De comeback van de stille, stoere mannen

Opvallend aanwezig in de romans van het afgelopen jaar was de 'gecultiveerde jongensachtigheid', constateert Daniëlle Serdijn. Oftewel: het proza van de geprononceerde kaaklijn.

Dit is niet weer een stuk over vrouwelijke auteurs die achtergesteld worden, niet de zoveelste signalering dat vrouwen geen literaire prijzen winnen. Dit gaat over mannen, en de troost van bier en porno.


'Kleine persoonlijke wissewasjes en relatieproblemen, al of niet in een moord eindigend, of in een cursus.' Zo klonk Cox Habbema in 2007 als voorzitter van de Librisjury toen ze verklaarde waarom er geen vrouwen op de shortlist waren gekomen. Onderwerpen waarover vrouwen schreven deugden niet, was het onverbiddelijke oordeel.


Ook achteraf gezien blijft het een vreemde opmerking. Het bijzondere van een literaire roman schuilt niet noodzakelijk in het onderwerp, maar vooral in de manier waarop er over dat onderwerp geschreven wordt.


Kijken we naar de literaire oogst van dit jaar dan valt op dat zaken die in 2007 als typisch vrouwelijk werden aangemerkt, onderdak vonden in nieuwe romans van Jan van Mersbergen, Henk van Straten, Peter Zantingh, Rik Launspach, David Pefko, L.H. Wiener, Hans Schellekens en zo nog een aantal auteurs. Ze schreven over vaderschap, en het al of niet aanvaarden daarvan, over relatieproblemen, over vriendschap, over (familie)besognes die soms eindigden in een zelfmoord, en een enkele keer, zoals in het geval van Hans Schellekens, in een cursus.


Als deze inventarisatie iets laat zien, dan is het dat er nauwelijks verschil bestaat tussen mannen en vrouwen in de kwesties waarover zij schrijven. Is dat iets nieuws? Niet helemaal. Wél is mij opgevallen dat deze schrijvers hun onderwerpen aanlengden met iets dat zich lastiger laat omschrijven, maar dat zich dit jaar desondanks eensgezind en onontkoombaar manifesteerde in romans van uiteenlopende kwaliteit: uitgesproken mannelijkheid, gecultiveerde jongensachtigheid, in vele variaties en gedaanten. Het liet zich bijvoorbeeld zien in de jongemannenstijl in het debuut van James Worthy waarin de verteller verlaten wordt door z'n verkering: 'Wat ik wil is doodgaan, neuken en vechten. Niet per se in die volgorde trouwens.'


Het toonde zich in de ervaren mannenstijl van L.H. Wiener in Shanghai Massage waarin hij verlangt naar een nieuwe grote liefde, maar het voorlopig even alleen moet doen: 'Porn has always been good to me'. David Pefko formuleerde iets vergelijkbaars in Het voorseizoen, zijn tweede roman: 'De gemiddelde man kijkt ongeveer een pornofilm per week. [...] Echte passies heb ik niet. Als ik diep nadenk, kan ik slechts de porno en het eten noemen.'


Eenvoudige genoegens, wat u zegt. Toch weten Pefko en z'n collega's ze zo uit te vergroten dat het hun personages een fabelachtige masculiene allure geeft. Geen vrouw die hen dit nadoet.


Ook het proza van Rik Launspach vertoonde die sterk geprononceerde kaaklijn. In Man meisje dood vertelt hij zowel over de oorlog in Afghanistan, als over een verloren geliefde. Het thema dat beide onderwerpen aaneen smeedt, was het gebrek aan slagkracht in de taal. Met taal houd je geen bommen tegen. Taal is krachteloos als het er werkelijk op aankomt, beweert Launspach.


Dat taal wel degelijk invloed kon hebben op handelingen, althans, dat dachten ze, was te lezen in een roman over een groepje West-Friese jongens, Een uur en achttien minuten, van Peter Zantingh. Hadden de personages maar met elkaar gesproken, hadden ze hun gevoel maar onder woorden gebracht, is hun indruk achteraf, dan hadden ze hun vriend wellicht af kunnen houden van zelfmoord. Maar het zit niet in hun aard: 'We houden onze bek dicht en denken dat het weer weggaat. Anders zijn we zwak en zielig. Mietjes.'


Deze gasten zijn zwijgzaam, introvert en naar binnen gekeerd, waarin ze verschillen van hun literaire voorgangers. Vergelijk de beschreven vriendenclubs van Nescio, van J.J. Voskuil, van Ronald Giphart.


Mannen praten niet. Maar ze zuipen wel. Laat ook Jan van Mersbergen zien in Naar de overkant van de nacht. In een roes van alcohol volgen we de gedachtenstroom van een eenzame carnavalsvierder tijdens Vasteloavond. We lezen over een man, stratenmaker van beroep, die dolgraag bij een familie wil horen, die een vader wil zijn, - iets wat we dit jaar ook tegenkwamen in de roman Salvador van Henk van Straten. Kenmerkend voor Van Mersbergen is de functioneel stramme wijze waarop zijn personages communiceren. Dat maakt hen tot stoere stille mannen, 'the strong silent type', zoals maffiabaas Tony Soprano de soort benoemde (babbelend nota bene, over zijn moedercomplex tegen zijn vrouwelijke psychiater). En om die soort gaat het, een soort waarvan Van Mersbergen de stamvader lijkt te zijn. Dat ze in zijn boeken optreden, knokkend, zwijgend, is inmiddels vaste prik.


Wat vertelt het ons, waarom duikt dit type plots op? Is het de economische crisis die de seksen terugduwt in veilige stereotypen? Of is het een antwoord op de doorgeslagen feminisering, een correctie die zich ook buiten de letteren manifesteert in praktische handboeken voor de man, in wetenschappelijk onderzoek, en op straat, waar het aantal baarden inmiddels niet meer te tellen is. Dat de mannenman in verhalen opduikt, is zo gezien dan vanzelfsprekend, omdat literatuur nu eenmaal altijd een arm uitstrekt naar de eigen tijd, inclusief zeden en gewoonten.


Wat maakt deze verschijning en z'n persoonlijke wissewasjes in literair opzicht nu zo goed te hachelen? Het antwoord moet ergens liggen in het gegeven dat dit type niet makkelijk praat, en ook niet meteen een intimiderende, of heldere analyse van gevoelens ten beste kan geven, iets waarin zijn vrouwelijke evenknie meestal wel bedreven is. Wie niks zegt, laat veel te raden over, biedt ruimte voor suggestie en speculatie. Het suggestieve en impliciete in literaire teksten is precies waar veel literatuurlezers warm voor lopen. Het kan bewerkstelligen dat een verhaal dagenlang in je hoofd blijft rondspoken.


En nog iets: zwijgzame vertellers drukken je met de neus op het feit dat een woord nooit vlees wordt, niets verandert aan een situatie: wie dood is, blijft dood, ongeacht het aantal woorden, waarmee we terug zijn bij Launspach en zijn verhandeling over het gebrek aan slagkracht van taal.


Het vereist moed te onderkennen dat taal vruchteloos is als je een schrijver bent, of een schrijver verbeeldt. Het heeft bijna iets tragisch die opgebouwde fictionele wereld op voorhand te ontmantelen.


Wat rest is eten, bier drinken en porno kijken. Dat mag een ontluisterende aanblik geven, maar het is wel zo eerlijk.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden