De drang om te klimmen

Klimmen is de mens eigen. 'Zet iemand neer naast een heuvel er hij wil erop.' Nederland telt nu bijna dertigduizend indoorklimmers: zij herkennen zich niet in de romantiek van het alpinisme in de vrije natuur....

TOINE HEIJMANS

Een zurige zweetlucht vult de Klimhal Amsterdam. Als reptielen kleven de klimmers aan de muur, langs de gekleurde kunststof grepen die de route vormen. Soms valt er een uit de wand. Bungelend aan een touw overziet hij waar het misging, de rechterhand losjes in het zakje magnesium dat aan zijn gordel hangt. Dan spannen de spieren zich weer en strekken de armen zich naar het eind van de route, eenentwintig meter boven de grond.

Amper drie weken is het merkwaardige, trapeziumvormige gebouw open en de 'klimmers hangen nu al elke dag met hun benen buiten', constateert directeur J. van Hassel. Wie 'de route in wil' - zo heet dat in jargon - moet wachten tot er een touw vrij is. De Klimhal Amsterdam is de grootste van Europa. Tweeduizend vierkante meter klimwand. De gemakkelijke routes gaan loodrecht omhoog, de moeilijkste hangen ver over.

De directeur overziet het kleurige volkje op de vloer. Ze pronken met hun strakke Gentic klimbroeken, hun Five Ten wrijvingsschoenen, lange haren, nauwsluitende hempjes en gespierde lichamen. Hier en daar bungelt een overbodig setje carabiners, ten teken dat de klimmer ook wel eens echte bergen bestijgt. Een meisje rijdt op inline skates de hal binnen. 'Kijk, dat bedoel ik nou', zegt van Hassel, 'veel dure spullen, maar ze nemen wel zelf hun boterham met pindakaas mee.'

Het heeft hem er niet van weerhouden de hal te openen. Ongeveer anderhalf miljoen heeft het bouwwerk gekost - al wil hij het exacte bedrag niet noemen. Voor de iets kleinere, zilverkleurige hal in Nieuwegein zou 1,1 miljoen zijn neergeteld. Er is een markt, zegt Van Hassel, een grote markt. Hij is de eerste die als zakenman brood ziet in het indoor-klimmen; de andere vijftien hallen worden geëxploiteerd door fanatieke klimmers die van hun hobby een beroep hebben gemaakt. Aan zestien hallen heeft Nederland niet genoeg. Ook in Nijmegen, Arnhem, Heerlen, Bussum, Geleen en Groningen staan klimhallen in de steigers. 'Voor het eind van dit jaar zijn er vijfentwintig open', voorspelt de directeur.

Talloos zijn ook de klimmuurtjes -en wanden die verschijnen bij scholen, bungalowparken, jongerencentra, dagverblijven, sporthallen en opvangtehuizen. Zelfs het Sprookjesslot van de Efteling heeft een kunstwand. Gemeenten die hun zwembad moeten sluiten vinden vaak zonder problemen een exploitant die er een klimhal van maakt.

'Het indoor sportklimmen neemt zo'n grote vlucht dat het soms wat beangstigend is', zegt D. van Vegchelen van de Nederlandse Klim- en Bergsportbond (NKBB). 'Niet dat het een gevaarlijke sport is, maar veiligheid blijft belangrijk.' De Bond schrok zelf van het aantal indoorklimmers in Nederland. Bijna dertigduizend, bleek uit een 'marktverkenning', en dat getal groeit met de dag. Een derde daarvan is niet aangesloten bij een bergsportvereniging. Ze herkennen zich niet meer in de romantiek van het alpinisme. 'Die mensen hebben geen aspiratie meer om buiten, in de vrije natuur te klimmen', zegt Van Vegchelen. 'Binnen is het altijd droog en warm. Een hal is altijd dichtbij. Dit gaat de buitensporten overtreffen.'

Ad van der Horst zucht. Hij, de pionier van het Nederlandse rotsklimmen, begrijpt de jeugd niet. 'Veertig procent van de klimmers heeft nog nooit een rots gezien. Ze weten niet hoe het voelt, de zon op je borst. De regen die langs de wanden druipt.'

In zijn tijd, begin jaren tachtig, was klimmen geen sport. Het was een stijl van leven voor linkse rouwdouwers zoals hij. 'Ik was een keiharde anarchist. Zette me af tegen de maatschappij, stopte met werken, begaf me in de krakersbeweging. In de rotsen zochten we vrijheid. Eten, feesten, zuipen en dan 's ochtends met een enorme kegel de moeilijke routes in. Ik klom in mijn pyjamabroek.'

Klimmers vormden een subcultuur die veel weg had van de hippiewereld. Vrijgevochten jongeren verzamelden zich begin jaren zeventig onder de rotsen van Yosemite National Park in Californië. Het leverde een merkwaardige combinatie op van sport en marihuana, drank en prestatie. Ze klommen 'vrij': anders dan de gevestigde alpinisten bedwongen ze de rots op eigen kracht, niet geholpen door ladders, touwen of zelfgebeitelde traptreden. Het waren bohëemiens die in het klimmen een manier vonden de wereld te vergeten. Individualisten op zoek naar de natuur. Om daar nog dichter bij te staan klommen de grootste waaghalzen zonder touw. Wie viel was dood, maar keerde ongetwijfeld gereïncarneerd terug.

Een paar jaar later waaide de cultuur over naar Europa. Van der Horst hoorde bij de internationale scene; met zijn wrakke busje reed hij van klimgebied naar klimgebied. 'Ik hield van de natuur. De dieren, de planten, als er een vogel zat te broeden in mijn route liet ik die zitten. Soms stopte ik even en riep: ''Tering, wat een mooie bloem''.'

De buitenklimmers van vandaag spiegelen zich nog steeds aan zijn prestaties. De indoorklimmers verbinden zijn naam hooguit aan de populaire kleding en schoenen die hij importeert. 'Klimmen in een hal is niet gezellig', zegt Van der Horst. 'Het is er druk en benauwd. Hooguit goed om er te trainen. En toch hoor je er altijd dat de klimmers van vandaag naar de hal gaan voor de sfeer.'

Dat is het niet alleen, denkt Frank Sillen, een oude rot in de klimmerswereld en hoofdredacteur van sportklimblad Limits. 'Het is vooral leuk om te doen, ook voor beginners. Om te tennissen heb je een gelijkwaardige tegenstander nodig, anders word je van de baan gemept. Een klimmer werkt alleen, in een route op zijn niveau. Ook een beginner kan boven komen.' Bovendien: de drang om te klimmen zit in elk mens. Kinderen klauteren waar ze kunnen, 'zet iemand neer naast een heuvel en hij wil erop. Met de komst van de hallen kunnen ook volwassenen lekker spelen op een legale manier.'

Dat de sport zo snel groeit is ook te danken aan de Belgische overheid, die genoeg kreeg van de klimmers. Bij gebrek aan eigen rotsen trokken horden Hollanders midden jaren tachtig naar de Ardennen, die toch al overvol waren met de Belgische en Duitse klimmers. Elk stuk steen dat in aanmerking kwam werd versierd met mep- en boorhaken, kettingen en abseilringen. Illegale kampeerplaatsen veranderden in vuilnishopen, de rust in natuurgebieden werd verstoord door de kreten van klimmers. Het begon de Belgen zo te vervelen dat een streng toelatingsbeleid werd ingesteld. Wie nu nog in echte rots wil klimmen moet dat ruim vantevoren aankondigen, of er een reis naar Luxemburg of Duitsland voor overhebben. Maar ook daar worden de mogelijkheden beperkt. Sommige rotstuinen zijn tot natuurgebied verklaard en voor altijd gesloten. De haken roesten er langzaam weg.

Klimhallen boden uitkomst. Een verlaten fabriekshal in Haarlem werd in 1992 voorzien van klimwanden. De hal werd Rock Steady gedoopt. Waren het destijds nog gepassioneerde klimmers die met veel moeite een bankgarantie losweekten, nu bouwen zakenlieden als Van Hassel complete klimcentra. Inclusief fitness-, squash- en horecamogelijkheden. Hele groepen managers kunnen er terecht voor een survivaltraining. Scholieren krijgen er gymles. 'Het wordt groter', zegt Sillen, 'Ik hoop alleen dat het niet te erg gaat boomen.'

Klimmen, denkt Sillen, is een 'super-individualistische' sport die goed past bij de moderne ik-cultuur. 'Sport is religie geworden', zegt dr B. Crum, socioloog en onderzoeker bij de vakgroep Vrijetijdswetenschappen van de Katholieke Universiteit Brabant. In het boekje Over de versporting van de samenleving verbindt hij de opkomst van avontuurlijke sporten met het 'verdwijnen van de Grote Verhalen'. De kerken en politieke partijen hebben afgedaan; de mens zoekt zijn identiteit steeds meer in zijn lijf. In die trend past klimmen bij uitstek. Het geeft de postmoderne jeugd het gevoel ergens bij te horen.

Voor sommigen is klimmen een levensvervulling geworden. De 'versporting van de sport', zoals Crum het noemt, heeft ook bij de indoorklimmers toegeslagen. Steeds meer half- of fulltime sportklimmers dagen elkaar uit tijdens wedstrijden. Steeds meer gaat het om winnen of verliezen, om sponsorcontracten en media-aandacht.

Wouter Jongeneelen, achttien jaar en net klaar met zijn athenaeum-examen, is hard op weg de beste sportklimmer van Nederland te worden. Hij is het gezicht van de nieuwe, professionele sportklimgarde. Jongeneelen is een serieus mens; hem zul je niet met een joint onder de rotsen aantreffen. Zijn trainingsschema's doen niet onder voor die van een toptennisser of-voetballer: dertig uur per week hangt hij aan de wand in de klimhal van zijn vader. Hij heeft vier sponsorcontracten op zak, werd twee keer tweede bij het Nationaal Kampioenschap, bezet een negende plaats op de wereldranglijst voor junioren.

'Wat ik wil bereiken? De top tien van de wereld.'

Zeven jaar geleden begon het, op een braderie in Roosendaal. 'Daar stond een mobiel klimwandje. Eenmaal boven dacht ik: dit is het. Ik was meteen verslaafd.' Eerst was het nog een avontuur. Hij bedwong de zwaartekracht, bungelde hoog boven de grond aan een touw. Maar dat gevoel is weg. 'Ik ben een sportman, dit is een topsport. Voor mij is klimmen alleen maar trainen.'

Hij klimt soms buiten, op echte rotsen. Dat is mooi. Maar een hal is handiger. 'Je ziet twee kampen ontstaan. Een klein groepje blijft buiten klimmen, maar de meesten, ook de wedstrijdklimmers, blijven binnen.'

Pionier Ad van der Horst: 'Weet je wat zo erg is? Niemand weet meer hoe het briesje voelt. Het briesje dat door je haren waait als je aan een rots hangt.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden