De chaos van de tijd bezweren

TOEN DE zon voor het eerst onderging, begon de decadentie. De nieuwe dag zal nooit zijn als de eerste. Elk verleden is verloren eigenheid, want verloren heden....

De onachterhaalbare tijd - de eerste dag - is de illusoire norm voor de kracht van het heden tegen de dreiging van de toekomst, die al onder ons is. Het normerende verleden kan ver weg liggen - een geïdealiseerde historische periode - of vlakbij, de tijd van de directe voorouders. Normeren leidt tot veroordelen van degenen die niet de gelijke idealen nastreven of de verwezenlijking of in standhouding ervan kunnen belemmeren. Zij zijn de zondaars of de ketters.

Voor de onderdelen van dat proces zijn vele metaforen voorhanden; ze komen uit verschillende cultuurperioden, waar ze eens de letter waren. Zie bijvoorbeeld de zondaars en de ketters. De ketter ontkende bepaalde dogma's van het christelijk geloof; hij dreigde daarmee dat heilig geloof, zoals dat vastligt, aan te tasten. De kerk, die het geloof vertegenwoordigt, keert zich ertegen: de leer dient behouden te worden. De argumenten ter bestrijding zijn vaak verwijzingen naar het verleden: vanaf de Vaders ligt alles zo vast. Het geloof moet voor besmetting - ook zo'n mooie metafoor - door de nieuwe leer worden behoed. De ketter - de scheurmaker, hij verdeelt het lichaam dat de kerk is; heel fraaie metaforen allemaal - wordt uitgestoten.

Maar de ketter ziet juist de kerk als besmet; hij wil op zijn beurt terug naar zoals hij meent dat het vroeger was, naar het begin, dat altijd als zuiver geldt. Hij scheidt zich af. De kerk en de ketter - ze preterenderen elk de zuiverheid in de leer, maar veroordelen daarmee elkaar tot onzuiverheid. 'Zuiver' en 'onzuiver' zijn beide natuurlijk metaforen.

Een trainer ziet jonge spelers als vertegenwoordigers van de 'patat-generatie'. Hun slapheid door verwenning is een bedreiging voor de toekomst van het voetbal. Op de achtergrond staan de succesrijke voetballers van vroeger; gestaalde jongemannen, die het voetbal speelden zoals het hoort. Ze zijn de norm waarmee de anderen veroordeeld worden. Zij zijn de onzuiveren, de zwakken. Wat roept het woord 'patat' alleen al aan slapheid op, aan ongezondheid ook, aan gemak.

Wie de zeer omvangrijke studie Zuiverheid en decadentie van de aan de Universiteit Maastricht verbonden historicus Arnold Labrie ten einde heeft gelezen, ziet niet alleen overal zuiverheid en onzuiverheid om zich heen, hij hoort ook hoe vaak en hoe gemakkelijk de begrippen gebruikt worden voor vele zaken. Iedereen lijkt bezig, op verschillende niveaus, orde op zaken te stellen, scheidingen aan te brengen, te veroordelen en daarmee zichzelf, althans zijn eigen standpunt, een algemeen geldige waarde te geven. Iedereen is conservatief, of hij nu behoudend of vooruitstrevend is.

Dat je door het boek gezuiverd raakt, is ook het gevolg van de hogerere eentonigheid ervan, van voortdurende herhalingen. Op pagina 230 lees ik: 'De preoccupatie met het zuivere en het onzuivere lijkt vooral kenmerkend voor historische crisissituaties, waarin de gevestigde orde wordt bedreigd en de angst voor verandering, ambiguïteit, grensvervaging en vermenging van categorieën toeneemt.' Dat lees ik dan zeker voor de twintigste keer - al wisselt 'lijkt' met 'is' af - en ik heb nog evenveel bladzijden te lezen. 'Is' is beter, want wat hier staat, is in feite de grondstelling van het boek, getoetst aan de burgerlijke cultuur in West-Europa 1870-1914. Dit zeer brede boek is in feite zeer smal.

Niet zo zeer de historische situaties worden onderzocht; het hoofdonderzoek betreft een aantal meesterwerken uit de westerse letterkunde waarin de wereld, als in de stelling omschreven, gestalte krijgt, de grote metaforische verbeeldingen van het tijdvak dus: het werk van Nietzsche, Thomas Mann (met name diens Der Tod in Venedig), J.K. Huysmans, Zola en vooral en zeer uitvoerig Bram Stoker en diens roman Dracula, die een smeltoven van alle ertsen en edele en onedele metalen van het laat-Victoriaanse Engeland blijkt.

De historische situaties worden er omheen beschreven; ook de persoon van de auteur, die deelhebbende en verbeelder tegelijk is, wordt erin betrokken. De analyses zijn zeer diepgaand en gedetailleerd, maar het werk wordt wel met de eenzijdigheid van de stellingname benaderd, op een, naar mijn smaak, wat hybride wijze. Maar dat hoeft niet verwonderlijk te zijn in een boek dat zelf nogal een hybris is. Voor we tot de crisissituatie in de burgercultuur komen, krijgen we een lange en ook wat ongelijke introductie over de begrippen zuiverheid en onzuiverheid in de klassieke cultuur, in het christendom (met de katholieke en protestantse varianten), maar ook vanuit de antropologie en andere menswetenschappen. Het is allemaal te veel en te weinig, al moet de paradoxale conclusie zijn dat beknoptheid (en meer stilistische vaardigheid) veel had kunnen redden. Dan hadden ook herhalingen voorkomen kunnen worden.

Misschien is dit de aanvechtbare grondstructuur van het boek: het is niet het verslag van een onderzoek dat de lezer meeneemt en tot getuige of betrokkene maakt, er is een stelling die aan verschillend materiaal gedemonstreerd wordt, en dit gebeurt zo veelvuldig, dat de lezer tenslotte alles zelf kan gaan invullen. Hij ziet de reinheid, onreinheid, het verlangen naar orde, de onzuiverheid van de zuiveren en de zuiverheid van de onzuiveren aankomen. De studie is te zeer de grootst mogelijke uitwerking van een enkel idee.

Is men eenmaal bij de literauur beland, dan wordt het voorafgaande snel vergeten. De paar honderd bladzijden inleidende geschiedenis hebben ten opzichte van de analyses van de literaire werken - toch het hoofddeel van het boek - nauwelijks een functie. Ik meen dat de typering 'hybris' niet helemaal onjuist is. Het lijkt mij niet onmogelijk dat de auteur bij het schrijven van zijn boek enigszins slachtoffer is geworden van zijn onvoorstelbare belezenheid. Sommige passages geven een dichte opeenvolging van citaten en verwijzingen te zien, met auteursnamen, die de gemiddelde lezer nauwelijks iets zeggen, laat staan dat hij ze kan beoordelen. (Sommigen van hen nemen trouwens nogal eens gemeenplaatsen in de mond, die het citeren niet waard zijn.)

Maar mij lijkt het grootste bezwaar tegen het boek dat je door zoveel tekst heen moet om tenslotte een waarheid als een koe over te houden: de westerse cultuur is uit op, en altijd uit geweest op, een zuivere orde, met als middelen grote filosofische, religieuze wereldbeschouwingen, louter maatschappijbeschouwingen ook, en alle grote symbolen waarin die gestalte hebben gekregen. De chaos van de tijd bezweren - dat is de onmogelijke opgave die de cultuur zich heeft gesteld.

Een van de zwaarste handicaps bij het lezen is dat het boek niet zozeer geschreven als wel samengesteld is, en dat vaak uit vele opvattingen en formuleringen van anderen. Het is in feite heel onpersoonlijk. Dat kan wetenschappelijk zijn, zoals het ook heel wetenschappelijk zal zijn dat tot vermoeiens toe alles uitgelegd moet worden. Dit omvangrijke boek is schitterend materiaal voor een niet te grote essayistische studie, niet vanuit de kennis (die is er uiteraard) maar vanuit de totale beheersing geschreven. Wie beheerst, is altijd beknopt.

Hij vindt ook zijn eigen, blijvende formuleringen, al of niet in schitterende metaforen, waaronder, naar ik vermoed, 'gisteren' en 'morgen' de belangrijkste zullen zijn. Hij schrijft een boek dat in elk geval vrolijker en stimulerender is dan deze wetenschap.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden