De daders lopen nog gewoon op straat

Een groot aantal daders van de genocide in Srebrenica, dertien jaar geleden, is nog steeds niet berecht. Veel van hen zouden voor de overheid werken....

‘Ik weet wie mijn vader heeft vermoord’, zegt Mirjana. ‘Ik zie de dader regelmatig op straat.’ De jonge moslimvrouw, die alleen onder een valse naam wil getuigen, verloor haar vader in juli 1995 bij de val van Srebrenica.

Toen ze samen probeerden op een van de bussen te stappen, werd haar vader door Servische soldaten tegengehouden. Na de oorlog werd hij teruggevonden in een massagraf.

Een paar jaar later hoorde een vriendin van Mirjana per toeval een Servische man opscheppen over hoe hij Mirjana’s vader had geëxecuteerd. ‘Ik zat in de auto toen mijn vriendin me belde’, zegt Mirjana. Door enkele details – namen en plaatsen – wist ze zeker dat het over haar vader ging. ‘Ik kon niet meer verder rijden. Ik ben gestopt en heb gehuild en gehuild. Nu heb ik geen tranen meer.

‘Ik weet nu wie mijn vader heeft vermoord, maar ik kan niets bewijzen. Ik durf niet te getuigen. Ik heb een kind. Ik ben bang dat ze het iets aandoen. En ik wil die vriendin, die de dader hoorde opscheppen, niet in gevaar brengen.’

Dertien jaar na de genocide in Srebrenica, waarbij bijna achtduizend Bosnische Moslims werden vermoord, lopen nog steeds veel daders van de genocide vrij rond. Het onderzoek naar de oorlogsmisdadigers van Srebrenica verloopt zeer traag.

De hoofdverdachten, Ratko Mladic en Radovan Karadzic, zijn nog steeds niet uitgeleverd aan het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag. Maar ook voor het Bosnische gerecht, dat de minder prominente verdachten moet berechten, zijn nog maar drie aan Srebrenica gerelateerde processen gevoerd.

Daar probeert de Amerikaanse David Schwendiman, hoofdaanklager van het Speciale Departement voor Oorlogsmisdaden in Bosnië-Herzegovina, verandering in te brengen. Met geld van internationale donoren, waaronder Nederland (215.000 euro), zijn de afgelopen tijd vier internationale onderzoekers geworven voor ‘team zes’, het onderzoeksteam dat zich bezighoudt met Srebrenica. Ook werd begin vorige maand in Srebrenica een field office geopend.

Dat kantoor, op de vierde etage van het gerechtsgebouw, moet de onderzoekers in staat stellen meer veldonderzoek te doen. Ook moet het kantoor het getuigen makkelijker maken in contact te komen met de onderzoekers. Tweemaal per maand vindt in het kantoor een open dag plaats, en er is een telefoonnummer zodat mensen anoniem kunnen getuigen.

‘We willen de drempel om te getuigen zo laag mogelijk maken’, zegt Schwendiman. ‘Het kantoor zit in het gerechtsgebouw, waar elke dag mensen komen om redenen die niets met de oorlog te maken hebben. Getuigen hebben een dekmantel als ze niet willen dat iemand weet dat ze met ons spreken.’

Maar Mirjana, die weet wie haar vader heeft vermoord, is niet van plan naar het field office te gaan. Ook andere Moslims – zowel nabestaanden, potentiële getuigen als officiële functionarissen – zijn sceptisch.

‘Dit is geen veilige plaats voor getuigen’, zegt locoburgemeester Ramo Dautbasic in zijn kantoor in het gerenoveerde gemeentehuis van Srebrenica, vlak naast het gerechtsgebouw. ‘Niemand zal komen getuigen. Iedereen is bang. Veel oorlogsmisdadigers werken bij de politie, op school, en zelfs hier op het gemeentehuis.’

Het is een terugkerend thema in gesprekken met Bosnische Moslims in Srebrenica: ze wantrouwen de instellingen en ambtenaren van de Republika Srpska, het Bosnisch-Servische landsdeel waar Srebrenica sinds het vredesakkoord van Dayton uit 1995 ligt. Volgens de Moslims zijn die ambtenaren schuldig, of op zijn minst medeplichtig aan de genocide.

Dautbasic: ‘De MUP (Bosnisch-Servische politie, red.) heeft meegewerkt aan de oorlogsmisdaden. De mensen zijn bang dat de MUP hun volgt en onderzoekt.’

In 2005 werd bekend dat zo’n negenhonderd Bosnisch-Servische soldaten, die ten tijde van de genocide in de regio van Srebrenica waren, nog steeds in de instellingen van de Republika Srpska actief waren. Vorig jaar werden 35 politieagenten geschorst die mogelijk een rol in de genocide hebben gespeeld. ‘Er werken nog steeds mensen voor de regering van de Republika Srpska die mogelijk betrokken waren bij wat in 1995 in Srebrenica is gebeurd’, zegt Schwendiman. ‘Maar een beschuldiging is nog geen bewijs van iemands schuld. Die twee dingen worden nogal eens verward.’

Maar ook als de Bosnisch-Servische ambtenaren niet persoonlijk betrokken zijn geweest bij de genocide, beschouwen veel Moslims Bosnisch-Servische instellingen als een belemmering voor het onderzoek.

‘Ik zal je zeggen waarom het onderzoek zo traag verloopt: ons land is zeer complex, en het is niet in het belang van de Serviërs daar iets aan te doen’, zegt Muhizin Omerovic. Omerovic, die in 1995 twee maanden door de bergen trok om aan de genocide te ontsnappen, richtte een organisatie op die Moslims en Serviërs met elkaar wil verzoenen.

Omerovic geeft een voorbeeld: ‘Toen ik na de oorlog terugkwam in Srebrenica, vond ik een skelet in mijn huis. Aan de botten kon ik zien dat die persoon een gewelddadige dood was gestorven. Ik telefoneerde naar de identificatiedienst, die zei: steek het skelet in een plastic tas en we zullen het komen halen. Maar niemand kwam.

‘Na drie maanden belde ik voor de zoveelste keer en zei: ‘Als je het skelet nu niet komt ophalen, ga ik alle media inlichten en een schandaal veroorzaken. Dit is de broer, vader of zoon van iemand, en jullie laten hem maandenlang liggen.’ De identificatiedienst zei dat ik mocht doen wat ik wilde, maar dat ze niet konden komen. Ze moesten eerst toestemming hebben van de rechter in de Republika Srpska, en dan van de rechter in Sarajevo. Het is een Kafkaiaans proces.’

Locoburgemeester Dautbasic kent tal van potentiële getuigen die weigeren aan het onderzoek mee te werken. ‘Ik ken een man die als enige van een groep een executie heeft overleefd. Hij weet wie geschoten heeft, maar wil niet getuigen. Hij woont ver weg van Bosnië, is blij dat hij het er levend vanaf heeft gebracht, en wil niets te maken hebben met het onderzoek. Hij wil een normaal leven.’

Zelf verloor Dautbasic in 1995 zijn vader en twee broers. Zijn broers zijn nog steeds ‘vermist’. De stoffelijke resten van zijn vader werden teruggevonden: in twee massagraven, op 20 kilometer van elkaar. Om de sporen uit te wissen hebben de Serviërs massagraven geopend en de lijken elders herbegraven.

‘Mijn vader is samen met bijna duizend mannen gedood’, zegt Dautbasic, terwijl hij de laatst gemaakte foto van zijn vader toont. ‘Bij een veld, waar een groot graf was gedolven, werden ze allemaal neergeschoten. Eén man overleefde de slachting, hij heeft in Den Haag getuigd.’

Zulke getuigen zijn zeldzaam. Maar het zijn niet alleen slachtoffers die kunnen getuigen, zegt Schwendiman. Met het lokale kantoor in Srebrenica mikt hij ook op daders die last krijgen van schuldgevoelens. ‘Voor een deel is het kantoor ook bedoeld om te spoken in de hoofden van degene die aan de gruwelen hebben deelgenomen, en die nu het goede zouden kunnen doen door ons te helpen. Als ze geen gemoedsrust vinden zolang wij daar zijn, is dat mij best.’

Locoburgemeester Dautbasic denkt dat het lokale kantoor eerder het effect zal hebben dat oorlogsmisdadigers zenuwachtig worden en verhuizen, naar een plek buiten het bereik van justitie. Beter dan niets, vindt hij. ‘Als je vader vermoord is, is het beter als je de moordenaar niet elke dag in de ogen moet kijken.’

Een van de redenen van de trage voortgang van het Srebrenica-onderzoek is het gebrek aan financiële middelen en geschoolde medewerkers. Veel juristen zijn tijdens de oorlog gedood of gevlucht. Internationale juristen, wier hulp tegen eind 2009 moet zijn afgebouwd, werken mee aan het onderzoek. Bovendien is veel bewijs vernietigd, en zijn de weinige overlevenden van de massamoord bang om te getuigen.

Minstens een even grote belemmering is de complexiteit en omvang van de Srebrenica-zaken. Het aantal beschuldigingen omtrent Srebrenica loopt in de duizenden. ‘Dat gaat bij wijze van spreken van het stelen van een koe tot het plegen van massamoord’, zegt een insider van het Bosnische gerechtshof.

Een lastige opdracht voor het Speciale Departement voor Oorlogsmisdaden is het bepalen welke misdaden wel en welke niet vervolgd moeten worden. Dat gebeurt op basis van criteria als: de ernst van de misdaad, de verantwoordelijkheid van beklaagden, de kans dat beklaagden onderduiken, sterven of het onderzoek belemmeren, beschikbare getuigen en de kans dat zij onderduiken, sterven of onder druk bezwijken,de impact op gemeenschap en het beschikbare bewijsmateriaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.