De dood van Menno ter Braak

IN DE epiloog van Politicus zonder partij memoreerde Menno ter Braak het verhaal over de Franse chemicus Lavoisier die in 1794 tot de guillotine werd veroordeeld, en die zijn rechters uitstel van executie zou hebben gevraagd omdat hij nog een wetenschappelijk onderzoek wilde afmaken....

Jan Blokker

Was dat een bewijs van bewonderenswaardige doodsverachting? Of bleek eruit dat Lavoisier was verworden tot 'de slaaf der scheikunde'? Ter Braak kende geen twijfel. 'Had men mij onder het schrijven van dit boek de dood op korte termijn aangekondigd', verzekerde hij, 'dan zou ik die termijn niet gebruikt hebben om het te voltooien: het zou spoorloos weggevallen zijn voor een laatste pijnloze middag in de plantaardige stilte van een dorpstuin en, misschien, voor een gesprek met mijn vrienden van weinig woorden en veel zwijgen, ver van alle wetenschap.'

De conclusie spoort met de keuzes die hij maakte in alle begrippenparen waarmee hij z'n leven lang heeft gejongleerd: kind en volwassene, gevoel en verstand, twijfel en waarheid, 'freischwebende' intelligentie en gereglementeerde wetenschap, vent en vorm, vrijheid en dwang, leven en dood.

Zes jaar later werd hem metterdaad de termijn aangezegd. De Duitse bezetting die in mei 1940 zou volgen op de capitulatie van het Nederlandse leger, betekende wat hem betreft het doodvonnis, dat onmiddellijk moest worden voltrokken: geen uitstel, geen uitvluchten, geen werk dat eerst nog voltooid, geen boek dat eerst nog geschreven moest worden - de executie mocht niet op zich laten wachten.

Volgens de officiële (politie)lezing, die in de literatuurgeschiedenis werd overgenomen, pleegde hij zelfmoord. In werkelijkheid heeft hij zich welbewust laten euthanaseren door zijn broer die zenuwarts was, en die hem na toediening van een 'grote hoeveelheid slaappillen' injecteerde met een snel werkend gif.

Aan het eind van zijn tweedelige biografie reconstrueert Léon Hanssen met grote precisie hoe de laatste dagen moeten zijn verlopen. Een aantal haast absurde details maakt z'n verslag des te aangrijpender. Ter Braak is op 10 en 11 mei ondanks allerlei onoverzichtelijke oorlogshandelingen in en rond Den Haag nog gewoon naar z'n werk (de redactie van Het Vaderland) gegaan. Samen met buurtbewoners heeft hij op het gerucht van naderende Duitsers geanimeerd z'n straat helpen barricaderen met stoeptegels, stukken hout, huisraad en pakken kranten, en later hebben ze nog hun vaderlandse plicht gedaan door een NSB'er bij de politie aan te geven. Hij liep 's nachts wacht, hij bestelde een radio (die na twee dagen keurig werd bezorgd), hij is nog naar Scheveningen geweest waar hem een overtocht per visserspink naar Engeland werd aangeboden voor een bedrag (fl 23000,-) dat hem te machtig was, en tijdens het bombardement van Rotterdam hebben zijn vrouw en hij (mét de poesjes, en wat 'liflafjes uit de keuken') op de vloer achter de piano zitten schuilen.

Maar van het gedroomde slot in de stilte van een dorpstuin, en een gesprek met vrienden, is het nooit gekomen. Hanssens beschrijving van de ultieme ogenblikken roept een ijzingwekkend beeld op van verlatenheid, als bij een zinloze acte gratuit. In de behandelkamer van zijn broer is hij in de late avond van de veertiende mei nog een uurtje met zijn vrouw alleen geweest, en heeft hij haar nog gevraagd samen met hem uit het leven te stappen, wat ze weigerde: 'Ieder mens gaat alleen dood, samen sterven bestaat niet.'

Ten slotte schreef hij in haar bijzijn een afscheidsbriefje ('Mevr. A. ter Braak-Faber', stond er netjes boven), dat hij haar vervolgens aanreikte. Geen omhelzing, geen kus, zelfs geen hand. Zonder verdere plichtplegingen begaf hij zich naar de slaapkamer waar 'het' moest gebeuren, en zijn vrouw kwam even later in de gang haar zwager tegen 'met een glaasje met spul' in z'n hand: op weg naar de terechtstelling.

Hanssen meldt dat zij het definitieve einde niet heeft afgewacht, en in de nacht naar vrienden is gegaan. 'Onderweg een paar tranen weggeslikt', blijkens haar aantekeningen. 'Maar verder niet.' Bij die vrienden schijnt ze Salomon van Oss, de (joodse) eigenaar van de Haagsche Post, uit z'n hoofd te hebben gepraat dat hij beter de hand aan zichzelf kon slaan.

'Hij stierf als een Romein', zou Ter Braaks discipel H.A. Gomperts later bewonderend schrijven, tot hoon van W.F. Hermans, die het tegendeel van een discipel was, en die (ten onrechte) meende dat zelfmoord met vergif in Romeinse ogen minderwaardig was. Als Gomperts nog even Tacitus had geraadpleegd, zou hij overigens hebben moeten toegeven dat de dood van Romeinen die hun slagaders opensneden, in veel gevallen neerkwam op net zo'n eindeloze, deerniswekkende en onheroïsche bedoening als de ingreep met een glaasje 'spul'.

Hanssen koos voor Sterven als een polemist, tevens de titel van deel II van zijn biografie die de periode 1930-1940 bestrijkt. 'Ik heb als een polemist geleefd en als een polemist zal ik sterven', zou Ter Braak nog kort voor zijn dood hebben gezegd. En in antwoord op de eigen retorische vraag of een polemist niet juist behoort te leven en te overleven, schrijft Hanssen: 'Voor de polemist Ter Braak lag de geestdrift van het scheppen echter in de vernietiging; hij bleef zichzelf trouw door te kiezen voor een dood waarvan hij sedert jaren droomde: alles tegelijk te zijn en niets te zijn. 14 mei 1940 kwam voor hem als geroepen.'

Dat ruikt naar Nietzsche, als het niet naar Ter Braak zelf ruikt, maar die twee worden zoals bekend wel vaker door elkaar gehaald. Misschien is het een beetje te veel van het goede als Hanssen daar nog zijn eigen vernuftige paradoxen aan toevoegt. Hij doet dat in II met een zekere kwistigheid, wat zou kunnen worden verklaard uit het feit dat de 'schrijver na zijn dertigste jaar' hem pas goed uitdaagde tot een exegese van het werk. En dan is Nietzsche moeilijk te omzeilen.

In 1930 had Ter Braak, afgezien van zijn proefschrift over Otto III, nog maar twee boeken gepubliceerd: Cinema militans en Het carnaval der burgers, en Hanssen kon z'n eerste deel exclusief besteden aan het kind, de puber, de student, de enthousiaste cinéfiel en de ontluikende criticus. Hij deed dat met verve, zo nu en dan behendig vooruitwijzend naar wat later zou komen (de sporen van een suicidale 'aanleg' bijvoorbeeld), en met de nadruk op de vele angsten - voor de fysieke kracht van z'n Eibergse leeftijdgenoten, voor een wereld zonder domineeshouvast, voor vrouwen niet te vergeten - waartegen de jonge Menno zich zou moeten leren wapenen. In snelle, korte hoofdstukjes werd het 'jeugd'portret geschilderd. Waarschijnlijk niet toevallig zijn de hoofdstukken in Sterven als een polemist gemiddeld tweemaal zo lang, en werd het deel bijna tweehonderd bladzijden dikker dan het eerste.

In 1930 had Ter Braak Nietzsche nog niet ontdekt, en moest de vriendschap met Du Perron nog beginnen. Niemand weet hoe hij zich zonder die beide beslissende inspiratiebronnen verder zou hebben ontwikkeld. Maar iedereen kan lezen hoe sterk de twee zijn creativiteit hebben beïnvloed en gericht. Met twee romans, een toneelstuk, tenminste acht grote(re) essays en honderden dagbladrecensies zou zijn oeuvre pas na 1930 de omvang en het soortelijk gewicht krijgen die ook nog jaren later de indruk konden wekken alsof hij in de Nederlandse literatuur van voor de oorlog eigenlijk de Enige, en in ieder geval de grootste was geweest.

HANSSENS biografie heeft op dat punt iets dubbelslachtigs. Aan de ene kant lijkt hij geneigd Ter Braak te 'vereeuwigen' tot een eigentijds denker. In Hampton Court ontdekt hij al trekken van de 'postmodernist avant la lettre', wat me sterk lijkt voor een nogal mislukte (en lelijk geschreven) roman, tenzij je postmodernisme bij voorbaat als een diskwalificatie bedoelt. Maar dat bedoelt Hanssen duidelijk niet. Later neemt hij Ter Braak in bescherming tegen naoorlogse critici als Pol en Kousbroek, die zijn geheimtaal niet helemaal zouden hebben begrepen, en herhaalt hij dat 'de deconstructivisten van het postmodernisme' in Nietzsche en Ter Braak hun eerste voorgangers moeten erkennen. En hij betoogt: 'Wat op het eerste gezicht goochelen met fopmiddelen uit een zwarte toverhoed (lijkt), dat is eerder een uitdaging mee te gaan in het panta rei van een andere zijnsopvatting.'

Dat is de andere kant: die van de apologie, die zo nu en dan grote, wazige woorden nodig heeft.

Hanssen geeft geen antwoord op de toch tamelijk intrigerende vraag waaraan Ter Braak (al dan niet in combinatie met Du Perron) zijn ogenschijnlijk absolute hegemonie in de Nederlandse letteren van het interbellum heeft te danken. Heerste hij in een land van louter blinden? Of is het gezichtsbedrog dat na de oorlog door trouwe apostelen (Gomperts, Batten, Van Lier, Morriën, Van der Veen - aankomende literaten in de jaren dertig) als waarheid is verkondigd?

Wat later in de beeldvorming is gebeurd of veranderd, hoeft natuurlijk niet de eerste zorg te zijn van de biograaf die zich tenslotte moet concentreren op de mens en zijn werk in hun eigen tijd. Maar hoe, bijvoorbeeld, bewoog de 'dagelijkse' Ter Braak zich in het overwegend kifterige en in zichzelf gekeerde literaire klimaat van die jaren?

Voor dat laatste kun je eigenlijk beter terecht bij de nog altijd smakelijke roddelbundel van Vestdijk (Gestalten tegenover mij) dan bij Hanssen. Die heeft de neiging om Ter Braak, die ook niet een erg sociaal dier moet zijn geweest, nogal te isoleren van z'n omgeving. Figuren als Marsman, Slauerhoff, Vestdijk en Nijhoff komen heel vluchtig, en bijna alleen als namen voorbij, aan de immense correspondentie met Du Perron wordt alleen maar zijdelings gerefereerd, en dat de vriendschap omstreeks 1937 zou zijn bekoeld, wordt losjes opgemerkt, maar verder niet erg verklaard, en trouwens niet al te sterk bevestigd door de bijna tweehonderd overwegend hartelijke brieven die daarna nog zijn gewisseld.

Veel van de (honderden) biografische bijzonderheden die Hanssen verzamelde en verwerkte, laten het tegendeel van een aardige, 'honnête' man zien. Z'n dédain jegens de krachtdadige boerenkinkels die hij als kind vreesde, zou hem nog vergeven mogen worden - god mag weten zag hij ze als Hitlers hordes opnieuw op zich af komen: Eibergen in SS-uniform.

Maar met hetzelfde dédain bejegende hij later de school en de krant waartoe hij zich 'veroordeeld' voelde: het leraarschap vond hij net zo beneden z'n stand als het 'persbaantje'. Als journalist ging hij er prat op dat hij van de meeste boeken die hij moest recenseren, een paar bladzijden las, om er vervolgens in ijltempo duizend woorden aan te wijden. Hij zag er geen been in z'n betrekkelijke machtspositie als criticus te misbruiken door tegenstanders mores te leren, en vrienden de hemel in te prijzen.

De 'kwibussen' van het toneel - hij was ook theaterrecensent - waren hem een gruwel, maar met De Pantserkrant heeft hij toch geleurd bij de kwibussen Cor van der Lugt Melsert en August Defresne - zonder succes overigens.

Onthullend is het verhaal van zijn ruzie met Victor van Vriesland die het op de maagdelijkheid van zijn zuster Truida had voorzien, en die op Menno's eerwraak moest rekenen, zij het dat de gekwetste broer in laatste instantie gas terugnam uit angst dat 'de joodsche compôte van Valmont en le neveu de Rameau' (brief aan vriend Du Perron) zich als letterenredacteur van de NRC zou kunnen terugwreken op Forum: een potsierlijk carnaval van burgers.

Dat Ter Braak seksueel impotent was, heeft in z'n optreden als fatsoensridder mogelijk een rol gespeeld - maar je zou willen weten in welke mate het ongerief ook een rol heeft gespeeld in z'n werk.

DE VRAAG OF hij een 'principiële' antisemiet was, werd vorig jaar actueel met de posthume verschijning van Gomperts' Kern van waarheid, waarin de voormalige discipel een relatie construeert tussen Ter Braaks vermeende homoseksualiteit en diens misschien latente, maar onmiskenbare antisemitisme. Hanssen reageert met bijna disproportionele verontwaardiging, plus een uit de lucht (of uit Freud) gegrepen tegentheorie.

Daarbij vergeleken komt Willem Frederik Hermans er genadig van af. Die heeft tot z'n laatste snik (zie Malle Hugo, 1994 - niet in Hanssens literatuurlijst) Ter Braak en diens naoorlogse fakkeldragers, onder wie Gomperts, bestreden. Maar Hanssen gaat nergens in op de inhoudelijke argumenten die Hermans bij herhaling in de strijd wierp - integendeel eigenlijk.

Aan het eind van z'n eerste deel schreef hij zonder verdere uitleg: 'Wie iets van Ter Braak serieus neemt, moet hem serieus nemen als zelfbevrijder, en wie hem in die hoedanigheid aanspreekt, zoals W.F. Hermans deed, hoeft zich niet te ontzien scherpe woorden te gebruiken.'

En aan het eind van II - weer op zo'n 'strategisch' moment dus - lezen we: 'In de eindeloze discussie die zich in de loop van de jaren over Ter Braaks zelfmoord heeft ontwikkeld, had daarom de grote onmeedogende die altijd gelijk dacht te hebben, geen ongelijk. Ter Braak zocht niet de dood omdat hij op een lijst van de Duitsers stond, maar omdat het leven onder een Duitse bezetting hem ondraaglijk leek.'

Tweemaal zo'n nadrukkelijke verwijzing naar Hermans - dat kan geen toeval zijn. De biograaf van Ter Braak had veel respect voor Ter Braaks hardnekkigste vijand.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden