De dictator van Marbella

De maffia dreigt zijn eigen deelstaat te krijgen in Spanje: een strook van vijftig kilometer aan de Costa del Sol....

OP DE KADE van de jachthaven bieden de grootste Mercedessen, de dikste BMW's en de duurste Jaguars en MG's tegen elkaar op. Zelfs het autoverhuurbedrijf vlak bij de pier doet aan het spel mee en heeft louter Ferrari's en Porsches voor de deur staan. In het water een verzameling boten die de fantasie overtreft. In de hoek een rij van zo'n vijftien jachten die hun best doen in omvang de Titanic te evenaren, stuk voor stuk voorzien van de vlag van het belastingparadijs Gibraltar. Een enkele eigenaar heeft zijn reusachtige schotelantenne even op de wal geïnstalleerd.

Welkom in het walhalla van de poenerigheid. Wie het breed heeft, moet het breed laten hangen, en op weinig plekken kun je het breder zien hangen dan in Puerto Banús, de fonkelnieuwe jachthaven van Marbella. Ook de jongens en meisjes die hun weelde hier zo gretig tentoonspreiden, verdienen een overtreffende trap: nergens zie je ze zo met goud behangen en zo dik opgemaakt.

Het grote geld is welkom in de parel van de Costa del Sol, die onvermoeibaar uitbreidt om nog meer vermogenden aan te trekken. Overal in Marbella wordt gebouwd, nieuwe urbanizaciones verrijzen, alle groene gaatjes worden opgevuld. De bouw is de beste business van de Costa del Sol, die verbazingwekkend genoeg nog altijd niet voor honderd procent is volgeplempt. Er kan nog meer bij.

Puerto Banús is het pronkstuk van al die nieuwbouw, alleen toegankelijk voor de echt grote jongens. Skandia Property Invest, een van de duizenden handelaren in onroerend goed in deze streek, biedt stulpjes in de omgeving aan voor een gemiddelde prijs van twee miljoen DM. Voor een appartementje in de haven moet je ten minste een miljoen meebrengen. Een voorbeeld van het volk dat dit aantrekt: de broer van de Syrische president Assad, die zijn geld schijnt te verdienen in de drugshandel, schafte zich een heel blok aan.

Het geld is welkom en niemand die vraagt naar de herkomst ervan. Dat was al zo in de jaren zeventig, toen Marbella uitgroeide tot een pleisterplaats voor oliesjeiks. En dat is nog sterker geworden in de jaren negentig, waarin de stad de reputatie heeft verworven van toevluchtsoord van het internationale misdaadwezen. Volgens de Spaanse justitie wemelt het in Marbella van de kopstukken uit de wereld van de drugs- en de wapenhandel.

Die weten zich echter veilig onder de beschermende paraplu van de lokale autoriteiten. Het stadsbestuur verwent ze met een overdaad aan marmer. De hele boulevard is ermee belegd, en veel andere straten hebben marmeren aders in de trottoirs. Of met artistieke lofzangen op de vrijheid, zoals het beeldhouwwerk met het opschrift: 'De vrijheid van meningsuiting sterft niet, elke dag opnieuw wordt zij geboren en gaat zij slapen.'

De vrijheid-blijheid-filosofie komt ook tot uitdrukking in het eigenste vrijheidsbeeld dat het bestuur aan de haven liet neerplanten. Hoewel er mensen zijn die de figuur op de tien meter hoge marmeren sokkel anders interpreteren. Volgens hen drukt hij met zijn ten hemel geheven handen een diepe wanhoop uit: help, de stad verzuipt.

Verder is Marbella verfraaid met twee reusachtige toegangspoorten, die de indruk wekken dat je een pretpark binnenrijdt. En links en rechts beelden, een soort bronzen uitvergrotingen van het wanstaltige porselein dat de slechte smaak doorgaans op salontafel en schoorsteenmantel doet belanden. Dat krijg je als de penoze aan de macht komt. Want in Marbella verzamelen zich niet alleen dubieuze figuren, zij oefenen in de dagelijkse praktijk ook politieke macht uit.

Penoze mag je misschien niet zeggen van de verwennende leider van Marbella, want hij is tenslotte in democratische verkiezingen gekozen. Maar hoe noem je anders een man als burgemeester Jesús Gil y Gil: projectontwikkelaar en bouwondernemer, tijdelijk op vrije voeten na een verblijf in de gevangenis wegens zwendel; eerder al achttien maanden in de bak wegens dood door schuld van 58 mensen; verwikkeld in meer dan tachtig rechtszaken die alle draaien om machtsmisbruik, corruptie en fraude; gastheer van de internationale maffia; en (altijd goed voor de populariteit) eigenaar van de voetbalclub Atletico Madrid.

Gil is de personificatie van het volk dat hij in Marbella een vrijplaats heeft gegeven. Als geen ander pronkt hij met wat hij heeft, om te beginnen zijn enorme buik. Die mag hij graag trots aan de wereld tonen, uitstulpend van onder een tot de navel losgeknoopt tropenhemd en aan de bovenkant voorzien van een tros gouden sieraden. Ik ben wie ik ben en ik schaam me nergens voor, is de boodschap van de burgervader als hij weer eens halfnaakt voor de camera's poseert.

Sinds 1991 is Jesús Gil de absolute dictator van Marbella, een stad die hij bestuurt als ware het een van zijn bedrijven, dat wil zeggen geheel naar eigen inzicht, zonder ruimte voor in- of tegenspraak. De uitvinder van de plebiscitocratie, wordt hij wel genoemd: eens in de vier jaar mag de burger zijn stem op hem uitbrengen, maar in de tussenliggende periodes dient hij zijn mond te houden. Tot de leden van de oppositie in de gemeenteraad richt de burgemeester zich alleen om ze de huid vol te schelden.

Marbella wordt bestuurd door een zakenman, beweert Gil, en beslist niet door een politicus. Want politici, meneer, allemaal tuig van de richel. 'De politiek is een tehuis voor nietsnutten', is een van zijn bekende uitspraken. 'Die politici zou ik in mijn bedrijf nog niet als loopjongens willen hebben.' Wie van mening verschilt met de zakenman, kan rekenen op een lawine van diskwalificaties uit de grootste bek van Spanje. Als dat niet helpt, is hij ook niet te beroerd er eigenhandig op los te timmeren. Dat zijn tegenstanders hem een fascist noemen, stoort hem geenszins: 'Gelukkig ben ik een fascist en geen democraat, zoals die schaamtelozen van de oppositie.'

De vestibule van het stadhuis op het poppenhuisachtige Sinaasappelbomenplein, in het gerestaureerde hart van de stad. Een paar levensgrote bronzen paarden, een sputterende fontein, een expositie van schilderijen van de plaatselijke avant-garde, en in de hoek een reusachtige buste van generaal Francisco Franco, met als bijschrift 'Aan de Caudillo van Spanje van een dankbaar Marbella'. Het is een werkstuk van de hand van de fameuze Finse beeldhouwer Kalervo Kallío, en een geschenk van het Finse volk aan de stad. Om het beeld heen een uitgebreide serie foto's van de onthulling in mei 1968, een bijeenkomst gedomineerd door militairen en priesters zoals gebruikelijk in de dagen van de dictatuur.

Jarenlang had de buste op het Sinaasappelbomenplein gestaan, maar na de dood van Franco verdreef het hoofd van koning Juan Carlos dat van de generalísimo van de sokkel. Het beeld werd vorig jaar bij toeval teruggevonden tussen de rommel en het afval in de krochten van het stadhuis. Gil, die weer eens in de clinch lag met de andere politieke partijen, liet het provocerend naar de vestibule slepen en gaf het daar een ereplaats: 'Zoiets laat je niet in de kelder liggen, zo ga je niet met cadeaus om.'

Niet alleen vertolkt de burgemeester van Marbella af en toe zijn heimwee naar de dagen van de harde hand van generaal Franco, hij heeft ook nog een persoonlijke schuld bij de voormalige dictator. In 1969 stortte een door Gil zonder vergunningen gebouwd restaurant in, waarbij 58 mensen om het leven kwamen. Gil werd veroordeeld wegens dood door schuld, maar na anderhalf jaar in de gevangenis verleende Franco hem gratie.

Nee, de burgemeester is vandaag niet op kantoor, zegt de stadhuisportier met een neutraal gezicht. Hij zit bij de rechter. Ach ja, een akkefietje van niks: aangeklaagd wegens machtsmisbruik moet Gil zich drie uur lang een verhoor laten welgevallen. Gil maakt zich er niet druk om, dergelijke situaties zijn voor hem mogelijk meer routinekwesties dan voor de rechter. Hij ziet de rechtszalen in heel Spanje meer van binnen dan zijn eigen Atletico-stadion in Madrid.

MET ZIJN bouwondernemingen legde Jesús Gil de basis voor zijn vermogen, waarvan hij een deel besteedde aan het opkopen van Atletico Madrid. Als president van de club verwierf hij nationale bekendheid, niet in het minst doordat hij meer trainers ontsloeg dan de andere Spaanse clubs bij elkaar. Zijn bouwactiviteiten waren ook precies de reden waarom hij besloot zich in de politiek te storten of liever een zakenman met een publieke functie te worden.

In 1991 had hij er schoon genoeg van dat hij in Marbella niet ongelimiteerd zijn gang kon gaan. Het socialistische stadsbestuur vond dat de urbanistische verwoesting van de Costa del Sol nodig getemperd moest worden, en verminderde het aantal bouwvergunningen. Gil besloot de zaak simpelweg over te nemen en richtte met dat doel de partij Grupo Independiente Liberal (Onafhankelijke Liberale Groep) op, een naam die alleen diende voor het vormen van de afkorting GIL.

Marbella was in die dagen ten prooi gevallen aan een golf van kleine criminaliteit die de toeristen begon af te schrikken. Met zijn belofte de straten van de stad schoon te vegen en junks en hoeren er systematisch uit te gooien, won hij de verkiezingen glansrijk. Eenmaal burgemeester met een absolute meerderheid in de raad, stortte hij zich op zijn werkelijke doel: bouwen, bouwen en nog eens bouwen. En slopen, als het zo uitkwam. Zo liet hij het huis van zijn socialistische voorganger tegen de vlakte gooien, en het pand dat hem het uitzicht benam uit zijn fitnesskamer.

Bouwvergunningen, sloopvergunningen, ze zullen de burgemeester een rotzorg zijn. Sinds hij Marbella beheert, zijn er meer aanklachten tegen hem gedeponeerd wegens het schenden van bestemmingsplannen dan zijn voetbalclub doelpunten heeft gemaakt. Gil lacht erom, geeft zijn aanvallers ordinair onder uit de zak of tovert, als het echt moeilijk wordt, fantastische plannen uit de hoed. Zoals: 'Ik ga een eiland voor de kust laten aanleggen, een spetterende, nieuwe toeristische attractie.' Toen hem verweten werd dat hij zich door een Joegoslavische warlord liet fêteren, kwam hij met een spectaculair excuus: hij was in onderhandeling over de aankoop van twee vliegdekschepen die voor Marbella zouden worden afgemeerd en omgebouwd tot casino's.

In januari liep het echter toch mis. Invallen in het stadion van Atletico en het stadhuis van Marbella leidden tot de arrestatie van Gil en enkele van zijn naaste medewerkers. De aanklacht luidde samengevat: Gil had ten minste 450 miljoen en waarschijnlijk 2000 miljoen peseta (6,5 miljoen tot 28 miljoen gulden) illegaal van de kas van de gemeente Marbella naar de rekeningen van zijn club Atletico Madrid gesluisd en die transacties verhuld met het falsificeren van de stedelijke boekhouding.

Marbella was al jaren het opschrift op de shirts van de spelers van Atletico. De vraag of de badplaats dergelijke reclame nodig had, is irrelevant. Jesús Gil is de burgemeester van Marbella, Jesús Gil is de president van Atletico Madrid, en laat Jesús Gil toevallig ook eigenaar zijn van een bedrijf dat bemiddelt tussen clubs en sponsors! Hoe kan het mooier en eenvoudiger. Om een contract te regelen, hoeft niemand uit zijn stoel komen, Jesús Gil kan het helemaal in zijn eentje.

De affaire is kenmerkend voor de wijze waarop Gil financieel zijn zaken runt. 'Hij maakt geen verschil tussen de kas van de gemeente Marbella en die van zijn bedrijven', stelt de woordvoerster van de socialistische fractie in de gemeenteraad, Isabel García Marcos. Zij stapte naar de rechter toen Gil niet bereid bleek opening van zaken te geven.

DE BURGEMEESTER laat niemand in de keuken kijken, ook niet de gekozen leden van de oppositie. Vandaar de ellenlange discussies over de schulden van Marbella. Volgens Gil bedragen die 16.232 miljoen peseta. Volgens de Partido Popular moeten daar nog alle onbetaalde rekeningen van gemeentebedrijven aan worden toegevoegd. Volgens García Marcos bedraagt de schuld zeker 70 miljard peseta, 90 miljoen gulden, want in 1995 was het al 40 miljard. 1995 Is een referentie want dat was de laatste keer dat de burgemeester de raad zijn begroting liet zien. De Spaanse Rekenkamer eist nu, op initiatief van het parlement in Madrid, inzage in de boeken.

Maar goed, de arme burgemeester, die de stad zo opgepoetst heeft en van criminelen ontdaan, en die het aantal parkeerplaatsen verdrievoudigd heeft, verdween in de gevangenis van Malaga. Daar kreeg hij onmiddellijk hartklachten, zodat hij naar een ziekenhuis werd overgebracht. Het leek een godfather-imitatie: het ziekenhuis wemelde van de politieagenten, lijfwachten met telefoons en pistolen, in- en uitlopende familieleden en ultimatums aan artsen.

Buiten organiseerde de partij GIL het tegenoffensief. Massale demonstraties in Marbella, het plaatselijke krantje en de tv-zender pakten uit, Isabel García Marcos werd telefonisch met de dood bedreigd. Zelfs de aanhang van Atletico Madrid toonde medeleven met de geliefde president. De ultrarechtse kern sprak zich onomwonden uit op de muur van het stadion: 'Gil is onze Führer'.

Na enkele weken werd Gil op borgtocht vrijgelaten. De 'politieke gevangene', zoals hij zich verongelijkt noemde, onthulde dat hij het slachtoffer is van een complot dat op regeringsniveau is gesmeed en dat alle politieke partijen en de Spaanse justitie verenigt om hem te breken. De reden van het complot? De aankondiging van GIL om bij de gemeenteraadsverkiezingen komende zomer ook een greep naar de macht te doen in acht andere plaatsen.

De formule werkt in Marbella. Ondanks al zijn aanvaringen met justitie en de constante verdenking van hogere flessentrekkerij die op hem rust, werd Jesús Gil in 1995 moeiteloos herkozen. Uit opinieonderzoeken blijkt dat hij zich kan opmaken voor nog eens vier jaar, omdat zijn meerderheid in de raad geen enkel gevaarlijk loopt. Maar Gil wil meer.

Vier jaar geleden kwam de eerste uitbreiding. De partij veroverde de macht in Estepona, de buurgemeente van Marbella die aldus een nieuwe burgemeester kreeg: Jesús Gil Marín, ja, de zoon van. Op deze manier is een strook Costa del Sol van ruim vijftig kilometer lang onder direct beheer van de familie Gil gekomen. De ruim dertig bedrijven van de clanleider kunnen zich naar hartelust uitleven in het verder dichtbouwen van de kust. De zakken worden gevuld, en niemand die er wat aan doet. Vorig jaar kocht de gemeente een reeks winkels aan de hoofdstraat van Marbella voor 500 miljoen peseta. Diezelfde winkels waren twee maanden eerder voor de helft van dat bedrag gekocht door een bedrijf dat eigendom is van Gil.

Het is niet genoeg. Gil heeft zijn oog laten vallen op acht andere gemeenten. De namen van drie daarvan hebben alle alarmbellen in Madrid doen rinkelen: La Linea, Ceuta en Melilla. Het zijn de drie 'heetste' grensplaatsen van het land. La Linea ligt recht tegenover de Britse kolonie Gibraltar en gaat door voor een smokkelaarsnest. Ceuta en Melilla zijn de twee Spaanse enclaves op de Marokkaanse kust, vooruitgeschoven posten die alleen in de publiciteit komen vanwege de illegale immigratie en de grenzenloze smokkelactiviteiten.

'Ceuta is nog net geen Chicago uit de jaren twintig, maar wel degelijk een ontluikend Sicilië', zei de regeringsgedelegeerde vorige week. De stad is volledig in handen van hasjhandelaren. Volgens de politie wordt hier jaarlijks voor honderden miljoenen aan drugsgelden gewit. In Melilla is de situatie niet veel anders.

De twee steden bieden ongekende mogelijkheden. Krachtens de Spaanse grondwet hebben Ceuta en Melilla de status van deelstaat, op hetzelfde niveau als bijvoorbeeld Andalusië of Catalonië. Omdat de steden ook nog eens van het Spaanse vasteland verwijderd zijn, bezitten zij een aantal privileges, met name op financieel terrein. Bijvoorbeeld: de belasting die burgers en bedrijven betalen, is de helft van die in de rest van Spanje. Of: de steden innen zelf alle accijnzen op tabak, alcohol en benzine.

Omdat Ceuta en Melilla deelstaten zijn, is de burgemeester tevens president en zijn de raadsleden tegelijk ook parlementsleden. Dat heeft verstrekkende gevolgen, want zij genieten parlementaire onschendbaarheid. Voor zo'n twaalfduizend stemmen heb je in Ceuta een zetel en je onschendbaarheid. Een aantrekkelijke gedachte voor zakenmensen die zo vaak de adem van justitie in hun nek voelen.

Voor de uitbreiding van zijn imperium heeft Gil natuurlijk niet gezocht naar politici, maar naar zakenmensen uit zijn eigen kring. Kandidaat-burgemeester voor Ceuta is Antonio Sampietro, een Catalaan die fortuin maakte in Marbella en zich nu als ingezetene van Ceuta heeft gemeld. Sampietro leerde het klappen van de zweep als wethouder voor stadsontwikkeling aan de zijde van Gil, runde de Tropicana, investeerde in golfbanen op Cuba. Als handlanger van Gil in Melilla is aangetrokken Cris Lozano, eigenaar van discotheken in Madrid en succesvol zakenman in Marbella.

Volgens de opiniepeilingen gaat GIL zeven van de acht nieuwe plaatsen veroveren, alleen Melilla blijft in handen van de Partido Popular. Dat de bouwondernemers Ceuta in handen krijgen, bezorgt Madrid het zweet in de handen. Niet alleen omdat de maffia dan een eigen deelstaat heeft, maar ook vanwege het gevaar van diplomatieke rellen met Marokko, dat het gebied opeist. Bij GIL houden ze niet zo van immigranten, althans niet van die zonder dikke chequeboeken. Als de partij ook in Ceuta een 'schoonmaakactie' gaat houden, is het conflict met de buren een feit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden