Column

De douanebaas vermoedde dat wij drugsbaronnen waren

Laatst ontving ik weer eens verkapte haatpost van een meneer in een zorginstelling, ergens in de Nederlandse bossen. Zo'n mail begint in de regel met een vals compliment - 'ik wil ook wel een column in de Volkskrant' - en ontaardt dan in verbale slingerpoep. Ditmaal kreeg ik de volle lading omdat ik het niet verdiende als een sekteleider van Charles Manson-achtige proporties (zon, vrouwen, honden, marihuana) in de paradijselijke Algarve te vegeteren.

Beeld Gabriël Kousbroek

In de regel neem ik dan de moeite om de schrijver op de karrevracht ernstige taalfouten te wijzen, maar nu gooide ik het over een andere boeg. Dit vorstelijke leven is mij namelijk niet in de schoot geworpen, zo antwoordde ik de querulant. Ik biechtte hem vervolgens mijn eerste, volkomen mislukte en dientengevolge uiterst traumatische emigratiepoging op.

Eind jaren zeventig bivakkeerde ik in Leeuwarden, waar ik de schappen in de homeopathische toko van mijn toenmalige schoonbroer vulde. Mijn zuurverdiende centjes bracht ik onmiddellijk naar de Bunker in Groningen, een steenklomp onder een viaduct waarin een Surinaams-Antilliaans gezelligheidscentrum was gevestigd. Iedere dealer had zijn eigen tafeltje, met daarop de handelswaar (wit/bruin). Bij de 'jongerenwerker' kostte een stukje folie om te chinezen een gulden, wat ik best duur vond voor die toch al zo gevictimiseerde arme drommels. Ik kreeg daar kennis aan een Antilliaan, Randolph, en die ging terug naar Aruba omdat hij het koud vond in Nederland. Ik was in die tijd vrij rillerig en zei: nou, amigo, ik kom je daar opzoeken hoor.

Een paar maanden later zat ik in het vliegtuig naar Aruba met mijn boezemvriend Ton. We zagen eruit als clowns: kaalgeschoren, namaakpanamahoeden, een tropenkostuum van de HIJ (versteld door een Turkse kleermaker) Ray-Bans en puntschoenen met krokodillenmotief. In Oranjestad werden we er meteen uitgepikt door de douane en een kwartier later zaten we voor meneer Jansen, een zwetende Afro-Caribeaan van zeker 150 kilo.

De douanebaas had het sterke vermoeden dat wij drugsbaronnen waren. Onze paspoorten werden ingenomen en we moesten ons dagelijks melden op de luchthaven. Randolph hield zich verborgen en wij logeerden noodgedwongen in een kakkerlakkenbordeel in San Nicolas. Daar leerde ik het Papiamentse scheldwoord voor blanken kennen: makamba. Na tien dagen werden we tot grote hilariteit van gans Aruba naar Nederland gedeporteerd.

En daarom, zo schreef ik de meneer in de zorginstelling, heb ik het recht om op mijn oude dag te leven als God in Frankrijk. En leer eens foutloos Nederlands te schrijven, met je 'kolom'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden