reportage Jan Karbaat

De donorkinderen van Jan Karbaat: waar sommigen naar de rechter stappen, vinden anderen dat ze niets te eisen hebben

Beeld Rein Janssen

In de kliniek van de omstreden fertiliteitsarts Jan Karbaat zijn levens verwoest nog voordat ze werden geboren. De arts liet na spermadonoren te screenen op erfelijke aandoeningen. Donorkinderen lijden nu aan genetische ziekten.

Met een iPod Nano in haar tas en haar toenmalige partner aan haar zijde had Nathalie de Jong al haar moed bijeengeraapt. Het was 2014 toen ze de oprit opstapte van Jan Karbaat, de flamboyante fertiliteitsarts die 34 jaar eerder het buisje ­donorzaad in handen had waarvan De Jong de tastbare vrucht zou worden.

De iPod hadden ze meegenomen om het gesprek nog eens terug te kijken, niet wetende dat de opname ­jaren later in de rechtszaal van pas zou komen. En haar partner had ze bij zich omdat De Jong bang was dat ze anders ter plekke neer zou storten, tijdens de confrontatie met de dokter die ze steeds meer was gaan haten nadat ze had ontdekt wat hij allemaal fout had gedaan.

Kom bij De Jong niet aan met verhalen dat Karbaat misschien wel zijn boekje te buiten is gegaan, maar dat hij tegen de (katholieke) stroom en tijdgeest in toch maar mooi honderden stellen en alleenstaande moeders aan hun zo vurig gewenste dochter of zoon heeft geholpen. Dat het zonder zijn geestdrift en die van collega-pioniers als Jan Kremer en Leo Swaab, in Nederland vermoedelijk nooit zo’n vaart had gelopen met kunstmatige inseminatie.

De Jong kan er pisnijdig om worden. Karbaat had haar moeder beloofd dat hij een zaaddonor zeker zou screenen op erfelijke afwijkingen, zegt ze. Zo stond het ook in de informatiefolder van Medisch Centrum Bijdorp, merkte de Rotterdamse rechtbank in februari dit jaar op in een rechtszaak die draaide om het mogen vergelijken van Karbaats dna. In de brochure werd plechtig beloofd dat onder de donoren onderzoek naar ‘alle mogelijke verborgen afwijkingen’ zou plaatsvinden.

Het tegendeel is waar, zegt De Jong. ‘Karbaat heeft het bloed van mijn ­donorvader nooit onderzocht. Dat heeft hij mij zelf verteld toen ik voor zijn deur stond.’ De opname van dat gesprek kwam tijdens de rechtszaak in februari aan de orde. De rechtbank oordeelde dat Karbaat een janboel van zijn administratie had gemaakt, dat hij veel meer dan de afgesproken zes kinderen met het zaad van één donor had verwekt en dat hij het zaad van meerdere donoren mengde om een inseminatie te bewerkstelligen.

Nu is De Jong (39) een van de ruim vijftig donorkinderen die samen met enkele ouders van donorkinderen naar de rechter stappen. Ze eisen een schadevergoeding van de nabestaanden van Karbaat, die in 2017 overleed. Voor hen is het zonneklaar dat de arts afspraken over kunstmatige inseminatie heeft geschonden en over vele ethische grenzen is gestapt.

‘Mensen als ik zijn ziek geworden van onze donor’, zegt De Jong. Ze lijdt aan drie vormen van reuma, kreeg twee nieuwe knieën, heupen en schouders en haar polsen zijn vastgezet met platen en schroeven. Al haar tanden moesten worden getrokken, huilen kan ze niet meer.

Karbaat, zegt ze, heeft haar leven ‘verwoest’ nog voor het was begonnen. ‘Het is schandalig hoe hij heeft gehandeld. Mijn moeder zat nota bene in de verpleging. Ze heeft er juist op aangedrongen dat de donor ­medisch zou worden gescreend.’

Het gezonde kind dat haar ouders ­kregen voorgehouden, is ze niet geworden. Dus wil ze financiële genoegdoening: ‘Voor al het leed dat ik heb geleden en alles wat me nog te wachten staat.’

De kinderen van Karbaat: schadevergoeding

Voor Nederlandse donorkinderen lijkt sinds een paar jaar een doos van Pandora te zijn opengesprongen. Aangemoedigd door succesvolle verhalen van andere donorkinderen die hun biologische ­vaders achterhaalden, gaan ook zij op zoek naar hun verwekker. Daarvoor schrijven ze zich bijvoorbeeld in bij grote commer­ciële dna-databanken in de VS, in de hoop dat ze ooit gematcht kunnen worden aan iemand die zijn ­donor al heeft getraceerd.

De drempel om op zoek te gaan, werd in december vorig jaar verder verlaagd doordat donorkinderen die voor 1 juni 2004 zijn verwekt zich gratis mogen inschrijven in de Nederlandse KID-DNA ­Databank van Fiom, een instelling gespecialiseerd in afstammingsvragen. Dat geldt ook voor kinderen van wie de prilste wortels liggen in het Medisch Centrum Bijdorp, ongeacht hoe oud ze zijn.

Een groep halfbroers en halfzussen bereikte drie weken geleden een mijlpaal. Er ging een rechtszaak en het nodige geduld aan vooraf. Dankzij dna-onderzoek staat nu vast dat 49 van hen inderdaad zijn verwekt met het zaad van Jan Karbaat zelf, iets dat de arts tot zijn dood categorisch heeft ontkend.

Voor de donorkinderen die vanwege de sterke gelijkenissen met Karbaat en met elkaar toch al vermoedden dat ze van de arts afstammen, kwam zo een lange en emotioneel slopende zoektocht ten einde. Voor anderen betekent het dat ze weer van voor af aan kunnen beginnen. Nu Karbaat hun vader niet blijkt te zijn, zoeken ze verder naar de naamloze ­donor die in de jaren tachtig en ­negentig zijn potjes zaad in de kliniek in Barendrecht kwam afleveren.

En zij zijn zeker niet de enigen die worstelen met vragen over hun afkomst, zegt Ties van der Meer van de Stichting Donorkind. De laatste ­weken hebben meerdere donorkinderen en ouders zijn stichting benaderd. ‘Kinderen doen dat omdat ze vinden dat ze op Karbaat lijken. En ­ouders willen van ons advies over hoe ze hun kinderen moeten vertellen dat ze uit een spermakliniek komen. Sommige ouders besluiten toch maar wel, of eerder dan ze van plan waren, hun kinderen in te lichten.’

De ‘halfjes’ uit de kliniek: een andere emotie

Duidelijkheid over haar afkomst had bij Joyce Curiere zelfs een breuk met haar ouders tot gevolg. In het tv-programma Familie Gezocht kwam vijf jaar geleden tot haar stomme verbazing een vrouw voorbij die sprekend op haar leek: ze zag eruit en sprak precies zoals zij. Curiere en de onbekende vrouw deelden zelfs tatoeages op dezelfde plekken, zonder het van elkaar te weten. Curiere besloot een dna-test te doen – drie maanden later werd ze via de databank van Fiom aan haar nieuwe halfzus gematcht.

Haar ouders wilden er volgens ­Curiere niets van weten. Toen ze hen confronteerde met de uitslag van de dna-test, ontkenden ze dat er een zaaddonor in het spel was geweest. Uiteindelijk gaven ze toe, maar ­Curiere had haar biologische vader toen allang ontmoet.

De man, die zich naar buiten toe ‘Louis’ noemt, doneerde zeventien jaar lang en meerdere keren per week sperma, onder meer bij Karbaat. De teller bij de ‘Halfjes’, zoals zijn groep donorkinderen zich noemt, staat inmiddels op 61. Curiere: ‘Maar volgens Fiom moeten we niet gek op kijken als het er in werkelijkheid vijfhonderd blijken te zijn.’

Curiere verwijt haar donorvader en Karbaat niets. ‘Ik ben blij dat hij gedoneerd heeft en dat ik er ben. Ik vind niet dat ik iets van hem kan eisen.’

Haar donorvader heeft kenmerken van het syndroom van Asperger, zo kwam ze te weten. Dat meerdere kinderen in de Halfjes-groep volgens Curiere ­‘autistische trekken’ vertonen, vindt ze daarom niet verwonderlijk. ‘Zou je iedereen door de molen halen, dan zou driekwart wel een diagnose in die richting kunnen krijgen.’

Toch is er volgens Curiere en haar halfbroer Bjorn Hendriksen binnen hun groep weinig animo om een schadevergoeding te eisen, hoewel ze weten dat Karbaat hun vader nooit heeft gescreend. Al is volgens de Autismevereniging de kans ook klein dat Asperger waarschijnlijk destijds aan het licht was gekomen. Voor het stellen van deze diag­nose is uitgebreid psychiatrisch onderzoek nodig.

Curiere: ‘Ik kan 100 euro of 1 miljoen compensatie krijgen, maar daar verandert mijn situatie niet mee. Karbaat is dood en ik vind niet dat ik zijn nabestaanden hiermee kan belasten.’ Daarbij betwijfelt ze ook of je wel in alle gevallen kunt aantonen dat je ­donorvader jou een ziekte of aandoening hebt meegegeven.

Erfelijke afwijkingen: autisme, adhd en reuma

Toch zijn de donorkinderen die nu naar de rechter stappen, hiervan overtuigd. Bij zeventien van hen is een erfelijke ­afwijking geconstateerd die ze volgens advocaat Tim Bueters niet van hun moeder kunnen hebben gekregen. ‘Deze moeders zijn de afgelopen jaren allemaal onderzocht. De erfelijke afwijkingen komen alleen aan de kant van de ­donor voor.’

Volgens Bueters is bij de kinderen onder meer sprake van autisme, adhd, long­aandoeningen en bijzondere vormen van reuma. Twee van haar halfzussen uit de groep van ­Nathalie de Jong hebben volgens haar eveneens reuma via hun donor meegekregen, drie halfbroers vermoedelijk ook. De donor had zelf ook reuma, kreeg ze in een gesprek met zijn wettige kinderen te horen. Hij werkte destijds voor Karbaat en was door hem aangespoord om sperma te doneren. Een paar jaar geleden overleed hij, nog voor De Jong van zijn bestaan op de hoogte raakte.

Bueters erkent dat het niet eenvoudig was om in de jaren zeventig en tachtig onderzoek te doen naar erfelijke afwijkingen onder zaaddonoren. Bueters: ‘Maar dan nog had hij bij ­donoren beter kunnen doorvragen over hun medische geschiedenis. En het is gebruikelijk dat een donor in een vragenlijst moet invullen of erfelijke afwijkingen bij hem of in zijn familie voorkomen.’ Van die vragenlijsten is, zegt hij, niets terug te vinden in de archieven van Karbaat.

Sommige donorkinderen eisen ook een schadevergoeding voor de kosten die ze hebben gemaakt tijdens de zoektocht naar hun verleden. ‘Ik heb denk ik een kleine vakantie uitgegeven aan dna-onderzoeken’, zegt Joey Hoofdman, een van zijn bekendste kinderen.

Esther Heij, die in 1992 voor kunstmatige inseminatie bij Karbaat aanklopte, vertelt dat haar zoon Yonathan drie jaar studievertraging heeft opgelopen door de zoektocht naar zijn biologische vader en die van zijn zus Merel-Lotte. ‘Mijn zoon is een tijdlang alleen maar bezig geweest met de vraag: wie is mijn donor? Dat leidde tot een burn-out, waardoor hij jaren op school heeft verspeeld. Ik had bij Karbaat zwart op wit laten zetten dat mijn kinderen vanaf hun 16de contact konden zoeken met hun ­donorvader en dat hij niet anoniem zou zijn. Nu blijkt dat tegen alle afspraken in wel zo te zijn.’

De internationale tak: permanente onrust

Volgens Ties van der Meer van de Stichting Donorkind zijn meerdere gezinnen met donorkinderen ‘geëxplodeerd’, ­nadat het bestaan van een donorvader er bekend was geraakt. ‘Dat komt ook doordat het zo lang geheim is gebleven en ouders het zo lang bleven ontkennen. Sommige kinderen zijn overspannen geraakt of onder behandeling van een psychiater. Anderen hebben hulp nodig om hun familiebanden te herstellen.’

Van der Meer, zelf donorkind en sinds 2008 ook spermadonor: ‘Donorkinderen hebben serieuze hulp nodig om al die nieuwe familierelaties in hun leven te plaatsen. ­Niemand staat neutraal tegenover ­iemand die zo dicht bij je staat. ’ Er is sprake van permanente onrust.

Joey Hoofdman beaamt dit: ‘Niets in mijn leven klopte meer, nadat ik erachter was gekomen dat mijn vader niet mijn echte vader was. Je weet niet wie er nog meer familie van je is. Dat kan er zelfs toe leiden dat je geen contacten meer durft aan te gaan.’

Hoofdman vroeg zijn man een dna-test te doen om uit te sluiten dat de twee familie van elkaar zijn. Andere donorkinderen doen dit volgens hem ook bij hun familieleden en schoon­familie. Ze nemen het zekere voor het onzekere, ook omdat het soms bijna misgaat: leden van een groep donorkinderen zagen elkaar voorbijkomen op de dating-app Tinder, nog voordat ze van hun verwantschap wisten.

Van der Meer vindt dat de overheid een fonds zou moeten oprichten voor donorkinderen, ook met het oog op wat nog komen gaat. Daarvan zou bijvoorbeeld contact tussen donorkinderen en hun nieuwe familie kunnen worden betaald, evenals psychische hulp die kinderen nodig hebben.

Minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laat weten dat donoren en donorkinderen voor begeleiding terechtkunnen bij Fiom, en eventueel ‘gebruik kunnen maken van het reguliere zorgaanbod’.

Van Oostenrijk tot Miami

Inmiddels zijn meerdere donor­kinderen naar de rechter gestapt om de naam van hun donorvader te achterhalen. Een groep wil van het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem weten wie er schuilgaat achter de donor met codenaam K34. Advocaat Bueters staat daarnaast negen kinderen bij die hun anonieme donor van het ­Medisch Centrum Kinderwens in ­Leiderdorp proberen te achterhalen.

Hoofdman en de 48 andere Karbaat-kinderen hebben er onlangs weer een halfzus bij gekregen. En volgens Bueters is het wachten op de eerste buitenlandse nazaten van Karbaat: van de arts is bekend dat hij ook zaad verhandelde in Oostenrijk, Duitsland, België, Scandinavië en aan een kliniek in Miami, Florida. De gematchte kinderen in Nederland zijn daarom het topje van de ijsberg, voorspelt de advocaat.

‘De aandacht in de media richt zich nu erg op Karbaat’, zegt ook Van der Meer, ‘maar neem van mij aan dat er ­komende jaren nog veel meer over ­andere klinieken naar buiten gaat ­komen.’

Het kanteljaar is 2004

Tot 2004 zijn naar schatting 40 duizend donorkinderen in Nederland geboren. Een deel van hen probeert achter hun biologische vader te komen door zich in te schrijven bij dna-databanken. Van belang is of de kinderen voor of na 1 juni 2004 zijn verwekt. Gebeurde dat na die datum, dan heeft een kind het recht de persoonsgegevens van zijn donor op te vragen. De donor kan hiertegen bezwaar ­maken, maar de belangen van het kind staan voorop. Donoren die tot 2004 actief waren en geheimhouding hebben afgesproken met hun kliniek, kunnen er alsnog voor kiezen open te staan voor een ontmoeting met de kinderen.

Lees hier het nieuwsbericht over de ruim vijftig kinderen die verwekt zijn met donorzaad uit de kliniek van Jan Karbaat. De kinderen stappen nu naar de rechter. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden