De Champs-Elysées van Afghanistan

De route Torkham - Jalalabad - Kabul is de weg waarover zegevierende legers de hoofdstad van Afghanistan naderen en triomfantelijk binnenrijden nadat de vijand is verslagen....

EEN bedrijvige modderpoel. Torkham, grenspost tussen Pakistan en Afghanistan, is zompig en vochtig van de regenbuien die het einde van de onbarmhartige Afghaanse winter aankondigen. De berghelling aan de zuidkant verdwijnt in een laaghangend wolkje. Een stroom water klettert vanuit de nevelflarden recht naar beneden.

De reizigers en grensbewakers lijken weinig last te hebben van de ongemakken die de regen veroorzaakt. Jongetjes banjeren op blote voeten rond in de blubber. Zes geldwisselaars zitten op een rijtje langs de weg, stapels bankbiljetten op houten kistjes voor zich, de roepies en afghani's droog onder paraplu's.

Pakistaanse douaniers lopen stoïcijns rond. Nu en dan houden ze een eenzame Afghaan staande, blaffen hem af alsof hij zojuist een ernstige misstap heeft begaan, nemen een schielijk toegestoken bedrag in ontvangst en laten hun slachtoffer dan met rust.

'Zag je dat?', zegt Qurban, een Afghaanse medereiziger, hoofdschuddend. 'Gewoon afpersing. Zo behandelen de Pakistani's ons.' Afghanen moeten er wat voor over hebben om hun door burgeroorlog verruïneerde land eventjes uit te mogen.

Het verschil in levensstandaard wordt meteen aan de grens zichtbaar. De Afghaanse douanebeambten zijn sjofele, bebaarde mannen met een bruine deken om de schouders tegen de kilte, die in de duisternis van een kaal hok zonder verlichting hun stempels in de paspoorten stampen. De Pakistaanse collega's, knap in het uniform, werken in kantoren met althans enig interieur.

Torkham bestaat verder uit nauwelijks meer dan een hotelletje en een paar autoreparatiewerkplaatsen. De grensovergang wordt gemarkeerd door twee witte bakstenen torentjes met een blauwe, metalen poort ertussen. 'Welcome to Pakistan - keep to the left', wordt de reiziger gewaarschuwd.

Niets wijst erop dat dit plaatsje, en de weg waaraan het ligt, een van de roemruchtste scharnierpunten van de geschiedenis vormt. De Khyber-pas, waarvan Torkham de westelijke toegangspoort is, vormt de verbinding tussen de Oude Wereld en het Indiase subcontinent.

Grieken en Arabieren kwamen ooit door de pas om gebied te veroveren in het huidige Pakistan en India. Koning Darius I van Perzië marcheerde er in de 5de eeuw voor Christus doorheen. Twee eeuwen later Alexander de Grote.

In de 19de eeuw was de weg tussen Peshawar (nu Pakistan) en Kabul het speelbord van de Great Game, de strijd tussen Rusland en Engeland om de hegemonie in het strategische Afghanistan. De Britten beleefden tussen Jalalabad en Kabul in 1842 een van de smadelijkste nederlagen uit hun militaire historie.

Het traject Torkham - Jalalabad - Kabul is de Champs-Elysées van Afghanistan. De weg waarover zegevierende legers de hoofdstad naderen en triomfantelijk binnenrijden nadat de vijand is verslagen, zoals Charles de Gaulle zich in 1944 liet verwelkomen in Parijs.

Soms is het, in omgekeerde richting, 's lands hazenpad. De vluchtroute voor zwakken en verslagenen. Het ontsnappingstraject voor degenen die via de Khyber-pas in Pakistan hun heil en ballingschap zoeken.

De afgelopen twintig jaar trokken honderdduizenden vluchtelingen over de bergroute, richting Pakistan, weg van het oorlogsgeweld, op de vlucht na weer eens een wisseling van regime. Soms keerden ze, mondjesmaat, over dezelfde weg terug.

De historische route werd afgelegd door mujahedin, hun lang verhoopte verovering van de Afghaanse hoofdstad in het vooruitzicht. Na hen kwamen de Taliban, jagend op dezelfde prooi. En nu schuift Ahmad Shah Massoud, legendarisch mujahedin-commandant, vanuit het noorden weer langzaam op naar de weg naar Kabul om de Taliban in de tang te nemen. In Tagab zit hij inmiddels, 30 kilometer boven Sarobi.

En vooral is de weg tussen Peshawar en Kabul op dit moment de navelstreng waarmee de bevolking van Afghanistan, de hoofdstad in het bijzonder, in leven wordt gehouden. Waar ooit vreemde legers in en uit gingen, passeren nu de konvooien van de Verenigde Naties en hulporganisaties met meel, medicijnen, dekens, brandstof.

In Kabul begint de Khyber-route bij het busstation in de wijk Karte Wali. Vrouwen in gescheurde burqa's en smoezelige kinderen bedelen er om een paar afghani's. Bussen rijden er vandaag nauwelijks. De meeste reizigers wachten liever tot na de stortregens die de weg glad en moeilijk begaanbaar maken.

Taxichauffeur Azim is bereid de tocht te ondernemen, voor een bedrag dat alleen de monopolist zich kan veroorloven te vragen.

Al op een half uur buiten Kabul doet het landschap zijn eerste beloften: fraaie kloven, in de verte besneeuwde toppen, een waterrijke Kabul-rivier. Maar de beloften worden niet helemaal waargemaakt. Spoedig verdwijnen de kloven en bergtoppen, en blijft een zanderige eentonigheid over die pas weer bij Torkham zal verdwijnen.

Enerverend is vooral het ooit door de Russen aangelegde wegdek, dat allengs meer gaten vertoont, overgaand in veel gat met af en toe een plak teer, tot er ruim vóór Sarobi van een weg geen sprake meer is.

Met enige regelmaat passeren we uitgebrande tanks, verroeste pantserwagens en oude legertrucks. Souvenirs van diverse oorlogsgolven. Azim weet de voormalige eigenaars van het materieel feilloos op te noemen.

Hij wijst op een tank en roept uit 'Taliban' - wat niet 'tank' is in het Farsi, maar de naam van de streng-islamitische militie die sinds anderhalf jaar de macht heeft in Kabul en in tweederde van het land. Net zo min is 'Hekmatyar' de vertaling van 'kapotte jeep', maar de achternaam van een van de mujahedin-leiders die negentien jaar geleden verkondigden dat ze maar even hoefden te blázen om president Najibullah uit Kabul te verjagen.

Toen de laatste militairen van het Rode Leger op 15 februari 1989 Afghanistan verlieten, zouden de mujahedin binnen een paar weken de achtergebleven communistenleider Najibullah hebben verslagen en verjaagd.

Beweerden ze. Dachten ze. En geloofde ook de buitenwereld, want zouden de mujahedinleiders anders met zoveel stelligheid hun aanstaande overwinning aankondigen?

Gulbuddin Hekmatyar, fundamentalist en niettemin door Amerika het royaalst van wapens voorzien, riep aan de vooravond van de Sovjet-aftocht zelfs uit dat hij binnen vijf dagen in Kabul zou staan. Buitenlandse diplomaten trokken weg uit de stad, doodsbenauwd voor de vernietigende Slag om Kabul.

Maar al wat er kwam na 15 februari: geen slag om Kabul.

Pas na drie weken begonnen de mujahedin een aanval op de makkelijkste prooi, Jalalabad. Maar zelfs dat was te moeilijk. De bestorming mislukte faliekant. De mujahedin-leiders in Peshawar moesten hun triomfantelijke intocht over de Champs-Elysées - door de Khyber-pas, via Jalalabad naar Kabul - nog even uitstellen.

Niet vijf dagen, maar liefst drie jaar hield Najibullah het uit. Pas in april 1992 moest de president opgeven.

Oponthoud in Sarobi. Bij een controlepost kijken jeugdige Taliban met vlassige baarden en kalasjnikovs wantrouwend de auto in. Azim reageert zenuwachtig op hun barse vragen. Met onderdanige mimiek en een zalvende toon probeert hij een kennelijk dreigend conflict te voorkomen. 'Maak je geen zorgen', wenkt hij naar zijn passagier.

Na een kwartier diplomatie en, belangrijker, de overhandiging van een aantal biljetten van tienduizend afghani's, laten de strijders ons passeren.

Vreemd. Hadden de Taliban Afghanistan dan niet verlost van corruptie en afpersing? Maar buitenlandse hulpverleners in Kabul hadden al gerept van verloedering van het Taliban-bewind. Lokale commandanten trekken zich minder aan van het centrale gezag. En inderdaad had een hulpverlener gezegd: 'Er zijn zelfs weer meldingen van tolheffing bij Sarobi.'

Sarobi, een kleine marktstad op tachtig kilometer ten oosten van Kabul, was tussen 1992 en 1996 de beruchtste tol van Afghanistan. Na het vertrek van de communisten was het land meer dan ooit versnipperd geraakt. Vooral het zuiden en het oosten was een anarchistische lappendeken. Hier wonen de Pathanen, een gevreesd, in clanverband levend volk met een krachtige traditie van lokale autonomie.

De Pathaanse provincies waren in handen van mujahedin-groepen, roverhoofdmannen, feodale chefs, subclans en loslopend geboefte. Voornaamste bronnen van inkomsten waren de papaver en het heffen van tol op zoveel mogelijk plaatsen op zoveel mogelijk wegen. Elke randgroepjongere met een AK-47 kon met een slagboom de weg afsluiten en een handvol afghani's vragen voor een vrije doorgang.

Sarobi, aan de drukste en meest lucratieve weg van Afghanistan, was een toplocatie voor de tolheffers. Ook buitenlanders - hulpverleners en journalisten - passeerden de plek met angst en beven. Telkens was het de vraag met hoeveel van hun geld of lading zij het dorp weer zouden verlaten.

Het was vooral deze praktijk die de stemming rijp maakte voor de razendsnelle opmars van de Taliban. De Afghanen waren in 1994 -'96 kotsmisselijk van de mujahedin. Van de anarchie, de willekeur, het geweld. Eindelijk verscheen daar een wonderbaarlijke groepering die een eind wist te maken aan de kalasjnikov-cultuur.

'Als je vroeger twintig kilometer reisde', zegt Rafaat Ludin, directeur van de Afghaanse hulporganisatie AREA, 'passeerde je tien checkpoints van mannen die erop uit waren je te beroven. Als ze al niet een of andere reden hadden je te doden of te martelen.'

Zoals elders maakten de Taliban een eind aan de tolheffing in Sarobi, toen ze er eind september 1996 vanuit Jalalabad arriveerden. Geen schot hoefden ze te lossen om het stadje in handen te krijgen. Ze kochten de plaatselijke commandanten simpelweg om - een militaire strategie waarmee zij in twee jaar vanaf september 1994 het hele zuiden en westen van het land in handen kregen.

Met Sarobi eenmaal onder controle, lag de Champs-Elysées naar de hoofdstad voor hen open. Op vrijdag 27 september, in de vroege morgen, trokken de jeugdige Talibanstrijders Kabul binnen.

Kabul - Sarobi - Jalalabad - Torkham - Peshawar en vice versa. Een hordeloop vol botten, bloed en verroeste tanks. De bergtoppen aanschouwden glorieuze overwinningen, maar ook verpletterende nederlagen. Wie in het zand graaft, vindt de stoffelijke resten van hoop, van illusies, van nachtmerries.

Hier verloren de Britten hun Eerste Afghaanse Oorlog, een gevolg van hun pogingen de Indiase kolonie aan de westkant te voorzien van een buffer tegen Russische expansie.

In 1839 waren zij erin geslaagd in Kabul een marionet, koning Shah Suja, aan de macht te brengen. Maar twee jaar later hadden de Britse troepen zich diep gehaat gemaakt bij de Afghanen en hun stamhoofden, onder andere door hun seksuele contacten met Afghaanse vrouwen. Toenemend geweld tegen de Britten leidde tot een overhaast vertrek. Zij sloten daartoe een akkoord met hun tegenstander Akbar Khan, zoon van de door de Britten verdreven emir Dost Mohammed. Maar pas onderweg ontdekten zij Khans geheime agenda: de Britten voorgoed van Afghanistan genezen door de vluchtenden te decimeren.

Om 9 uur 's ochtends op 6 januari 1842 vertrok een stoet van ongeveer 16.500 mensen met bestemming Peshawar. De karavaan omvatte zevenhonderd Britse militairen, 34 Britse vrouwen en kinderen, 3500 Indiase soldaten en maar liefst 12 duizend man burgerpersoneel met hun vrouwen en kinderen, allen van Indiase afkomst.

Wat het land in was gekomen als het fiere, onoverwinnelijke Brits koloniale leger, vertrok als een armzalig zootje, met onvoldoende voedsel, kleding en brandhout voor de barre tocht door de snerpende winterkou. Te zwak bewapend om zich de vijandige stammen in de bergen van het lijf te houden.

Een ooggetuige beschreef 'een onafgebroken lijn van arme wrakken, mannen, vrouwen en kinderen, dood of stervend van de kou en verwondingen. Veel kinderen, te uitgeput om rechtop te blijven staan, vielen bewusteloos neer in de sneeuw, terwijl hun treurende moeders het te koud hadden om te huilen.'

Al na vier dagen was nog maar een kwart van de stoet in leven. Gestorven door de kou, gedood door krijgers van de Pathaanse stammen in de bergen, neergeschoten door het leger van de hen achtervolgende Akbar Khan.

Bij Gandamak in de Jagdalak-pas, ten zuiden van Sarobi, deed een laatste groep militairen een wanhopige poging zich de aanvallende Pathaanse horden met hun jazails (lange, zelfgemaakte geweren) van het lijf te houden.

In Futtehabad, zestien kilometer van Jalalabad, waren nog maar zes officieren in leven. Vijf van hen werden door dorpelingen omgebracht. De laatste, de arts William Brydon, wist met een zwaard zijn belagers van zich af te slaan. Te paard kwam hij op 13 februari 1942 aan in Jalalabad, de enige overlevende van een koloniaal leger van 16.500 man, om verslag te doen van de tragedie.

De Britse kunstenaar W. A. Wollen maakte een beroemd schilderij van de gebeurtenissen in de Jagdalak-pas, The Last Stand of the 44th Foot at Gandamak: een twintigtal angstige soldaten, ruggen tegen elkaar, bajonetten omhoog, te midden van lijken en gewonden, omringd door besneeuwde toppen.

En Rudyard Kipling dichtte:

When you're wounded and left on Afghanistan's plains

And the women come out to cut up what remains

Jest roll to your rifle and blow out your brains

An' go to your Gawd like a soldier.

Voorbij Torkham werpt de regen in omvang toenemende barricades op. Gezwollen bergstroompjes hebben hun loop verlegd tot over de weg. Op sommige plekken zijn het heuse riviertjes geworden. Om de paar honderd meter moet de taxi nu door een stroom rijden, en elke keer wordt het water breder en dieper. Na een paar kilometer wordt het aantal van ons tegemoetkomende chauffeurs verontrustend groot. 'Road block', wordt er geroepen.

Dit gebied is tribal area: de Pakistaanse regering heeft nooit greep kunnen krijgen op de Pathanen. Wettelijk is vastgelegd dat het staatsgezag hier maar zeer beperkt geldt. Als alle buitenlandse reizigers word ik verplicht vergezeld van een gewapende lijfwacht, een lokale Pathaan met kalasjnikov, die er tegen betaling voor zorgt dat ik niet word beroofd.

Even later zien we hoe een lager gelegen weggedeelte wordt gekruist door een zojuist ontstane, wild kolkende rivier. Aan weerszijden staan vele tientallen voertuigen: personenauto's, vrachtwagens, minibusjes, sommige afgeladen met hele families. Mannen zijn uitgestapt en turen in de regen mistroostig naar de stroom. Twee busjes zijn ruim anderhalve meter in het water weggezakt: slachtoffers van overmoed en miscalculatie.

'We kunnen er niet door', zegt de chauffeur ten overvloede. 'We moeten terug naar Torkham. Misschien is het over een paar uur beter. Anders moet je maar in Torkham overnachten.'

Torkham ziet er bij deze onvrijwillige terugkeer nog mistroostiger uit dan een uur geleden. Maar voordat het overnachtingsscenario werkelijkheid kan worden, brengen de Verenigde Naties uitkomst. Een VN-team in een witte four wheel drive komt aan uit Kabul en is bereid een buitenlandse journalist een lift te geven - én heeft voldoende vertrouwen in de paardenkrachten van de stoere Toyota.

Bij de vloed doen de wachtende mannen vol ontzag een stapje opzij voor het witte VN-mobiel. De Pakistaanse chauffeur rijdt tot de rand van het water, aarzelt even, trekt dan fel op en duikt met zijn neus de stroom in. De Mozes van Japans fabrikaat doorklieft het water langzaam, maar zonder problemen. Als we aan de overkant weer op het droge klimmen, blijft de ovatie waar we recht op hebben uit - applaudisseren hoort misschien niet tot de Afghaanse tradities.

Of zou het de aloude argwaan zijn tegen een buitenlandse macht die zijn Afghaanse vijand - de kolkende stroom - weet te bedwingen? 'Als Afghanen onder elkaar zijn, hebben ze voortdurend ruzie', zegt Azim. 'Maar komt er een buitenstaander, dan keren ze zich allemaal tegen hem.'

Weinig volken laten zich zo moeilijk iets opleggen als Afghanen. De Britten ondervonden dat in de vorige eeuw. Voorbij de Khyber-pas werden zij geconfronteerd met trotse lieden die nooit enig gezag hadden erkend buiten de eigen vallei. Precies hetzelfde lesje kregen de Russen in de jaren tachtig.

En nu zijn het de VN en andere hulporganisaties die zich de vijandschap op de hals halen van de machthebbers in Kabul en zich af en toe de grootst mogelijke moeite moeten getroosten niet het land te worden uitgeschopt, met meel en medicijnen en al.

'Je kunt', zegt Rafaat Ludin, 'een Afghaan er zachtjes van overtuigen dat hij naar de hel moet. Maar je kunt hem niet dwingen naar de hemel te gaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden