De doe-het-zelf-maatschappij

In de nieuwe maatschappij is individualisering ons lot: we moeten zelf onze levensloop ontwerpen, en de verwaarlozing van kinderen dreigt het grote probleem te worden....

EEN SPOOK waart rond in Europa, de geest van Oswald Spengler. De ondergang van het Avondland lijkt onafwendbaar. De Duitse geschiedfilosoof voorspelde dat onze abendländische, westerse beschaving omstreeks het jaar 2000 ophoudt te bestaan. Elke beschaving immers, aldus Spengler, kent zijn periode van bloei, waarin godsdienst en traditie de mens op het juiste pad houden en het platteland of de kleine stad de toon aangeven. De verstarring en de ontbinding treden onherroepelijk in wanneer de wereldstad het gehele leven van het land in zich opzuigt.

Spengler schreef zijn bestseller De ondergang van het Avondland aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Dat Europa toen in een depressieve gemoedstoestand verkeerde, was nauwelijks verwonderlijk. Miljoenen doden in de loopgraven, miljoenen verminkten en ontwortelden, revolutie van Petersburg tot Berlijn. Hoe ver weg was die beschaafde 19de eeuw, waarin de voorwaarden voor een net burgermansleven (gas, stromend water, licht, onderwijs, kiesrecht, ongevallenverzekering, 48-urenweek, persvrijheid) binnen ieders bereik leken te komen?

Nu hebben we andere problemen - inderdaad, de problemen van de wereldstad die voorgoed een eind heeft gemaakt aan het gezellige dorpsleven, waarin men de hoed licht als men een voorbijganger op het trottoir laat passeren. Oom agent wordt uitgescholden voor 'kankerwout', als hij tenminste niet in elkaar geslagen wordt. In het bushokje hangen de blote tieten in kingsize-formaat, als het al geen plassende vrouwen zijn. De argeloze tv-kijker loopt tegen middernacht de kans op een blik in het vrouwenkruis. En dan hebben we het nog niet eens over de hond als medemens, die bij wijze van allerindividueelste expressie van zijn allerindividueelste emoties onaangelijnd het publieke domein aan zich mag onderwerpen.

De brute en brutale kant van het moderne leven roept terecht weerzin op. Menigeen ziet er moreel verval in, zelfs het einde van onze beschaving. Zo simpel is het niet. Want ons probleem is tegelijkertijd onze dierbaarste verworvenheid: de ongekende vrijheid waarin we leven. De vrijheid die we nu op elk gebied van het leven hebben, was één, twee generaties geleden nog volstrekt onvoorstelbaar.

Nog maar kort geleden was de ruimte voor het individu letterlijk beperkt. Er was een kamer voor de jongens, een kamer voor de meisjes, een keuken, een woonkamer. Behalve vader en moeder, broers en zusters, woonde grootmoeder in, een dienstmeid misschien, of een zwakbegaafde oom. Op school zat je met 47 andere kinderen in de klas, kinderen temidden van wie je niet uit de toon wilde vallen, op straffe van uitsluiting en vernedering. Ook het werk werd in onmiddellijke aanwezigheid van collega's, bazen en bovenbazen verricht, waarbij het bezoek aan het privaat tot een minimum diende te worden beperkt. Verspilling van velletjes wc-papier kon gemakkelijk als laksheid worden uitgelegd.

We leven in een nieuwe maatschappij, die niet in de pijn van revolutie of oorlog is geboren, maar sluipenderwijs, op kousenvoeten, de oude orde heeft verdrongen. Het was geen breuk, maar een versnelling en een intensivering van het moderniseringsproces. Dit eeuwenlange, typisch Europese traject van modernisering hield een belofte en een opdracht tegelijk in: de realisatie van de soevereiniteit van het individu. Een weg terug naar de tijden van koningin Victoria of vadertje Drees is niet alleen onmogelijk, maar ook onwenselijk.

Toch is individualisering een gedwongen, onontkoombaar proces, geen slechte eigenschap of persoonlijke keuze. Het is enerzijds de ontbinding van het leven onder de industriële verhoudingen, met zijn klassen, standen, gezinshiërarchie en sekserollen, en anderzijds de constructie van nieuwe levensstijlen, waarin de mensen hun levensloop zelf moeten ontwerpen. Vrijheid en onzekerheid zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Individualisering is dus een lot dat we allen delen, tegen wil en dank.

Je zou onze hedendaagse, westerse maatschappij kunnen omschrijven als een doe-het-zelf-maatschappij. Minder dan ooit hebben we houvast aan morele kaders, meer dan ooit moeten we de inrichting van ons leven zelf ter hand nemen. Onze identiteit wordt veel minder dan vroeger bepaald door onze geografische of sociale herkomst. De vraag 'wat doet je vader?' wordt zelden meer gesteld. In de doe-het-zelf-maatschappij moeten harde keuzen worden gemaakt. Er moet permanent worden onderhandeld, strijd geleverd - zowel thuis als op het werk. We krijgen al gauw het gevoel in alle arena's van het moderne leven tekort te schieten, of iets gemist te hebben.

In de doe-het-zelf-maatschappij hebben tradities en conventies geen vanzelfsprekendheid meer: je moet ze bewust uitzoeken, of zelf maken. Autoriteiten en ideologieën hebben nauwelijks invloed. De kerk en de politiek zijn naar binnen gericht, vooral met zichzelf bezig. De elite, zo er nog überhaupt sprake is van een leidende klasse in het openbare leven, laat het afweten. Het morele gezag van het gezin en de school is sterk verzwakt. De moraal wordt ons niet meer van buiten aangereikt, of voorgeleefd, we moeten hem zelf in elkaar knutselen. Daarom zijn we onophoudelijk bezig met morele en ethische kwesties: via de pers, talk-shows, soaps, in gesprekken op het werk en met vrienden.

Mensen beschikken van nature over een moreel bewustzijn, ze kunnen onderscheid maken tussen goed en kwaad. Morele categorieën als sympathie, eerlijkheid, zelfdiscipline en compassie zijn universele menselijke eigenschappen, geen aangeleerde sociale strategieën. Uiteraard moet het morele bewustzijn wedijveren met andere menselijke drijfveren als overlevingsdrang, bezitsvorming, seksualiteit, het vergaren van macht. De uitkomst van deze strijd hangt af van ons karakter en de omstandigheden waarin we leven, maar ook van het culturele klimaat.

In de doe-het-zelf-maatschappij wordt het moment dat mensen beseffen dat ze het leven niet in hun eentje aankunnen, steeds verder uitgesteld. Alles lijkt onder controle. Iedereen heeft zijn eigen leefruimte en zijn collectief georganiseerde sociale zekerheid. 'Luxedeugden' als eerlijkheid, voor jezelf opkomen en onafhankelijkheid staan dan ook meer op de voorgrond dan de aloude christelijke opofferingsgezindheid, discipline, plichtsbesef of naastenliefde.

Voor het ontwikkelen van deugden als eerlijk delen, verantwoordelijkheidsgevoel en zelfbeheersing is een gezond gezinsleven onontbeerlijk. De samenhang tussen gebrek aan succes op school, vatbaarheid voor ziekten, ontsporing en criminaliteit en een gebroken of slecht functionerend gezin is vandaag de dag veel sterker dan die tussen probleemgedrag en positie op de maatschappelijke ladder. Het gezin is echter geen vanzelfsprekendheid meer, maar een 'optie' en het huwelijk een contract dat naar believen opengebroken of opgezegd kan worden.

D E VERHOUDING tussen onze persoonlijke vrijheid, de relatie met onze partner en kinderen, tussen thuis en werk, kent geen vast patroon meer, maar is een identiteitskwestie geworden, die ons permanent in beslag neemt. De relatie moet steeds opnieuw worden uitgevonden. De chaos van vrije keuze en echte, onbaatzuchtige liefde vraagt om voortdurende bevestiging en organisatie.

Mannen kunnen en zullen zich niet verzetten tegen het streven van vrouwen naar economische zelfstandigheid. Maar mannen zullen niet meer tijd aan het huishouden en de kinderen besteden. Want dat betekent inleveren van schaarse vrije tijd of arbeidstijd. Daarmee komt de zorg voor het huishouden en de kinderen in een politieke arena terecht.

In The Time Bind beschrijft de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild hoe deze strijd zich voltrekt. Ze onderzocht de verdeling tussen, werk, vrije tijd en huishouden in een groot, modern en vrouwvriendelijk bedrijf, waar de kinderopvang goed geregeld was en er volop mogelijkheden waren om korter te werken, en waar ook mannen rond de geboorte van hun kind verlof konden opnemen.

Van dat korter werken kwam niets terecht, integendeel. Door zo hard en lang mogelijk te werken, probeerden man en vrouw de ander voor het huishouden en de opvoeding te laten opdraaien. Dat thuiswerk begon steeds meer op de klassieke film Modern Times (1936) te lijken, met de te snel lopende band waarvan Charlie Chaplin uiteindelijk krankzinnig werd. Het werk thuis werd steeds meer gezien als een second shift, een tweede ploegendienst.

Hochschild concludeert dat mensen over het algemeen de neiging hebben meer tijd te besteden aan datgene waaraan ze de meeste waarde toekennen en ontlenen. De tijd die aan menselijke relaties wordt besteed, neemt gestaag af. In de culturele strijd tussen thuis en werk, wint het werk.

De werkplek is veel spannender, met zijn ontwikkeling van vrijages, jaloezieën, vriendschappen en bondgenootschappen. Maar het werk is ook steeds meer een emotionele compensatie voor een destabiliserend gezinsleven. Het kantoor wordt een gezinsvervangend tehuis, waar de collega's de vrienden en verwanten vervangen. Binnenkort krijgen we de SIRE-spot 'Wie is die mevrouw die 's zondagmiddags het onkruid komt wieden?'

Natuurlijk kun je je afvragen waar de ouderwetse solidariteit is gebleven, nu vandaag de dag iedereen vooral bezig is zichzelf te realiseren. Maar je moet die solidariteit niet terug willen roepen uit de tijd van de industriële arbeidsverhoudingen. Deze werden immers ondersteund door feodale verhoudingen tussen man en vrouw. De man kon uit werken gaan in fabriek of kantoor bij de gratie van het thuisblijven van zijn vrouw, die voor hem en de kinderen zorgde. In ruil voor deze zorg onderhield de man zijn vrouw, die zo van hem afhankelijk bleef.

Het is een onhoudbare situatie gebleken. Vrouwen zijn immers gedwongen een onderwijs- en beroepsloopbaan te doorlopen, in en achter hun huwelijk en moederschap, want de man voor het leven bestaat niet meer, en de baan voor het leven al helemaal niet.

Dat neemt niet weg dat de strijd tussen de seksen lang en bitter zal zijn, en vele slachtoffers zal eisen. Terwijl haar afhankelijkheid van haar echtgenoot als kostwinner de animo van de vrouw om te scheiden beperkte, maakt nu de financiële onafhankelijkheid van de vrouw de dreiging van een scheiding van haar kant reëel. Gegeven de juridisch zwakkere positie van de man ten opzichte van zijn kinderen, loopt hij een groot risico als vader in de marge te verdwijnen.

In sommige subculturen - kijk naar de Bijlmer, maar ook naar Moskou of de sloppenwijken van Parijs, Londen, Washington - ontstaat al een nieuw soort matriarchaat: een huishouden waar de vrouw zowel kostwinner is als verzorgster van de kinderen. De - veelal laaggeschoolde mannen - raken gemarginaliseerd, ook al doordat zij weinig kans hebben op deelname aan het reguliere arbeidsproces. Het enige voorbeeld dat zij als vader geven, is het wijzen van de verkeerde weg: naar een asociaal, vaak crimineel bestaan als randfiguur.

H ET GROTE sociale probleem van de komende tijd zal dan ook de massale verwaarlozing van de kinderen zijn. Steeds meer kinderen, in alle lagen van de maatschappij, groeien op in een liefdeloze, onveilige, verontrustende omgeving, raken daardoor ontspoord, veroorzaken maatschappelijke problemen en planten dit patroon vervolgens voort in een volgende generatie. Terugkeer naar de feodale patriarchale verhoudingen is, zoals gezegd, uitgesloten. Psychologische en materiële ondersteuning van overheidswege is gewenst, maar nooit voldoende. De enige oplossing ligt in de constructie van een nieuw, egalitair gezin, maar die evolutie kan nog wel generaties op zich laten wachten.

Mensen ontlenen hun identiteit steeds minder aan hun achtergrond en steeds meer aan hun manier van leven. De hedendaagse mens herkent men aan zijn vrijetijdsbesteding en consumptiepatroon. De consumentenvrijheid wordt daarmee tot een fundamenteel burgerrecht, voor veel mensen van meer belang dan het recht op zinvolle arbeid.

Maar deze vrijheid van consumeren brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee, voor de gevolgen van het consumeren. Gevolgen voor het leefmilieu maar ook voor onze particuliere gezondheid. We zijn voortdurend bezig met de risico's van ons eigen handelen. Consumeren is hiermee in feite een 'politieke' activiteit geworden. We zijn als het ware beland in een economie van het verantwoorde leven. Want we moeten in de doe-het-zelfmaatschappij voortdurend nadenken over onze acties en hun gevolgen voor onze carrière, de kwaliteit van ons samenleven, onze gezondheid en het leefklimaat. In het morele gesprek is de scheiding tussen het publieke en het privédomein weggevallen.

Terwijl het persoonlijke leven dus steeds sterker moreel en politiek geladen wordt, neemt de betekenis van het domein van de officiële politiek, de nationale staat, snel af. In de ogen van jongeren, de kinderen van de vrijheid, is de staat een oudemannenhuis, de ziekenfondszone van de maatschappij, waar je als zelfstandig, kansrijk individu niets te zoeken hebt. Het is een gesloten circuit van politiek en ambtelijk personeel, van gesubsidieerde instellingen en noodlijdende bedrijven, dat zichzelf in stand houdt, maar waarvan geen enkel maatschappelijk initiatief of publiek ondernemerschap uitgaat.

De jonge generaties hebben de les van Oost-Europa geleerd, waar de politiek van het verlaten van de staat het hele staatsbedrijf ineen deed storten. Ook in het Westen stemmen de jongeren met hun voeten, ze worden geen lid meer van partijen en vakbonden, ze gaan niet meer werken bij de overheid. Dat is geen kwestie van gebrek aan engagement, want met Greenpeace, Artsen Zonder Grenzen en Milieudefensie gaat het uitstekend. Via Internet wordt actie gevoerd en solidariteit georganiseerd. Jongeren realiseren zich dat je je moet handhaven in het maatschappelijk verkeer, dat je moet zien te overleven en kansen moet grijpen als ze zich voordoen. Ze zijn praktisch, opportunistisch en passen zich veel beter dan oudere generaties aan nieuwe omstandigheden aan.

Zelfontplooiing en democratie liggen in elkaars verlengde, we hoeven helemaal niet rouwig te zijn om de terugtocht van de nationale partijpolitieke pretenties. De nieuwe vrijheidsmaatschappij kan misschien ook eindelijk eens afscheid nemen van de obsessie van de klassiek-moderne maatschappij, waar alles groter, sneller en meer moest zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden