De dronkaard en de Merel

Het is heel stil in de binnenstad van deze grote stad. Behalve een enkele man, die dronken is, is er niemand....

PETER BEKKERS

Het is zo stil, een speld die valt is te horen. Er lopen geen mensen in de winkelstraten en er zijn geen auto's op de wegen. Het is namelijk nog nacht. Pas over een uur is het ochtend. Maar aan de rand van de stad, waar de snelwegen, de vliegvelden en de havens zijn met hun eeuwig verlichte laad- en losterreinen, daar staat het leven nooit eens even stil. Door schreeuwende mannen volgeladen vrachtwagens gaan midden in de nacht op weg naar Italie of Spanje met vruchten, electronische apparatuur en grote machines. Andere vrachtwagens komen midden in de nacht terug met andere machines en exotischer vruchten (zoals mango's en ananassen). En wee het gebeente van een man die een mango of een ananas durft op te eten, eentje maar. Hij wordt midden in de nacht op staande voet ontslagen door zijn voorman. De volgende ploeg wisselt de vorige af en het lijkt alsof de heftrucks nooit stilstaan, zo moe en vuil en afgebeuld zien ze eruit.

Daar landt een vliegtuig uit het verre Amerika vol vracht. Dit vliegtuig heeft zo zachtjes mogelijk gevlogen zodat de stad niet wakker werd terwijl hij er boven was. De motoren deden hun werk op fluistertoon.

Daar glijdt een schip de haven in. Het is een heel groot schip, een mammoettanker vol met olie. Je kunt er misschien wel drie of meer voetbalwedstrijden tegelijk op laten spelen. Om bij het binnenkomen in de haven niet de slapende stad te rammen, heeft de kapitein de motoren al ter hoogte van Zuid-Frankrijk afgezet. Het grote schip raakt de kade daardoor zo zacht, dat een ei, aangeraakt met dezelfde voorzichtigheid, niet zou breken.

Een veel kleiner schip wordt gelost. Kranen, bijgelicht door schijnwerpers, tillen pallets vol met diepgevroren voedsel uit het ruim en plaatsen ze op klaarstaande vrachtwagens. Zodra de wagens volgeladen zijn beginnen ze te rijden in de richting van de stad, met honderden tegelijk. Straks zal het daar wemelen van vrachtwagens, maar nu is het nog stil. De supermarkten en de kantoren zijn nog donker, de parken zijn nog dicht, de markten zijn nog niet opgebouwd, de fonteinen zijn nog niet begonnen te spuiten (ze spoken rond op de bodem van hun bassins). Een vallende speld is te horen, zoals gezegd, terwijl de dronken man op zijn tenen door de stad loopt.

Er is in de stad niets anders te horen dan het zingen van een vogel in een boom naast een weg. Wat zingt hij mooi en luid, hij lijkt wel een zeer ambitieuze en energieke (en gezette) operazanger. In zijn eentje verzorgt hij de muziek voor de hele stad. De dronken man staat stil naast de boom en kijkt omhoog en begint een praatje met de vogel. Hij zegt: vogeltje, wat zing je toch mooi. Hoe kun je dat toch, met je kleine lijfje en je smalle schoudertjes? Vertel me eens, waar gaat jouw prachtige lied dan over? Ik kan aan de melodie wel horen dat het een weemoedig lied is, net of je heel verdrietig bent en zingt voor allen die verdrietig zijn op deze harde en liefdeloze wereld, zoals ik. Ik zal je eens vertellen, klein vogeltje, wat mij allemaal is overkomen, maar eerst moet ik er maar eens bij gaan zitten want ik ben moe en kan niet meer op mijn benen staan.

En juist als de man op de grond zit met zijn rug tegen de boom en aan de luidkeels zingende vogel wil gaan vertellen wat er allemaal is gebeurd met hem, vandaag, en gisteren, en vorig jaar, en alle jaren daarvoor, ja vanaf zijn geboorte, komen de vrachtwagens met donderend geweld de stad in. En de vogel, die een Merel is, schrikt en vliegt weg.

Peter Bekkers

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden