De dagen van wijn en rozen zijn geteld

‘Ik geloof niet in God, maar ik mis hem’, verzucht Julian Barnes in Nothing to be Frightened of – een spitsvondige bespiegeling over de dood, en de troost van de boekenkast.Door Michaël Zeeman..

De Franse schrijver Jules Renard had een vriend die op straat een passerende lijkwagen aanhield en de chauffeur ervan vroeg: ‘Bent u vrij?’ Het is treurig dat Renard niet vertelt hoe de man in het plechtige pak reageerde en wat die vriend vervolgens gedaan heeft, want alle macabere grappen zijn pogingen om de angst te bezweren en nergens wordt zo schel gelachen als op de nazit van een begrafenis. ‘Het is onmogelijk ons onze eigen dood voor te stellen’, zegt Sigmund Freud, ‘en wanneer wij dat toch proberen stellen wij vast dat wij er nog altijd als waarnemer bij aanwezig zijn.’ Ook nooit om een platitude verlegen als je hem echt nodig hebt, Freud.

‘Wat mij betreft is de dood het walgelijkste feit dat het leven vorm geeft’, schrijft Julian Barnes in zijn nieuwe boek. Nothing to be Frightened of heet dat, en hij heeft tweehonderdvijftig pagina’s nodig om he-le-maal niet bang te zijn. ‘Alleen wanneer je je constant bewust van de dood bent, kun je je er een idee van vormen waar het leven over gaat, alleen wanneer je weet en voelt dat de dagen van wijn en rozen geteld zijn en dat de wijn troebel zal worden en de rozen bruin zullen worden in hun stinkende water voordat zij allemaal voor eeuwig zullen worden weggegooid, de vaas incluis, is er een context voor alle genoegens en interesses die onderweg naar het graf op je pad komen.’ Jaaha, dominee.

Hij is een geestelijke met een brevier, Barnes, een brevier dat hij zelf heeft aangelegd gedurende een levenlang vrezen en lezen. Zijn boek is een doorlopend essay van gedachtenwisselingen met auteurs, autoriteiten en anekdoten. Dat geeft er ook de trekken van een autobiografie aan, want de dood en de doodsangst zijn metgezellen die ieder moment van sereniteit versjteren. En dus moet Barnes terugkomen op eerdere kalmerende verhalen en listige redeneringen, moet hij zijn mantra’s met nieuwe mantra’s te lijf. Nothing to be Frightened of werd aldus een compendium in een kroniek.

Pomponius Atticus werd ziek, kreeg gemene pijn in zijn ingewanden en vond geen soelaas bij de dokters. Toen besloot hij het heft in eigen hand te nemen en zichzelf dood te hongeren: baas in eigen buik, baas in eigen biografie. Liever zelf aan het stuur dan door Magere Hein aan gort gereden. Maar het vasten hielp en hij knapte zienderogen op. Maar nu hij toch bezig was, hield Pomponius Atticus zijn familie en vrienden voor, zette hij liever even door dan dat hij zich in de toekomst, nabij of ver, opnieuw liet overvallen.

Toen Julius Caesar, tijdgenoot en ook uit lijkkistenhout gesneden, een soldaat trof die hem smeekte zijn leven te sparen, antwoordde de keizer-veldheer minachtend: ‘Dus jij denkt dat dat van jou een leven is?’

Wie met het oog op de eeuwige slaap de kortstondige slaap niet vatten kan weet wat hem te doen staat: naar de boekenkast, terug naar de klassieken. Dat is wat Julian Barnes doet, hij schrijft een hedendaagse ars moriendi, een catechismus waarin zijn literaire voorbeelden de kerkvaders zijn en elk citaat de functie van een formule krijgt. Hedendaags: met alle achterdocht en uitvluchten vandien, want naarmate wij allen ouder worden is er niets dodelijker voor een goed gesprek dan de dood. Tegelijkertijd sijpelt met de angst in alle doodsvoorbereiding het doodsverlangen binnen, als het dan toch moet, trek die kies dan maar meteen, zonder verdoving en met wortel en al. Of kan ik toch beter volgende week een afspraak maken, wat denkt u, dokter?

Het thema van de Boekenweek is dit jaar ‘Van oude mensen. . .’ en zelfs een Nederlander van beneden de vijftig weet wat daarop volgt: ‘. . . de dingen die voorbij gaan’. Op oude mensen volgt de dood, hij vervolgt hen zelfs en zijn in het verleden behaalde resultaten bieden een uitstekende garantie voor de toekomst en leeftijd is trouwens geen bezwaar. Het thema voor de Boekenweek van volgend jaar dringt zich moeiteloos op en het is een apart plezier om je in te denken hoe de directeur van de CPNB met zijn onverdraaglijke middenstanders-enthousiasme met een maand of twee de beoogde auteur van het Boekenweekgeschenk gaat opbellen: ‘Ja, Henk Kraima hier, het thema is ‘de dood’ en toen dachten wij meteen aan jou.’ ‘Kraima’: ik bedoel maar.

Het is allemaal te erg voor woorden, al zijn er denkers die beweren dat het eeuwige leven pas écht erg zou zijn – al die talencursussen, al die pensionado-tochten met een camper, al die uitzichtloze hobby’s – en vragen subtiele denkers wat je erger lijkt, de dood of het sterven. Mogen wij kiezen, kunnen zij in onderdelen en op afbetaling in termijnen worden afgenomen? ‘Philosopher, c’est apprendre à mourir’, schreef de 16de-eeuwse Franse filosoof Michel de Montaigne, ‘filosoferen is leren sterven’, citaat ingebed in een bloemperk van citaten van die dappere Grieken en Romeinen. Barnes zegt het hem na, maar hij heeft een broer die een vooraanstaand kenner is van de antieke filosofie, Jonathan Barnes, dus niet zodra heeft hij even rust of zijn broer komt de stilte verstoren met het feilloos aanwijzen van de inconsistenties in zijn catechismus. Het schiet niet op, maar wat is het vrolijk.

De schrijver Somerset Maugham, die vrij oud geworden is, liet toen hij tachtig was de filosoof Alfred Ayer langs komen in Monaco. Hij woonde al in een belastingparadijs, maar wilde nog even checken of daar eventueel de gevreesde alternatieven van hel en paradijs op zouden volgen. Zelf was hij ooit opgeleid als dokter en dus kende hij de overgangsprocedure en de misselijke gevolgen daarvan voor vlees en huid.

Ayer was een logisch positivist, een rationalist, die kon spitsvondig uit de doeken doen dat het allemaal een kwestie van formuleren was, grammaticale suggestie of semantische traditie. Of dat Maugham geholpen heeft, weten wij niet. Maar wij weten wel dat de schrijver enkele jaren later zijn broek liet zakken in de salon om te kakken achter de bank: verstand kwijt, maar het leven nog niet – en de angst dus evenmin. Van oude mensen, jawel, maar mag het in godsnaam vlug voorbij gaan?

‘Gogolj stierf schreeuwend’, schrijft Igor Stravinsky, ‘Diaghilev stierf lachend, maar Ravel stierf geleidelijk. Dat is het ergst.’ Hij deed er vijf jaar over, Ravel, de Ziekte van Pick, wat een smerige naam, sloopte zijn hersenen. Hij woonde de opname van zijn eigen strijkkwartet bij, zat in de controlekamer en deed verschillende suggesties. ‘Dat was echt goed’, zei hij na afloop, ‘vertel me nog even wie de componist was.’ Na een uitvoering van zijn pianomuziek viel hij een Italiaanse collega met ontroerde felicitaties om de hals. Het is erg, het is te erg.

Wat, het sterven of de dood? ‘Ik geloof niet in God, maar ik mis Hem’, zegt Barnes, en in die licht vermoeiende Britse spitsvondigheid ligt het grondmotief voor zijn boek, zijn beschouwing, zijn gedachtenwisseling met andermans doodsbelevenissen, zijn worsteling. De argumenten vóór en tegen worden gewogen, gewogen, geteld – en stuk voor stuk te licht bevonden. Zij zijn en vogue, maar dat biedt ook al geen soelaas. Allemaal een kwestie van evolutie en genen, die eclectische variant van de calvinistische predestinatieleer: wat wij willen en voelen is deze keer niet door de Almachtige in onze zielen geschreven, maar door ons DNA. Doodsangst is het spijsverteringsgeluid van onze chromosomen. Nee, dat helpt. Ook Richard Dawkins hoopt dat het snel gaat en pijnloos is.

Het opportunistische rekensommetje is gauw gemaakt, wie is er erger de pineut, straks, de atheïst die tóch van een koude kermis thuis komt of de vrome die niets meer merkt? Is géén beloning huiveringwekkender dan tóch straf? Daar moet de hele 19de-eeuwse Franse literatuur aan te pas komen om Barnes weer een hart onder de riem te steken, Flaubert, vanzelfsprekend, maar ook Stendhal, de gebroeders Goncourt, Alphonse Daudet, Emile Zola – koolmonoxidevergiftiging, op zijn 62ste: ‘Morgen is het over’, zei hij, toen zijn vrouw hem die nacht wekte omdat ook zij misselijk was. En Renard, veel Renard, dit keer. Het helpt niet dat Flaubert gelovigen stijlvoller vond dan atheïsten.

‘Ik mis de God die de Italiaanse schilderkunst inspireerde’, zegt Barnes, ‘en de glas-in-loodramen van de Franse kathedralen, de Duitse muziek en de Engelse huizen.’ Toegegeven, als er een God bestaat, is het best mogelijk dat Hij dergelijke decoratieve vieringen van Zijn Wezen triviaal vindt of ijdel. Maar de esthetische sensatie en de religieuze, zij liggen niet zo gek ver uit elkaar: was de roman zelf al niet gebaseerd op ‘het weloverwogen uitstel van ongeloof’?

Goed punt, en het verklaart meteen de troost van de boekenkast. De literatuur is een loutering en geen uitvaart is compleet zonder muziek en een versregel boven de annonce, daar doet geen modieus deterministisch materialisme wat aan af. Uitvaartmuziek is één, maar hebben wij wel vastgelegd welke muziek wij op ons sterfbed zouden willen horen? Daar komt de moderne tijd met zijn dedain voor de grande finale weer: niks sterfbed en dus niks mooie laatste woorden, een infuus in je arm en een nachtzuster die even later vaststelt dat je in je slaap gestorven bent, of dat nou de waarheid is of de procedure. Ook dat nog.

Barnes is voor in de zestig en nog fit, voorlopig nog wel, ja. Mag hij het nog even blijven, God, en nog een paar van dergelijke verrukkelijke boeken schrijven? Misschien wordt hij er wel onsterfelijk mee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden