De dood als dessert

De 'zachte dood' is nu wettelijk geregeld, maar daarmee zijn nog lang niet alle vragen beantwoord. In een aantal boeken komen ze aan bod....

door Aleid Truijens

MAG DE DOKTER doden? Dat was de simpele vraag die de criminologen C.I. Dessaur (de schrijfster Andreas Burnier) en C.J.C. Rutenfrans stelden in het 'vlugschrift' met die titel uit 1986. Hun antwoord luidde: nee, dat mag de dokter niet. Dokters zijn er om mensen te genezen. Voorstanders van legalisering van euthanasie reageerden furieus op het vlugschrift. Zij vonden dat de auteurs een bizar beeld schetsten van overijverige 'do-gooders' die graag doodzieke mensen in een zwak moment naar de andere wereld helpen.

Vijftien jaar later is wat de auteurs vreesden een feit: vorig jaar werd in Nederland een euthanasiewet aangenomen die 'de bestaande praktijk reguleert'. Het 'nee, tenzij' dat leidraad was bij het beëindigen van het leven van patiënten die 'uitzichtloos en ondraaglijk' lijden, veranderde daarmee in een 'ja, mits'. Nu kan een zieke een verzoek tot levensbeëindiging doen bij een arts, die de redelijkheid van dat verzoek beoordeelt. Ook als de zieke al eerder een wilsverklaring heeft opgesteld, moeten arts en patiënt erover praten als het sterven nadert, en is de arts verplicht er een tweede beoordelaar bij te halen.

De wet werd door voorstanders als een overwinning beschouwd. Jacob Kohnstamm, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor vrijwillige Euthanasie (NVVE) en minister Borst konden tevreden zijn - 'Het is volbracht', verzuchtte de laatste ongelukkigerwijs. In een interview met NRC Handelsblad zei zij niet op voorhand tegen de 'pil van Drion' te zijn (Huib Drion, oud vice-voorzitter van de Hoge Raad bepleitte in 1991 het recht voor mensen boven de 75 op een dodelijk medicijn), als het gaat om bejaarden die 'klaar zijn met het leven' en 'zich te pletter vervelen'. Jacob Kohnstamm zei in een interview in Het Parool dat dementie voor hem 'absoluut een reden zou zijn' om dood te willen.

Of je nu voor- of tegenstander bent van de nieuwe wet, feit is dat de discussie over euthanasie zich op een hellend vlak bevindt. Langzaam verschuift het debat van ingrijpen bij ondraaglijk lijden van een stervende, naar 'oplossingen' voor mensen die dement of levensmoe zijn. Organisaties als de NVVE en De Einder geven handleidingen voor zelfdoding uit. 'Consulenten' willen langskomen om de doodswens te bespreken.

Soms doen ze meer dan voorlichten, blijkt uit Sterfwerk, een boek van de psychiater B.E. Chabot. Enkele suïcide-consulenten vertelden hem dat ze soms mensen aan de dodelijke pillen hielpen, de pillen vermaalden en ze door de vla roerden. Huisarts P. Sutorius die de niet-zieke, 86-jarige oud-senator Brongersma die 'ondraaglijk leed' onder zijn ouderdom, hielp sterven, werd door de Haarlemse rechtbank niet schuldig bevonden. In hoger beroep oordeelde het Amsterdamse Hof hem wel schuldig, maar legde geen straf op.

Premier Kok achtte afgelopen voorjaar de tijd nog niet rijp voor een maatschappelijk debat over hulp bij zelfdoding, maar de praktijk snelt hem vooruit. We lijken inmiddels ver afgedwaald van het oorspronkelijke begrip 'euthanasie': een onvermijdelijke dood niet onnodig gruwelijk te laten zijn. Zulk ingrijpen - behandeling staken, niet reanimeren bij een coma, de dosis morfine verhogen - behoort in de meeste ziekenhuizen al tot de gangbare praktijk.

In Praktijkperikelen, een bundeling van anonieme bijdragen van artsen aan het tijdschrift Medisch Contact, vertelt een arts over de routinevraag van een verpleegtehuis om 'even de niet-reanimeerverklaring te faxen'. De dochter van zijn niet zieke, 89-jarige patiënte werd door de verpleging van een verzorgingshuis gevraagd 'even langs te komen om de niet-reanimeerverklaring te tekenen'. De vraag of haar moeder, of zij, dat wilde, was niet aan de orde. De arts overweegt zijn patiënten een 'wel-reanimeerverklaring' mee te geven.

De nieuwe euthanasiewet oogt helder, maar is het niet. Je kunt je afvragen of het ooit mogelijk is om delicate kwesties van leven en dood in een wet te regelen. De vragen die Andreas Burnier vijftien jaar geleden stelde zijn nooit afdoende beantwoord - ze werden doorgaans afgedaan als 'verdachtmakend' - maar het zijn precies die vragen die mensen zich aan het sterfbed van hun dierbaren stellen.

De voornaamste is: hoe vrijwillig is vrijwillige euthanasie? Een stervende staat zwak tegenover gezonde familieleden, artsen en verpleegkundigen. Als die euthanasie ter sprake brengen, zijn ze misschien geneigd ja te knikken. Misschien willen ze hun kinderen, die het toch al zo druk hebben, niet tot last zijn. Of denken ze dat de dokter 't het beste weet. Zij willen verlost worden van hun ellende. Wat niet hetzelfde is als doodgemaakt willen worden.

De doodswens kan een projectie zijn van de kinderen, of van jonge verpleegkundigen en artsen die het niet langer kunnen aanzien. Sommige mensen hebben wel familie, maar geen dierbaren. Wellicht is er een erfenis - banaal, maar het bestaat. Moeten zulke familieleden toestemming voor euthanasie geven, als de stervende niets meer kan zeggen?

Hoe mild is de 'zachte dood' eigenlijk? Het romantische beeld van dood door euthanasie als een mooie, serene gebeurtenis, waarbij de stervende is omringd door dierbaren, die hem lieve woordjes toefluisteren terwijl hij wegglijdt, klopt niet. Beschrijvingen, bijvoorbeeld in De dood in doordrukstrip van Karin Spaink, stemmen niet gerust. De stervende kan blauw aanlopen en spasmen vertonen. Waarom zou je zo'n dood verkiezen boven een natuurlijke dood, korte tijd later, waarbij 'palliatieve' hulp wordt geboden? Daarbij hoeft de stervende geen pijn te voelen, en wordt voorkomen dat iemand stikt.

Steun voor de opvatting dat euthanasie vaak onnodig is, kwam onlangs uit onverwachte hoek. In een reportage in NRC Handelsblad vertelden enkele SCEA-artsen (Steun en Consultatie bij Euthanasie Amsterdam) over hun twijfels. Ooit vormde deze groep een voorhoede, die tegen de heersende mening in vond dat je stervenden die leden mocht 'helpen'. Nu zegt een van de artsen: 'We hebben met euthanasie de omgekeerde weg bewandeld, het is te makkelijk geworden.' Een andere arts vertelt dat ze vroeger bij ongeneeslijk zieken één keer het woord 'euthanasie' liet vallen. 'Negen van de tien keer kwamen patiënten dan later met een euthanasieverzoek.' Tegenwoordig gebruikt ze het 'E-woord' niet meer en biedt ze palliatieve zorg. 'En wat blijkt: niemand vraagt er meer naar!'

Hier zien we de herontdekking van de natuurlijke dood. En van zoiets ouderwets als liefdevolle verzorging. Inderdaad: de omgekeerde weg.

Wie het boek van Karin Spaink leest zou bijna vergeten dat de dood zich ook nog gewoon kan aandienen. In dit pleidooi voor zelfbeschikking, voor het recht op een een fatsoenlijke zelfgekozen dood, lijkt de dood per definitie iets waarvoor je kiest, wat je plant en regisseert.

Voor de schrijfster, die aan de ongeneeslijke ziekte MS lijdt, is euthanasie geen oplossing: zij wil ruim voordat de dood aanklopt haar plan trekken. De zelfmoordpillen zijn besteld, in haar boek beschrijft ze hoe, en geeft ze lijsten met middelen en hun werking.

Je kunt dit boek gevaarlijk vinden voor aarzelende zelfmoordenaars - maar dat zijn de publicaties van de NVVE ook -, Spaink is wél consequent: ze is tegen een medicalisering van zelfmoord en vindt dat je artsen niet voor je karretje mag spannen. Maar: dan moeten artsen ook afstand doen van de sleutel van de medicijnkast, zodat iedereen aan de dodelijke spullen kan komen.

In Spainks boek wordt een geval van euthanasie beschreven. Een vrouw zal spoedig sterven aan longkanker, het is een kwestie van dagen. De dochter en haar vriendin brengen bij de moeder euthanasie ter sprake. De dochter wordt snel lid van de NVVE, en zorgt voor een 'verklaringsformulier'. Af en toe vraagt ze of de moeder de verklaring wil invullen, en die stemt toe. De laatste week van haar leven zijn de twee vrouwen in de weer met het bemachtigen van het euthanaticum, wordt er haarscherp op moeder gelet - wil ze nu wel, wil ze niet? Dan zegt de moeder 'opgelucht' te zijn, omdat er nog niks is gebeurd. Tja. Wat wil moeder nu eigenlijk? Moeder blijkt het griezelig te vinden om op een afgesproken tijdstip dood te gaan. Ze sterft uiteindelijk aan een verhoogde dosis morfine.

Was het niet beter geweest de tijd die opging aan het gehannes met euthanasie te besteden aan de stervende? Nog wat met haar te praten, herinneringen op te halen?

Dit voorbeeld laat onbedoeld zien dat euthanasie vaak geen oplossing is voor de stervenden, maar familieleden het idee geeft iets 'goeds' te doen.

Misschien is het onvermijdelijk dat de naoorlogse generatie, die nu oud gaat worden, altijd gewend om het leven in eigen hand te houden, het vertikt om zich door de dood te laten verrassen. De pil van Drion zal er wel komen.

Maar de dilemma's blijven. Zoals: hoe kun je weten als je nu, geheel compos mentis, beslist dat je dood wilt wanneer je dementeert, of je straks, eenmaal dement, zo ongelukkig bent? Wie moet de beslissing nemen? Moet je soms aan je voornemen gehouden worden?

Drion meent, in Het zelfgewilde einde van oude mensen, nu herdrukt, dat het voor veel ouderen een geruststelling betekent zo'n middel in de kast te hebben, en dat het daarom niet snel gebruikt zal worden. Dat is een aanname. Maar even aannemelijk is de geachte van de psychiater A.J.F.M. Kerkhof, in een artikel dat ook in dat boekje is opgenomen, dat het middel voor mensen met zelfmoordneigingen een angstig bezit is.

Hoe reëel is Drions veronderstelling dat ouderen op zekere dag in alle rust en redelijkheid tot de dood besluiten? Wie voor zo'n beslissing staat, verkeert vermoedelijk in een toestand van ontreddering. Zouden zulke mensen niet vergeefs hopen dat iemand hen ervan afhoudt? Om maar niet te denken aan mensen die hun man of vrouw dwingen de pil in te nemen, 'want dat hebben we afgesproken', of aan een vermoeide dochter die 't welletjes vindt en haar moeder de pil door de thee geeft. Geen wet of dokter die hen nog beschermt.

In het voorstel van Drion, en in de woorden van Borst over de 'zich te pletter vervelende bejaarden' klinkt de akelige veronderstelling door dat het leven van oude mensen minder waard is dan dat van jonge. Niet meer productief, niet meer 'zinvol' zulke levens. Er dreigt een enorme grijze golf, de wachtlijsten worden almaar langer, en niemand wil in de bejaardenzorg werken. De dood is veruit de makkelijkste en goedkoopste oplossing. Het wrede is dat bejaarden dat misschien langzamerhand ook denken.

Als eenzaamheid bij bejaarden het verlangen naar de dood aanwakkert, zou het dan niet helpen als zij wat vaker bezoek kregen? Zou het schelen als alle liefde die 'stervensconsulenten' tonen voor de lijdende medemens, wordt gemobiliseerd om het léven van de doodskandidaten te verlichten? Hen eens mee uit te nemen, een nieuwe jurk met ze te kopen, hun haar te wassen. Zouden zoveel mensen liever dood willen dan in een verpleegtehuis te wonen, als we zulke oorden tot een aangenamer verblijf wisten te maken?

Niet meer willen leven is niet hetzelfde als dood willen. Betsy Udink vertelt in Klein leed, een verslag van een jarenlange depressie, hoe blij ze is dat ze, toen ze het leven hartgrondig vervloekte, niet in handen viel van een medelevende 'zelfmoordlobbyist', of een psychiater met een gewillig oor. 'Wat ik zeggen wilde is dat als ik dood wil, ik nog lang niet dood hoef' , is de slotzin van haar boekje. Het is een zin die te denken geeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden