De dood als vlucht voor verpleeghuis

Het niveau van de zorg in verpleeghuizen begint steeds meer te leiden tot angst voor die, afhankelijke, fase van het leven....

Theo Boer

EEN 71-jarige man verkeert in een staat van beginnende dementie en komt daardoor in een depressie terecht. Nadat die succesvol is behandeld, blijft de man diep ongelukkig. Uiteindelijk krijgt hij in een psychiatrisch ziekenhuis hulp bij zelfdoding. De officier van justitie besluit om niet tot veroordeling over te gaan (Volkskrant, 12 juni).

Het geval verdient om twee redenen bijzondere aandacht. Ten eerste is euthanasie bij dementerende patiënten tot dusverre vrijwel onbespreekbaar. Bij dementie is veelal sprake van wilsonbekwaamheid, en levensbeëindigend handelen niet op verzoek hoort van oudsher niet thuis in het Nederlandse euthanasiebegrip.

Het nu geschetste geval, plus de rechterlijke uitspraak, kunnen de voorbode zijn van een nieuwe trend. Het aantal gevallen van actieve levensbeëindiging zou met het doorzetten van deze trend kunnen verdubbelen of verdrievoudigen.

De officier van justitie concludeert dat sprake is geweest van een zorgvuldige procedure. Dat kan juridisch kloppen, maar belangrijker is wat deze gang van zaken betekent voor het verloop van de maatschappelijke discussie in zijn geheel en voor het Nederlandse gezondheidszorgbeleid.

Daarbij zijn twee dingen relevant: het problematische van autonomie als leidend moreel beginsel in de zorg, en de samenhang tussen de vraag om levensbeindiging en de kwaliteit van zorg.

Ten eerste illustreert het geval van de 71-jarige man hoe problematisch het principe van autonomie is. Respect voor autonomie (of zelfbeschikking) komt erop neer dat je iemands wensen respecteert, zonder daarbij je eigen normen en waarden als uitgangspunt te nemen. Het is de vraag in hoeverre dat hier gebeurd is.

De 71-jarige man ervaart zo weinig geluk dat hij wil sterven. Zijn familie, aldus een nauwkeurige casusbeschrijving, 'kan zich verenigen met zijn wens'. Dat kan twee dingen betekenen. Ofwel de man ziet het niet meer zitten, en de familie respecteert dat gevoel (al of niet met tegenzin). In dat geval is inderdaad sprake van autonomie. Of, maar dat is heel wat anders, de man ziet het niet meer zitten, en zijn familie al evenmin.

In dat laatste geval speelt niet alleen de wens van de man een rol, maar is ook de afweging van de omstanders van betekenis. Het dunkt me dat niemand helemaal alleen tot het besluit komt dat zijn leven niet leefbaar is. Er is altijd een wisselwerking met de visie van familie en vrienden en, indirect, met heersende maatschappelijke opvattingen. Zien anderen het niet meer zitten, dan is een verzoek om euthanasie sneller gedaan dan wanneer ze er juist de moed in houden.

Een soortgelijke vermenging van opvattingen komt terug in de gesprekken met de artsen die een second opinion geven. Een psychiater en een verpleeghuisarts oordelen na een gesprek met de man dat zijn verzoek 'gewettigd' is. Wat betekent dat? Zij beoordelen of de man inderdaad zo ziek is als de behandelend arts vermoedt, stellen vast of sprake is van een duurzaam en weloverwogen verzoek, en beoordelen of het lijden uitzichtloos en ondraaglijk is.

Hoewel dat altijd 'naar heersend medisch inzicht' dient te gebeuren, spelen bij zo'n inschatting subjectieve oordelen een grote rol, net zoals bij het door rechters gehanteerde begrip 'invoelbaarheid'. Zodra anderen van mening zijn dat iemand groot gelijk heeft als hij dood wil, overschrijden zij de smalle grens tussen autonomie en paternalisme. Teveel begrip en respect betekenenin de praktijk soms een bevestiging van eigen wanhoop en minderwaardigheidsgevoelens.

Het meest verontrustende in de discussie rondom de 71-jarige is echter het verband dat gelegd wordt met levensbeëindiging bij dementerenden en met kwaliteit van zorg. Professor Van Dantzig ziet de uitspraak van het Twentse hof als onderdeel van een trend om wilsverklaringen van dementerenden serieuzer te nemen.

Het grote verschil tussen de meeste bejaarden en de 71-jarige is dat het hier nadrukkelijk een psychiatrische context betreft, waarin de betrokkene niet tegen het vooruitzicht van dementie blijkt opgewassen. Natuurlijk wil niemand aftakelen, maar nog steeds is dementie voor verreweg de meeste mensen geen reden voor euthanasie. Men tracht de verschijnselen en gevolgen van de dementie zoveel mogelijk het hoofd te bieden en hoopt dat het leven intussen ook nog momenten van geluk en zinervaring biedt.

Maar dat laatste kon wel eens veranderen. 'Als er zoveel oude mensen komen dat volwaardige zorg niet meer mogelijk is', aldus Van Dantzig, 'zullen de wilsverklaringen voor euthanasie vanzelf serieuzer genomen worden'.

De dood als oplossing voor de vergrijzing? Nee, dat niet, want wie door wil, mag door. Wie genoegen neemt met vereenzaming, een nachtkastje en een prikbord, deuren die op slot zijn, koude koffie, natte luiers, doorliggen en 31 zorgminuten per dag op een tijd dat het de zorgverlener uitkomt, wordt nergens toe gedwongen.

Maar wie dat niet ziet zitten, moet dood mogen. Daarmee slaan we twee vliegen in één klap: mensen hebben zeggenschap over hun leven en de wachtlijsten worden korter. Elke beginnend dementerende patiënt die door actieve levensbeëindiging wordt geholpen, scheelt al gauw zes jaar intensieve zorg. Reken maar dat dat een belangrijke bijdrage levert aan het verminderen van de werkdruk.

Euthanasie in verband brengen met ondermaatse kwaliteit van zorg betekent het afscheid van de beschaving. Hoe we ook over euthanasie denken, nooit mag de keus voor euthanasie (mede) zijn gemotiveerd door het vooruitzicht van slechte zorg. Anders dan Van Dantzig suggereert, is niet alleen het CDA nog altijd niet rijp voor die gedachte, maar ook zijn de andere politieke partijen, de zorgverzekeraars en de gemiddelde burger (waaronder ik) dat niet.

Ondertussen is het door Van Dantzig ingebrachte punt tekenend voor de wanhoop die sommige mensen hebben over de kwaliteit van zorg. Blijkbaar realiseren overheid en maatschappij zich onvoldoende dat het zorgniveau in verpleeghuizen voor sommigen inmiddels echte angst voor die levensfase meebrengt.

Goed, er gaat ondertussen wel íets meer naar de zorg, maar dat staat in geen verhouding tot de toename van het aantal ouderen. Het gevolg is langere wachtlijsten, slopende werkdruk en vooral een tekort aan persoonlijke aandacht voor bewoners van verpleeghuizen.

Voeg daar nog bij de veranderde verhoudingen op de arbeidsmarkt, waar het financieel veel aantrekkelijker is om te werken in bijvoorbeeld de informatietechnologie dan in de zorgsector. Natuurlijk zijn allerlei maatregelen om de mantelzorg te stimuleren, de zelfredzaamheid van ouderen te verhogen en hen zo buiten het verpleeghuis te houden, belangrijk. Maar uiteindelijk scharniert de kwaliteit van de ouderenzorg op de bereidheid om als er fors meer ouderen zijn, er dus ook fors meer voor te betalen.

We leven in een maatschappij waarin de gezonde niet-bejaarde steeds meer kan doen: vliegvakanties, duurdere huizen, ISDN-aansluitingen, mobiel bellen, noem maar op. Al dat leuks is echter afgelopen zodra je zorgbehoeftig wordt. De zo gevreesde aftakeling die voor steeds meer ouderen reden is voor het opstellen van een wilsverklaring, bestaat voor een belangrijk deel uit het vooruitzicht dat zij de zorg zullen ontberen die hoort bij een waardige oude dag. Zulks is niet alleen strijdig met de belangen van ouderen, maar raakt bovendien aan de fundamenten van een humane samenleving.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden