunt worden. Ik ken veel collega’s die nog steeds niet terug zijn. Achteraf ben ik boos op mezelf geweest. Ik heb het onderschat. Als ik filmpjes uit die tijd bekijk, kan ik mezelf bijna niet zien. Zo slecht zag ik eruit.’

De familie

Intensivist Van der Sluijs steekt zijn hoofd om de hoek van de verpleegkundigenkamer. ‘De medische directie is akkoord’, zegt hij. De ouders van de stervende patiënte mogen komen.

‘Ik bel de beveiliging’, zegt Van Kooten meteen. ‘En ik vang ze beneden op.’

Van Kooten is een verpleegkundige met een groot hart. Het pakje sesamcrackers dat ze wilde eten, staat onaangeroerd op tafel. ‘Vorig jaar heb ik mijn vader verloren’, vertelt ze. ‘Als ik die familie zie, weet ik precies wat ze doormaken.’

En daar gaat het covidpak weer aan. ‘Even de ‘nor’ ophogen’, zegt ze – de noradrenaline. In de geïsoleerde kamer draait ze aan de knoppen. Haar patiënte moet blijven leven tot de familie er is.

Op de parkeerplaats

De unitmanager klopt op de deur van hoofdverpleegkundige Susanne Heijmenberg. Hij is gebeld dat er een patiënt aankomt voor de ic. Maar er is geen bed. Althans: er is geen personeel.

‘Er gaat iemand overlijden op unit 2’, zegt hij. ‘Maar daardoor hebben we nog niet zomaar een bed vrij.’

‘Dus je loopt vast’, constateert Heijmenberg.

Meteen daarna krijgt de unitmanager weer een telefoontje. De twee ‘capu’s’, de net geopereerde hartpatiënten, komen eerder dan verwacht. Plus nog twee spoedpatiënten.

Met de telefoon aan zijn oor snelt hij over de afdeling. Uit alle macht probeert hij personeel te regelen, terwijl hij weet dat op hetzelfde moment op de parkeerplaats een verpleegkundige zit te wachten op de uitslag van haar test. Ze mag pas naar binnen als die negatief is, maar ze hoort maar niets. Hij rolt met zijn ogen.

Opnieuw krijgt hij een telefoontje. De kinder-ic. Of ze twee oudere kinderen van hen over willen nemen, want ze redden het daar niet. Stoïcijns beantwoordt de unitmanager al zijn telefoontjes, maar zijn zinnen worden steeds korter. De kinderen moet hij weigeren. Hij kijkt bedrukt.

‘We lopen over’, zegt Heijmenberg. Ze weet al wat er komen gaat. Ze hebben de beslissing zolang mogelijk voor zich uitgeduwd, maar het is duidelijk. Dit betekent dat een deel van de ic over moet naar een volledige covid-eenheid, want dat kost minder personeel.

Het betekent ook dat haar ic-verpleegkundigen weer urenlang in hete pakken moeten rondlopen, zonder pauzes, zonder plassen, zonder eten. Het betekent dat ze teruggaan naar de eerste golf. Daar gaan we weer, zal een van de verpleegkundigen later verzuchten.

Heijmenberg overlegt met intensivist Alexander Vlaar. Hij weet het ook. ‘Morgenochtend’, zegt hij. ‘Dan gaan we over.’

Intensivist Alexander Vlaar (links) samen met verpleegkundige Ellen Schipper.Beeld Elmer Bets

Een lichtpuntje

Intensivist Alexander Vlaar heeft ­patiënten gehad in de eerste golf die veel indruk op hem hebben gemaakt. Zo herinnert hij zich de patiënt die beter werd en eindelijk van de beademing af kon. Maar vlak nadat hij de beademingsapparatuur had verwijderd en de patiënt wakker werd, moest Vlaar hem vertellen dat zijn partner was overleden.

‘De uitvaart was een paar uur ­later’, zegt hij.

Wat hij doet om dit soort dingen te verwerken?

Vlaar haalt zijn schouders op. ‘Rondjes hardlopen’, zegt hij. ‘We hebben wel psychologen hier, maar als artsen hebben we helaas altijd het gevoel dat we die zelf niet nodig hebben. Er is altijd wel een reden om door te gaan.’

En dus maken ze zich weer op voor een nieuwe ronde intubaties van ernstig benauwde patiënten.

‘Iedereen denkt dat wij nu ineens door covid heel ingewikkelde beslissingen moeten nemen over patiënten’, zegt Vlaar. ‘Over de vraag of ze wel of niet naar de ic mogen. Maar dat doen wij altíjd. Dat is ons dagelijks werk. Wij moeten altijd de keuze maken of het nog zinnig is om iemand te beademen. En daarbij ­nemen we ook de leeftijd mee. Dat is medisch goed handelen. Dat is niet door covid ontstaan.’

Door een raampje tuurt de boomlange intensivist Dave Dongelmans kalm naar de patiënt die hij zo aan de beademing gaat leggen. ‘Ik heb geen zin in deze tweede golf’, zegt hij. Maar dat gevoel zet hij meteen opzij als hij een patiënt voor zich heeft.

Achter het raam ligt een man van niet-westerse afkomst op het bed. Hij hijgt. Zijn handen plukken onrustig aan zijn deken. Zijn blik schiet alle kanten op. Hij weet dat de kans bestaat dat hij nooit meer wakker zal worden. Wie in zijn ogen kijkt, ziet angst. Hij hoest een ijzingwekkend klinkende hoest.

Vanmiddag kwam hij binnen op de Spoedeisende Hulp en bleek zijn toestand zo slecht dat hij meteen doormoest naar de intensive care. De uitslagen van de coronatest zijn nog niet eens binnen.

Wat kan hij doen in die laatste paar minuten? Hij pakt zijn telefoon en begint te scrollen. Hij kijkt naar foto’s van zijn kinderen. Hij verstuurt appjes naar zijn familie. Geduldig wachtend staan de artsen en verpleegkundigen aan zijn bed. Dan belt hij voor een laatste keer, in het Arabisch.

Een paar meter verder staat een crashcar klaar – met alles wat nodig is voor een calamiteit.

Dan gaat het snel. De man krijgt een slaapmiddel en even later schuift de intensivist met een draai de beademingsbuis langs zijn stembanden de luchtpijp in. Het gezicht van de man heeft geen uitdrukking meer als intensivist Dongelmans naar buiten loopt.

Tijdens de eerste golf zou zijn toekomst zeer ongewis zijn geweest. Nu zijn de artsen optimistischer.

Intensivisten beschrijven hoe ze tijdens de eerste golf probeerden om covid te begrijpen. De eerste tijd konden ze niet veel meer doen dan méér zuurstof geven. ‘Daarna was het: fingers crossed en hopen dat het beter zou gaan’, zegt Anne van der Spek, arts in opleiding tot internist.

Nu staan artsen minder vaak met hun rug tegen de muur. Zo geven ze nu standaard dexamethason aan elke patiënt, zegt intensivist Vlaar. ‘Dat middel onderdrukt de afweer. Bij veel virussen zorgt dat voor een slechtere uitkomst, daarom hebben we hier veel discussie over gehad, maar bij de ziekste covidpatiënten lijkt het de overlevingskansen juist te vergroten, omdat hun afweer op hol is geslagen.’ Virusremmer Remdesivir heeft volgens hem alleen effect op de ligduur van de minder ernstige patiënten, en niet op de overleving.

Toch willen de artsen nog meer weten. Wie wordt er ernstig ziek, wie niet en waarom? Zo merken ze dat zich relatief veel mensen van niet-westerse afkomst onder hun patiënten lijken te bevinden.

‘Dat is onze indruk’, zegt Vlaar.

‘Het valt echt op’, zegt Van der Sluijs.

‘Maar eigenlijk weten we het niet helemaal zeker, want de afkomst van de patiënt houden we niet bij’, zegt Dongelmans. ‘Net zoals de sociaal-economische status.’

Dongelmans is voorzitter van de stichting Nice, die de statistieken over de intensive cares bijhoudt. Hij is in overleg met het ministerie van VWS en het RIVM over het samenbrengen van dergelijke gegevens. ‘Als je de ziekte beter wil begrijpen, dan wil je gewoon weten: is wonen in de Bijlmer een risicofactor of niet? Als dat zo is, dan moeten we daar iets mee. Dat gaat over ongelijkheid in onze samenleving.’

Het afscheid

Op de gang van de intensive care ­lopen de familieleden met chirurgische mondmaskers naar hun doodzieke echtgenote, dochter en zus.

Even later staan ze ingepakt rondom haar bed, terwijl intensivist Sander van der Sluijs de beademing stopzet en hen vervolgens even alleen laat met hun geliefde. Ze zijn dankbaar dat hij hen de kans heeft gegeven om erbij te zijn.

Liefdevol leggen de familieleden hun hand op haar hoofd. Ze houden haar hand vast.

Het duurt een paar minuten.

In de verpleegkundigenkamer is op de monitor te zien hoe alles in het lichaam het zonder ondersteuning begeeft. Haar bloeddruk gaat omlaag, de zuurstof daalt, het hart houdt ermee op. Uiteindelijk zijn er op de monitor alleen nog maar vlakke lijnen te zien.

Het is intensivist Van der Sluijs die om 16.47 uur de mededeling doet. ‘Het is afgelopen’, zegt hij zacht.

Lees ook:

De tweede golf overspoelt Europa. Hoe slecht staat Nederland ervoor?
Op alle internationale coronakaartjes kleurt Nederland rood, zeker in vergelijking met buurland Duitsland. Steeds meer landen zien voorlopig liever geen Nederlandse toeristen, en als ze al welkom zijn dan alleen met een negatief testresultaat. Maar doet Nederland het echt zo slecht in vergelijking met de andere Europese landen?

Vijf zorgverleners over die ene coronapatiënt: ‘Ik heb staan huilen achter mijn masker’
Vijf zorgverleners vertellen over die ene coronapatiënt die zoveel indruk op ze heeft gemaakt dat ze er iets van hebben geleerd. Een voorpublicatie uit de uitgebreide editie van het boek Die ene patiënt dat eind deze maand verschijnt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden