De diertjesinjectie

Wat doen we als het slecht gaat met een diersoort? Dan proberen we het bestand aan te vullen, zoals je een oude auto bijtankt.

'Mooi hè.' Een zestal grijsblauwe beestjes - voor het oog een soort pissebedden, maar dan onder water - doen Fabrice Ottburg breed glunderen. Als hij de zaklantaarn op de volgende waterbak richt, proberen de ouders van het grut uit beeld te schuifelen. Die hebben weliswaar niet de allure van een restaurantkreeft, maar de ferme scharen laten geen twijfel over de verwantschap. Met hun 15 centimeter zijn deze Europese rivierkreeften onze eigen inheemse gamba's.


In de pan gooien zou een overtreding betekenen van de Flora- en faunawet. De Europese rivierkreeft is met stip de sterkst bedreigde diersoort van Nederland, aldus Ottburg. In een kleine, geïsoleerde vijver bij Arnhem leeft de laatste populatie, van naar schatting zo'n zeshonderd dieren. Kanalisatie van waterlopen en een achteruitgang van de waterkwaliteit betekenden in de vorige eeuw een flinke aderlating voor de soort; de kreeftenpest deelde de genadeklap uit.


Die schimmelziekte kwam mee met verschillende soorten Amerikaanse rivierkreeften die via aquaria en tuinvijvers in onze poldersloten belandden. De exotische kreeften, inmiddels wijdverspreid in Nederland, zijn drager van de ziekte maar ondervinden er zelf nauwelijks hinder van. Europese rivierkreeften daarentegen leggen massaal het loodje als ze met de schimmel in aanraking komen.


Het lot van de laatste autochtone rivierkreeften hangt aan een zijden draadje. 'Eén besmet visnetje en het kan afgelopen zijn', zegt Ivo Roessink. 'Of er is iemand die dit leest, en denkt: ik zal die arme beestjes eens helpen, bij mij in de sloot zitten ook rivierkreeften, die gooi ik er wel bij. Ongetwijfeld zijn dat de Amerikaanse verwanten; dan is het afgelopen. Zo is de voorlaatste populatie waarschijnlijk aan zijn eind gekomen. Zeshonderd dieren lijkt wel heel wat, maar die ziekte is verschrikkelijk virulent. Binnen een dag liggen ze op hun rug.' Ottburg noemt het een wonder dat het al zo lang goed gaat.


Ottburg en Roessink, beiden verbonden aan instituut Alterra in Wageningen, hebben samen met de stichting Geldersch Landschap en twintig andere partners het plan opgevat de Nederlandse Europese rivierkreeft te redden van de bijna onvermijdelijke ondergang. 'Ons eerste doel is, de soort uit de gevarenzone halen', zegt Ottburg. Uit het oogpunt van risicospreiding willen de initiatiefnemers de kreeft de komende vier jaar uitzetten in tien geisoleerde plassen in het oosten en zuiden van het land, het oorspronkelijke leefgebied van de soort. Om de benodigde dieren bij elkaar te krijgen, is een tussenstap nodig: nieuwe grondleggers voor populaties kweken. 'We kunnen niet blijvend kreeften gebruiken van die laatste populatie, dan trekken we die leeg', aldus Ottburg.


Op proef zijn daarom in de vijver bij Arnhem zes volwassen dieren gevangen die de basis gaan vormen voor een fokgroep. Afgelopen jaar hebben die in de aquaria in een schuur op proefterrein de Sinderhoeve, vlak bij Renkum, netto - ze zijn kannibalistisch - voor tweehonderd jonge rivierkreeftjes gezorgd. Buiten zijn drie sloten ingericht van zo'n 12 meter lang en gevuld met waterbeestjes uit de vijver bij Arnhem. Die dienen als voer om de jongen groot te laten worden. Over die slootjes is een gazen kooi gebouwd, in combinatie met een paddenscherm. Het resultaat is een soort kippenren die moetvoorkomen dat de rivierkreeften over land ontsnappen of dat reigers zich eraan te goed doen. Verder nemen de initiatiefnemers de genetische opmaak onder de loep én wordt de speurtocht gestart naar geschikte uitzetvijvers, uiteraard zonder Amerikaanse rivierkreeften.


Hebben de tien nieuwe populaties zich eenmaal in deze plassen gevestigd, dan volgt na een jaar of drie, vier de volgende stap: herintroductie van de Europese rivierkreeft in twee nog te selecteren beekdalen, waardoor de soort weer serieus deel gaat uitmaken van de vaderlandse natuur. Door de benedenstroomse aanleg van zogeheten kreeftendrempels of andere barrières moeten die beken dan wel gevrijwaard blijven van Amerikaanse rivierkreeften.


Rode lijsten

'Wat we doen, valt onder het kopje 'tuinieren in de natuur'', vindt Ottburg. 'De herintroductie in twee beken vind ik een voorwaarde om dat te rechtvaardigen. Critici zullen zeggen: je zet ook geen volières met zeearenden in het Lauwersmeer. Maar er is een duidelijk verschil: de zeearend vliegt half Europa door; de rivierkreeft is juist helemaal niet mobiel. Als je die kreeft niet een beetje helpt, komt hij nooit meer in potentieel geschikte leefgebieden. Maar over pakweg tien jaar moeten we hier wel mee klaar zijn. Het kweekprogramma mag geen permanente back-up worden voor de Europese rivierkreeft in Nederland. Dit mag geen dierentuin worden.'


Stel: een diersoort dreigt in Nederland uit te sterven. Geen hypothetische aanname, want er zijn rode lijsten vol beesten waarmee het slecht gaat. En dan is Nederland verplicht alles op alles te zetten om de soort te behouden, want Nederland heeft zich gecommitteerd aan de internationale conventie voor bescherming van de biodiversiteit en Brussel eist van alle lidstaten dat ze zuinig zijn op hun inheemse dieren.


Maar hoever gaat de menselijke bemoeienis? Als fanatieke natuurbeschermers het lot van hun favoriete dier gaan sturen, vervaagt soms de grens tussen dierentuin en natuur. Meestal gebeurt dat met aansprekende, schattige of markante soorten. Neem de moeder aller dierfokprogramma's in Nederland: het succesvolle project dat de Vogelbescherming eind jaren zestig opzette voor de ooievaar. Het aantal broedparen was destijds op de vingers van een hand te tellen. In ooievaarsdorp Het Liesveld werd met een gericht programma - later volgden meer fokstations - de basis gelegd voor de huidige circa zevenhonderd broedparen.


Die dieren leven allemaal in het wild, maar zijn wel anders wild dan voorheen. Onze originele ooievaar zocht in de winter zijn heil in Afrika, maar vooral de eerste nazaten van het fokprogramma trotseerden sneeuw en ijs. Waarschijnlijk hadden ze van hun gekortwiekte ouders de trek niet van huis uit meegekregen; bovendien werden ze bijgevoerd. Inmiddels vertrekt weer een deel van de ooievaars naar het zuiden, ook al is er geen noodzaak toe. Uit dierenliefde worden, vooral bij de oude fokstations,de ooievaars de winter door geholpen met kipfilets en eendagskuikens, hoewel de Vogelbescherming dat inmiddels afwijst.


Het langstlopende officiële programma ondersteunt de hamster, beter bekend onder zijn Limburgse naam korenwolf. In 1999 stond dit beestje op het punt uit Nederland te verdwijnen. Dankzij kordaat optreden van Jaap Dirkmaat in de media werden de overgebleven vijftien hamsters gevangen, waardoor de laatste wilde populatie verdween. Na wat omzwervingen - een deel van de hamsters logeerde in het proefdierencentrum van de Radboud Universiteit - belandden de dieren in de dierentuinen Blijdorp in Rotterdam en Gaia-Zoo in Kerkrade.


Met de daar gefokte nakomelingen werden op zes plekken in Limburg nieuwe populaties gesticht. Volgens Maurice La Haye, thans medewerker van de Zoogdiervereniging, die komend jaar promoveert op deze reddingsactie, zijn er inmiddels weer zes- tot zevenhonderd hamsters in het wild - allemaal afstammelingen van de dertien jaar geleden gevangen dieren, aangevuld met enkele Belgische en Duitse exemplaren.


Het fokken heeft volgens hem niet geleid tot gedragsveranderingen. 'Er wordt vaak gezegd dat er in Midden-Europa nog heel veel hamsters zijn, maar ook daar gaan de aantallen in schrikbarend tempo achteruit. De Nederlandse populatie is de enige stabiele in Europa', aldus La Haye. Toch ligt het project, dat een paar ton per jaar kost, nog steeds aan het infuus. Elk jaar worden tientallen dieren bijgeplaatst, vooral ter versterking van de genetische diversiteit. Bekend is dat deze gefokte nieuwkomers het moeilijk hebben in de vrije natuur; meer dan de helft van de net uitgezette hamsters is na korte tijd dood.


Dat is niet uitzonderlijk bij uitzet-experimenten. Het Nationaal Park De Hoge Veluwe zet sinds 2007 per jaar gemiddeld vijftig gefokte korhoenders uit, terwijl de precieze oorzaken van het verdwijnen van deze soort nog onduidelijk zijn. Het uitzetten heeft tot nu toe geen aanwijsbaar succes. Onderzoek wijst uit dat de uitgezette dieren, die zijn opgegroeid in een soort kippenrennen, eerst bij huis en later op de hei, al snel eindigen in de buik van vossen en vooral haviken. Een vergelijkbaar experiment, eind 2009 op de Regte Heide bij Tilburg, liep vergelijkbaar af. De 26 van een zender voorziene vogels (van in totaal 43) waren binnen een paar weken dood. Toch moet formeel bij een dergelijke herintroductie 'het welzijn van de betrokken dieren worden afgewogen tegen de positieve ecologische effecten'.


Rand van de afgrond

Die positieve effecten zijn er soms wel degelijk. Ben Crombaghs van Bureau Natuurbalans in Nijmegen trok de geelbuikvuurpad, een bewoner van het Limburgse heuvelland, weg van de rand van de afgrond. 'In 2004 kwam er een oude mergelgroeve vrij. Het idee ontstond om daar een nieuwe populatie te beginnen. We waren al twintig jaar bezig met habitatherstel voor deze soort, maar zonder veel succes. De geelbuikvuurpad kachelde langzaam achteruit, en er waren nog maar zo'n 150 dieren. Door die herintroductie, later ook in andere groeven, ontdekten we wat we al die jaren fout hadden gedaan. Zo kwamen we er achter dat de geelbuik erbij gebaat is dat zijn poelen af en toe droog staan, anders krijgt hij te veel concurrentie, onder meer van andere amfibieën. Inmiddels zijn er weer zo'n achthonderd. En dankzij de nieuwe inzichten zijn we nu met een derde van de kosten drie keer zo effectief.'


Crombaghs is ook nauw betrokken bij een ander zorgenkindje: de knoflookpad. Op verschillende plaatsen in Nederland werden vorig jaar 24 duizend paddenvisjes opgekweekt, uit eitjes die afkomstig zijn uit het hele verspreidingsgebied. Een deel daarvan gaat terug naar het water van herkomst; de rest wordt gebruikt voor herintroducties en het opzetten van een fokgroep. 'Veel van de veertig populaties bestaan nog maar uit een paar dieren. Wellicht spelen genetische problemen, zoals inteelt, een rol bij de sterke achteruitgang. Dat kunnen we wel eerst gaan onderzoeken, maar dan ben je jaren verder. Dan zijn ze zeker uitgestorven', aldus Crombaghs. 'Dan moet je knoflookpadden uit bijvoorbeeld Polen gaan halen, en dat willen we niet.'


Dus is er voor tienduizenden euro's per jaar een kweekprogramma opgezet, dankzij de inzet van veel vrijwilligers, met dieren van zo veel mogelijk verschillende herkomstgebieden in Nederland. Het programma moet de genetische variatie die er nog is optimaal benutten. 'Er moet duidelijk perspectief zijn', meent Crombaghs. 'Het heeft geen zin te investeren in een infuussituatie terwijl de populatie toch langzaam uitdooft.' Aan de andere kant: bij slechte verspreiders, zoals amfibieën die niet makkelijk geschikte leefgebieden bereiken, is het zaak ze een handje te helpen. Crombaghs: 'Het is zoeken naar de gulden middenweg tussen authentieke natuur en menselijk ingrijpen. En dat tegen acceptabele beheerskosten.'


Opvallend is dat vooral amfibieliefhebbers enthousiaste vermeerderaars zijn. Met kikkers, padden en salamanders is fokken ook een stuk eenvoudiger dan met pakweg korhoeders of hamsters. Zo besloot Ravon (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland) afgelopen zomer tot de actie SOS Vuursalamander, nadat in het Limburgse hellingbos opvallend veel van deze zeldzame dieren dood werden gevonden. Onderzoek kwam op gang om de oorzaak te achterhalen, maar in afwachting van de uitslag werd in allerijl besloten alle volwassen exemplaren waarop men de hand wist te leggen weg te vangen voor een kweekgroep. Die daadkracht was nodig, aldus Ravon, om tijd te winnen. Anders kon de vuursalamander ons ontvallen voordat de aard van de bedreiging duidelijk was en kon worden bestreden. Het blijft nu bij dertig fokdieren, die mogelijk onderdak krijgen in de Amsterdamse dierentuin Artis en in Kasteelpark Born.


Antibiotica

'Dertig dieren weghalen uit die kleine populatie, is een enorme aderlating', zegt Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie aan Wageningen Universiteit. 'Dat wordt natuurlijk gedaan met de beste bedoelingen, maar ik zet bij dit soort reddingsacties grote vraagtekens.' Wat gebeurt er bijvoorbeeld, filosofeert hij, als er een infectie uitbreekt in de fokgroep? 'Ga je dan antibiotica geven? Dat zal de weerstand van hun nakomelingen sterk aantasten. Die nakomelingen hebben nauwelijks overlevingskans wanneer ze buiten worden uitgezet.'


De oorzaak van de achteruitgang kan een ziekte zijn, zeker. 'Maar ik begrijp ook dat het beekwater een opvallend hoog nitraatgehalte heeft. Wellicht door de landbouw. Of, dat kan ook, door de natuurlijke veroudering van het hellingbos waar de dieren leven. Als dat zo is, dan moet het beheer anders, wat dan weer ten koste gaat van andere soorten. De vuursalamander is een mooi en aantrekkelijk beest, maar er leven in dat bos honderden andere soorten. Die zijn net zo goed van belang voor het ecosysteem van deze hellingbossen, alleen kijkt niemand naar ze om.'


Of je soorten moet redden door ze aan een kweekprogramma te onderwerpen, noemt Berendse 'een duivels dilemma'. 'Ik begrijp de redenen wel, maar ik verzet me tegen dit soort technocratisch denken; gedoe over doelsoorten en natuurdoeltypen. Het is ook een ethisch dilemma. Hoe wil je omgaan met de natuur?'


Berendse streeft dan ook naar een andere aanpak, met grote eenheden natuurgebied en cultuurlandschap waar randvoorwaarden als waterhuishouding en milieukwaliteit in orde zijn en waar de natuur haar eigen boontjes mag doppen. 'Dan kan het gebeuren dat er weleens een soort verdwijnt. Met het korhoen is dat in Nederland vrijwel overal gebeurd, het areaal van deze soort is snel aan het verschuiven. Daar staat tegenover dat de kraanvogel is teruggekeerd door vergroting en verbetering van de randvoorwaarden in het Fochteloërveen. Mensen hebben de neiging vast te houden aan de soorten die ze kennen uit hun jeugd; maar ze erkennen niet de dynamiek van de natuur, die vaak veel groter is dan wij denken.'


FOKWILD

Rommelen met de natuur zit de mens in het bloed. De Nederlandse natuur is de afgelopen jaren op tal van plekken 'verrijkt' met thuis gefokte vroedmeesterpadden, muurhagedissen en zelfs boomkikkers met Kroatische wortels. Lang was het mogelijk gefokte moeflons, wilde zwijnen of fazanten in jachtgebieden uit te zetten. Dat is inmiddels verboden. Wildkwekerij 't Zinkske in de Peel, die onder meer hazen aanbiedt die - doorgaans - niet verder weg lopen dan 500 meter, zegt 'nagenoeg' geen Nederlandse klandizie meer te hebben.

VERGUNNING VEREIST

Amfibieën zijn populair

Om dieren uit te zetten in de natuur is een vergunning nodig van het ministerie van Economische Zaken. Uit het overzicht over de afgelopen tien jaar wordt duidelijk dat vooral amfibieën populaire fok- en uitzetdieren zijn. Van knoflookpad, boomkikker en geelbuikvuurpad worden elk jaar duizenden tot tienduizenden gekweekte kikker- en paddevisjes teruggebracht naar de natuur; voor de vuursalamander en de Europese rivierkreeft zijn kweekprojecten in voorbereiding.


Opvallende afwezige op de lijst met vergunningen is de hamster. Elk jaar worden enkele tientallen dieren toegevoegd aan de al bestaande populaties, maar dat gebeurt zonder vergunning.


Wel op de lijst: vijftig steuren die in 2012 zijn uitgezet. Dat was een symbolisch project om te vieren dat de grote rivieren weer kansen bieden voor trekvissen. De steur wordt niet genoemd in de Visserijwet, die soepeler regels hanteert voor het uitzetten van gekweekte dieren. Hengelsportverenigingen mogen dan ook zonder vergunning gefokte karpers en spiegelkarpers in hun visvijvers loslaten, doorgaans wel na overleg met visstandbeheercommissies. Daarnaast wordt de Visserijwet gebruikt voor het terugbrengen van zeldzame vissoorten. Zo zijn in 2009 en 2010 enkele duizenden gekweekte kwab-alen door Sportvisserij Nederland geherintroduceerd in de Beerze, een beek in Brabant.


Afgelopen zomer besloot Deltapark Neeltje honderd in het aquarium uit het ei gekropen hondshaaien uit te zetten in de Oosterschelde, waar ze van nature voorkomen. De provincie stemde in, maar na de eerste twintig haaitjes trok het Nationaal Park Oosterschelde aan de bel. Was de natuur hier wel mee gediend? Het project werd afgeblazen. Om overbevolking te voorkomen worden voortaan de haaieneieren uit de aquaria geschept.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden