De danser wordt een zwerver

Het oppervlak oogt glad, maar daaronder woelt het. Dans is in beweging, misschien heftiger dan in lang het geval was....

BRUNO BARAT (38) en Alfredo Fernandez (34) kijken naar de studenten die de kantine van de Theaterschool in Amsterdam binnenkomen. 'Zij leren hoe theatertechniek werkt, zij leren creatief te zijn. Dat zou ons goed van pas komen', zegt Fernandez met enige jaloezie. Beiden maakten een stuk voor de workshop van het Nationale Ballet.

Ze dansten lang bij het gezelschap. Barat achttien jaar, Fernandez een jaar of tien. Nu gaan ze weg. Als Fernandez vertelt waarom, wordt zijn stem hoog van woede. Barat blijft kalm, maar dat is een kwestie van temperament.

Barat: 'Een choreograaf komt bij ons de studio binnen, drukt op de muziekknop, doet voor en zegt tegen dertig meiden: ''Kopiëren! En gelijk'' Kadaverdiscipline is gemakkelijk, dan hoef je niet te vragen hoe je dansers zich voelen. Maar mensvriendelijk is het niet. Mond open, bek dicht, zo gaat het heen en weer. Nergens zijn de asbakken zo vol als in de gangen bij het Nationale Ballet.

Fernandez: 'De vrouw van de eenentwintigste eeuw loopt in een tutu uit de achttiende eeuw. Wat in de tussentijd met ons onderbewuste gebeurde, is nooit een item. Het gaat om bijna steriele meisjes met een mooi lichaam en mooie voeten. Zo'n gezelschap is niet meer van deze tijd.'

Barat: 'Ik was er trots op een klassiek geschoold danser te zijn. Nu hoop ik dat m'n opleiding mij niet belemmert een plaats buiten die wereld te vinden. Ik probeer me los te maken van de maniërismen van het ballet. Dat is een conflictueus proces.'

Fernandez: 'Een corps de ballet is alleen met het leger te vergelijken. Wij willen onze verbeelding gebruiken. Maar je wordt als een kind behandeld.'

Barat: 'Er was een tijd, maar nu word ik nostalgisch, dat er denkruimte was. Tegenwoordig zit iedereen verkrampt in zijn stoel, en hoopt op een kassucces. De laatste jaren bij het Nationaal waren onmenselijk. Wij zijn bereid om hard te werken, maar we wachten op een kick, op opdrachten. Het is saai, en dat is het ergste wat je kan overkomen.'

Fernandez: 'De mensen lopen ongeïnspireerd rond. Ze zijn oud en moe. Er is een volle hand met geld, een volle hand met talent. En wat gebeurt er? Een Notenkraker met mooie effecten, dat is al. Ik ken niemand, behalve een paar solisten, die dat graag dansen.'

Barat: 'Op m'n dieptepunt ben ik een paar maanden weggegaan. Daarna heb ik bij Roebana & Leine gedanst in The Circle Effect. Dankzij hen weet ik dat ik nog heel veel van dans hou. Toen ik terugkwam heb ik 21 Notenkrakers (Alfredo knikt bewonderend) gedanst. En nu ga ik m'n eerste soloprogramma maken. Ik wil door, met mensen als Piet Rogie of Jan Fabre werken.'

Fernandez: 'Ik gooi mijn frustratie eruit in de workshop. Dat helpt. Daarna ga ik in de omscholingsregeling. Maar eigenlijk wil ik helemaal niet weg. Ik kan nog jaren dansen, wil nog heel veel leren. Buiten het gezelschap is alles in beweging, worden mensen steeds individueler. Dat vind je bij ons niet terug. Dansers hebben geen kloten.'

SAMUEL WUERSTEN (36) is danser, choreograaf, docent, maar vooral directeur van het Holland Dance Festival. Dit keer staat dat in het teken van de danser: van de vedette, zoals Sylvie Guillem, elastieken uithangbord van Rolex, tot aan de danser met behoud van uitkering.

Als hij geen directeur is, is de Zwitser zelf zo'n zwervende danser. Hij werkte een paar seizoenen 'drie hoog achter' in New York, choreografeert voor Jorma Uotinen, Amanda Miller en andere kopstukken en geeft lessen en workshops. Als directeur zoekt hij dansers op zoals Anne Affourtit, die niet afwachten tot ze gevraagd worden, maar zelf opdrachten geven aan choreografen. Dan is het de verf die de kwast in beweging brengt.

'Nederland is het nirvana van de dans', zegt hij met enige schroom. 'Maar niemand hier beseft het. Er wordt opmerkelijk goed gedanst. Met het accent op de beweging, en niet op de psychologie.'

Die gunstige omstandigheden zijn door de vorige generatie bevochten, erkent Wuersten met enige tegenzin, want het is niets voor hem op andermans lauweren te rusten. En er is een schaduwzijde. 'De realiteitszin is soms zoek. Mensen die subsidie aanvragen voor yogalessen in New York, en er een vakantie aan vastplakken. Dat is verwennerij. Vreselijk eigenlijk. Diezelfde gemakzucht maakt dat Nederlandse dans in het buitenland amper bekend is.'

Dat geldt niet voor het Nederlands Dans Theater, dat royaal in het festival aanwezig is. Maar van het Nationale Ballet is geen spoor te bekennen. Er deed zich geen project voor, zegt Wuersten eerst diplomatiek. Daarna: 'Inhoudelijk vind ik er niet veel aan. Je hoort ze vooral als ze vrijkaarten voor Sylvie Guillem willen.'

Domme dansers? 'Die bestaan niet. Dienstbare dansers wel. Het kan soms lastig zijn om dans te verbaliseren, maar een goede danser is intelligent. Altijd.'

MICHAEL Schumacher is te laat in de Dansersstudio aan de Hoogtekadijk in Amsterdam. Z'n kachel is kapot, wat heel slecht uitkomt. Vanavond komt een Japanse logé, die op zijn huis past terwijl hij elders repeteert. Eerst in Den Haag, daarna in Parijs. Pas vlak voor het Holland Dance Festival komt hij terug.

De Amerikaan Schumacher (36) is in de paar jaar dat hij in Amsterdam woont uitgegroeid tot een rolmodel voor de moderne danser. Hij danste in New York (bij Twyla Tharp en Eliot Feld), en vijf jaar in Frankfurt bij William Forsythe. In het festival is hij de partner van primaballerina Sylvie Guillem, maar ook choreograaf van Grip met Anne Affourtit en Mathilde Santing. En zo meteen, na het gesprek, repeteert hij voor Proxy, een duet dat Paul Selwyn Norton voor hem en Vitor Garcia maakte. Een homo universalis van de dans.

Houd je dans bij choreografie uit de buurt! Die paradox leerde hij van Forsythe. Herhaling is taboe; absolute controle over het eindresultaat is niet nodig; leer te denken terwijl je danst. Maar Schumacher wilde verder. De structuur van een gezelschap benauwde hem. Hij zocht nog meer vrijheid dan Forsythe hem kon bieden. 'In Amsterdam vond ik weer een basis. Hier kun je alle niveaus en aspecten van dans onderzoeken. Het is opener dan New York of Parijs, waar buitenlanders het moeilijk hebben.'

Wereldwijd ziet hij hetzelfde: groepen vallen uit elkaar, en maken plaats voor kortlopende projecten. 'Ik geloof dat de interactie tussen danser en choreograaf toeneemt. Naast de klassieke en moderne technieken ontstaan er persoonlijker manieren van bewegen. Dans maken wordt dan eerder regisseren dan choreograferen. Ik zie een romantische tijd in het verschiet, met een dans van verhalen, karakters, gebeurtenissen.'

'Misschien komt dat door de kringen waarin ik werk', haast hij zich toe te voegen. Schumacher wil voor alles improviseren, ter plekke componeren, zijn ego delen met anderen. Hij is een voortrekker op de improvisatie-avonden in het Amsterdamse theater Frascati. 'Een gezellig experience.'

Dans noemt hij de insecure artform, de onveilige kunst, verdwenen voordat je er erg in hebt. Daar kun je je voordeel mee doen. 'Veel choreografen doen alsof ze nog aan het hof van Lodewijk XIV verkeren. Voor improvisatie zijn ze bang, omdat dat hun macht aantast. De militaire structuur verontrust me. Ik ben een vrije geest, ik heb een paar gevechten gevoerd en wil dat niet meer.'

Discipline interesseert hem niet. 'De hang naar perfectie heeft me alleen maar gehinderd. Sylvie Guillem was ook zonder die kadaverdiscipline briljant geworden.' De danser moet de discipline in zichzelf zoeken. En de dans kan zichzelf heel goed rechtvaardigen, zonder de hulp van fotografie, architectuur of wat dan ook.

In een onderscheid tussen klassiek en modern gelooft hij net zo min als in dat tussen danser en choreograaf. 'Ik kom binnen, zoals nu bij Selwyn, met ideeën over wat ik moet doen. Componeren terwijl je danst: dat is mijn richting. Dan resteert de vraag van het auteurschap. Maar ook daar zal een antwoord op worden gevonden.

'Dansen is the real thing, dat wil ik de rest van m'n leven blijven doen. Maar ik word moe van de toestanden er omheen. Choreografen, critici, marketing, theaters - het interesseert me niet. Er zal geen Michael Schumacher Company komen. Mij gaat het om de performer, niet om de auteur.'

PIET ROGIE (43) deelt zijn mooie studio in de voormalige distilleerderij van Henkes in Delfshaven met Conny Janssen, Voortman & de Jonge en soms Angelika Oei, andere bakens in de Rotterdamse dans. Al vanaf 1979 danst hij, bij Werkcentrum Dans, Penta Theater, en later bij zijn eigen Stichting Peter Bulcaen. Vooral de laatste jaren krijgt zijn werk weerklank. Vorig jaar kreeg hij de oeuvreprijs van het Prins Bernhard Fonds. Voor het Festival maakt hij aanvullende dans voor Ocho, tango van achter de dijken.

In Klavier, dat hij voor het festival bewerkte, danst hij nu zelf - op verzoek van Samuel Wuersten. 'Het kan nog net, naast die jonge dansers.' Voor een choreograaf is het eigenlijk beter niet te dansen, vindt hij. 'Alleen als je eruit stapt, heb je overzicht. Ik ben meer gecharmeerd van mensen die dansen dan van dansers die dansen. De wisselwerking is belangrijk. Maar een voorstelling begint toch met een blauwdruk in het hoofd van de choreograaf. Die neemt de beslissingen.'

Tegelijk voelt hij dat de inbreng van de dansers groeit. 'De opkomst van de freelance-danser heeft grote invloed. Een danseres doet mee in een productie; je leert van haar techniek, zij leert van jou. Ze trekt haar eigen publiek en gaat dan terug naar Amsterdam. Zo gaat dat. Door die wisselende contacten verspreidt de dans zich.'

De dans is volgens hem levendiger dan in jaren het geval was. De ochtendlessen zitten vol, nooit was de wederzijdse waardering tussen klassiek en modern zo groot. Vanmorgen nog zat er een kaartje van Bruno Barat bij de post. Of hij op de mailinglijst kon.

Stijgt daarmee de kwaliteit van de dansers? Rogie is een man van de nuance. 'Laat ik het zo zeggen: ik denk dat er nu meer goede dansers zijn. En vergeet niet dat ook Van Manen en Balanchine, de grote jongens van het ballet, hun ontwikkeling aan dansers te danken hebben.' Die namen noemt hij niet voor niks. Rogie, de denkende danser, is 'een true believer' van de pure dans geworden, en weet niet waar die overtuiging 'in godsnaam' vandaan komt. Nu pas komt eruit wat er altijd in zat. 'Blijkbaar was ik een trage leerling. Ik draai niet meer rond de pot.'

ANOUK VAN DIJK (32) repeteertin de grote studio van de Danswerkplaats in Amsterdam samen met Bennie Bartels het duet Muddle. De butoh-achtige dans die Shusaku Takeuchi negen jaar geleden maakte toen ze nog bij de Rotterdamse dansgroep zat, wordt in het Holland Dance Festival herhaald. Op haar verzoek. Shusaku kijkt zwijgend toe en maakt aantekeningen op een papiertje. Na afloop corrigeert hij hen: de arm iets verder opendraaien, het hoofd wat schever, de rug wat dieper. Je ogen zien niks, het hele stuk lang, legt hij uit. Zo worden de komma's en punten van de dans geplaatst.

Anouk van Dijk is freelance-danseres en (nog liever) choreograaf. Eigen baas is ze, met alle rompslomp vandien. Budget, publiekswerving, subsidie, theatertechniek - ze wil het allemaal onder de knie krijgen. Ze is bezig een stichting op te richten, werkt aan een groepsvoorstelling, en bereidt een solo voor, die ze volgende week in het Franse Lille danst.

'Vanmorgen gaf ik les in de studio van Krisztina de Châtel. Daar stond een bruisende menigte voor me. Mooi is dat. Je voelt meer energie dan vijf of tien jaar geleden. Voor m'n nieuwe stuk schreef ik onlangs een auditie uit. Van de 125 aanmeldingen heb ik er 35 uitgenodigd, uit België, Engeland, Berlijn. Zeker twaalf of dertien waren zo goed dat ik met hen had willen werken. Freelance dansers zijn sterker en virtuozer dan vroeger. Van de een leer je een techniek, die je bij de ander in praktijk kunt brengen. Een vast gezelschap, dat past niet zo in deze tijd. Ik werk graag met zelfstandige dansers, die bewust met hun vak omgaan, die zich verdiepen in hun ambacht, in de fysieke en psychische skills.

'De keerzijde is dat er veel geshopt wordt van groep naar groep. Dansers moeten het aankunnen om zo versnipperd te werken. Maar de maatschappij functioneert nu eenmaal niet meer hiërarchisch.

'Vooral klassieke dansers leren op school nog vanuit een ideale vorm te werken, en niet vanuit hoe ze zelf zijn. Zo kun je je helemaal aan gort draaien. Ik heb veel getraumatiseerde lichamen gezien. Klassieke dansers zijn vaak zwak in de rug, ze vinden het moeilijk hun lengte te verbreken. Voor mijn werk zouden ze zich moeten forceren. In één adem van een jonge ster in een oud vrouwtje veranderen, van een droom in een gedrocht - dat is mooi. Ik hou van dans die je als een meccanoding in elkaar zet. Daarna draai je de schroeven los, het stort in elkaar en je maakt iets heel anders. Heerlijk.

'Dansers zijn gedreven, ze zijn gedisciplineerd, hebben het vermogen iets tot ontwikkeling te brengen, ze zijn één met hun instrument, het menselijk lichaam, dat ze door en door kennen. En ze zijn bescheiden. Het is een fantastisch slag om mee om te gaan. Dat zouden meer mensen moeten weten. Ik vind het erg als ergens de sterren van de hemel worden gedanst en er zit dertig man in de zaal.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden