De bron van de bolletjes

Nederlands wanhopige pogingen bolletjesslikkers buiten de deur te houden, zijn symptomatisch voor de oorlog tegen de drugs. Zolang er vraag is naar drugs en zolang het risico loont, blijft het dweilen met de kraan open....

'Ons krijgen ze hier niet weg', zegt John. Triomfantelijk voegt hij eraan toe: 'We maken hen helemaal gek. Dat blijkt wel uit het feit dat ze iedere dag op ons schieten.' John (niet zijn echte naam) is één van de paar honderd Amerikanen die in Colombia de andere oorlog van president Bush voeren, die tegen de drugs. De opgewekte dertiger coördineert vanuit een vliegtuig sproeiacties tegen illegale cocaplantages. De 'ze' die gek gemaakt worden, zijn strijders van de marxistische guerrillagroep Farc die in het gebied actief zijn.

De besproeiingen vormen het hart van Plan Colombia, een Amerikaans-Colombiaans programma dat met militaire en humanitaire middelen het Andesland van de drugsteelt moet afhelpen en de machtige Farc van haar belangrijkste inkomstenbron. Deze sproeicampagne is al sinds 1998 bezig, maar nu men toe is aan de bolwerken van de guerrilleros nemen de problemen toe.

De piloten, onder wie oud-militairen, hebben vaak eerder in de Vietnamoorlog gevlogen of scheerden met blusvliegtuigen over vuurzeeën. Maar Colombia valt zelfs dit soort adrenaline-junks vies tegen, zegt John, die zelf niet aan de stuurknuppel zit, maar meevliegt om op zijn laptop de doelen te bepalen en de concentraties van het gif glifosaat door te rekenen en bij te stellen. 'De piloten hadden er niet op gerekend dat de oorlog tegen drugs zoveel op een echte oorlog zou lijken.'

De bespuitingen vinden plaats aan de hand van satellietfoto's en worden gecoördineerd vanaf drie luchtmachtbases, twee in het zuiden en een in het oosten van het land. De Amerikanen sproeien en de Colombianen schieten. Want ieder sproeivliegtuigje wordt beschermd door militaire helicopters met commando's aan boord. Desalniettemin lukte het de Farc reeds driemaal een vliegtuigje naar beneden te halen. De laatste keer kwam daarbij de piloot om het leven. De helicopter die speciaal meevliegt om reddingsacties uit te voeren, kon door beschietingen vanaf de grond niet in actie komen. Bij terugkeer bleek de helicopter twaalf kogelinslagen te tellen.

Coca, een struik met stevige, ligusterachtige blaadjes die de grondstof vormen voor cocaine, komt voor in Ecuador, Peru, Bolivia, Colombia, Venezuela en Brazilië. Dat Colombia veruit de belangrijkste producent en exporteur kon worden, verklaren onderzoekers uit een serie bijkomende factoren. Een ervan is het isolement van de gebieden, ingeklemd tussen de bergketens van de Andes, waar de coca wordt verbouwd.

Verder kende Colombia een rijke smokkeltraditie, ondernemende handelaren die bereid waren tot het gebruik van bruut geweld, een overheid en burgers die tolerant waren tegenover illegale activiteiten en de (reeds vroege) aanwezigheid van een grote kolonie Colombianen in de Verenigde Staten, de belangrijkste afzetmarkt.

De eerste cocaboom in Colombia begint eind jaren zeventig. Coca wordt dan op kleine schaal verbouwd door boeren in het Amazonegebied en op de vlaktes in Oost-Colombia. Na een paar jaar zakt de cocaproductie in: de Boliviaanse en Peruaanse boeren kweken een beter product en de Colombianen beginnen uit deze landen cocapasta, het deegachtige halffabrikaat, te importeren. De pasta wordt opgehaald met vliegtuigjes die onder de radar doorvliegen. In Colombia wordt de pasta tot cocaine geraffineerd.

Begin jaren negentig, als de bestrijding van de cocateelt in Bolivia en Peru wordt verscherpt, begint de tweede cocaboom in Colombia. Het zijn nu niet alleen boeren die zich met de teelt bezighouden, maar ook professionele drugshandelaren. Er verrijzen grote plantages in het oerwoud. Dankzij betaalde bescherming door de guerrillero's kan de aanplant goed gedijen. De velden worden beplant met een nieuwe, productievere soort cocastruiken. 'Mensen roofden 's nachts de struiken van de akker', herinnert een boer zich. 'Iedereen wilde opeens in de coca.'

In de tweede helft van de jaren negentig trekken gewapende groepen (marxistische rebellen en rechtse paramilitairen) de cocaproductie naar zich toe. In gebieden waar ze machtig zijn, dwingen ze boeren cocapasta aan hen te verkopen of/en coca te verbouwen. Neem de vader van Carlos Palácios, de net gekozen gouverneur van het gewest Putumayo, dat grenst aan Ecuador. Hij vertikt het coca te verbouwen. Een paar weken later komt de Farc langs. Als hij blijft weigeren, wordt hij doodgeschoten, dreigen zij. Palácios: 'Hij heeft alles wat hij had opgebouwd moeten achterlaten en is gevlucht.'

Diep in het Amazonegebied heeft de Farc tegenwoordig eigen plantages waar mensen, inclusief guerrillero's zelf, als slaven werken. Ex-guerrillero Freddy werkte meer dan een jaar op zo'n plantage. 'Als je praatte of in slaap viel, werd je in een gat in de grond gestopt dat werd afgesloten met gaas. Daarin hielden ze je vast, zonder eten of drinken, terwijl de zon op je hoofd brandde. De straf kon dagen duren.'

Al bijna twintig jaar nu besproeit Colombia de illegale gewassen ondanks alle bezwaren tegen glifosaat en andere gebruikte gifstoffen. De intensiteit wisselde, maar de druk was altijd groot. Die druk kwam steeds van de Verenigde Staten, de belangrijkste afnemer van Colombiaanse drugs. Vernietiging van de gewassen - bij voorkeur vanuit de lucht - is de basis van het Amerikaanse beleid op dit punt. Anders gezegd: de Amerikanen definiëren het drugsprobleem als een aanbodprobleem. De Colombianen verdedigen de omgekeerde stelling: zonder afzetmarkt is er geen productie.

Opportunisme speelt hierbij ook een rol. 'Coca was de beste landhervorming denkbaar. Eindelijk hadden de kleine boeren een product dat makkelijk was te telen, waar ze een goede prijs voor kregen en waar altijd vraag naar was', zegt Alfredo Molano, publicist en onderzoeker.

Oud-minister Rudolf Hommes van Financiën: 'Wij rookten zelf stickies in de jaren zeventig. Voor ons waren coca en marihuana gewoon een exportgewas erbij. We zagen er geen kwaad in, maar hebben de desastreuze effecten op onze samenleving volstrekt onderschat.' Pas toen de drugsmafia een minister van Justitie vermoordde en cocainebaron Pablo Escobar zijn terreurcampagne begon, ging Colombia overstag.

Het resultaat van de pogingen de cocateelt uit te roeien valt bar tegen. Als men aan de Caribische kust gif begint te spuiten, verplaatst de illegale teelt zich naar de bergachtige gebieden in het zuiden. Als men ook daar gaat spuiten, verplaatst de teelt zich naar het Amazonegebied. Drugs zijn een mobiele cultuur: als er intensief wordt gespoten, verplaatst de teelt zich met alle schadelijke gevolgen voor het milieu (kaalkap) van dien. En als de sproeicampagne ophoudt, neemt het aantal hectares waarop coca wordt verbouwd doorgaans weer toe.

Pas sinds twee jaar neemt het areaal waarop coca wordt verbouwd daadwerkelijk af. Hoe dat kan? 'We zijn efficiënter geworden', zegt generaal Jaime Vera, chef van de anti-narcoticapolitie. Efficiënter blijkt in dit geval vooral te betekenen dat de bestrijding intensiever wordt. Er wordt op meer plekken tegelijkertijd gespoten, het aantal beurten dat een veld per jaar krijgt is opgevoerd en de concentratie glifosaat ging omhoog.

Het succes is evenwel betrekkelijk. In Colombia daalt het aantal ha maar in Bolivia, waar het protest van cocaboeren eerder dit najaar de val van de president inluidde, stijgt de productie weer. In Colombia zelf is de totale productie weliswaar afgenomen, maar is tegelijkertijd een nieuwe verplaatsing van de cocateelt waarneembaar. De cocaproductie neemt toe in indianenreservaten in het grensgebied met Venezuela, en diep in het Amazonegebied langs de grens met Brazilië. Socioloog en cocadeskundige Ricardo Vargas: 'Er zijn nu varianten van de cocaplant die het ook doen onder bomen zodat ze op de satellietfoto's onzichtbaar blijven. Een andere truc om niet door satellieten te worden opgemerkt is de coca in stroken van niet meer dan een meter breed aan te planten.'

Vervolg op pagina 16

Coca in plaats van koffie

Vervolg van pagina 13

John heeft in zijn helicopter regelmatig het gevoel met een uphill fight bezig te zijn. Na het sproeien kijkt hij altijd om. Dan blijkt dat onder de bomen soms mensen hebben staan wachten. 'Ze rennen na het sproeien meteen het veld op en beginnen als razenden de besproeide coca om te halen.' Want zolang de glifosaat niet naar de wortels is gezakt, kan de plant opnieuw opkomen.

John opereert vanuit Tumaco, een verslonsd havenstadje aan de Stille Oceaan in het gewest Nariño vlakbij de grens met Ecuador. Op straat ruikt het er naar gebakken vis; de meeste bewoners zijn zwart en de meeste huizen van hout. Kokospalmplantages, cacao en visvangst vormden een eeuw lang de basis van de plaatselijke economie. Totdat drie jaar geleden, toen de besproeiingen in het belendende gewest Putumayo werden geïntensiveerd, de cocateelt kwam opzetten.

Nu zijn ook in Nariño de sproeivliegtuigjes gearriveerd. Vanwege de regentijd hebben John en zijn collega's de vluchten evenwel tijdelijk gestaakt. Er zit teveel vocht in de lucht. Vier nieuwe, donkerblauwe sproeivliegtuigjes met de Colombiaanse en Amerikaanse vlag op de romp staan werkloos naast de startbaan. De meeste actie op het vliegveldje van Tumaco speelt zich verderop af, rond een betonnen tafel. Daar controleren militairen alle koffers en tassen bij vertrek op drugs. En bij aankomst op pakken geld en wapens.

De binnenlandse vlucht zit bijna vol want dankzij de coca staat Tumaco in de belangstelling. Er zijn nieuwe hotels gekomen, restaurants met terrassen aan het water en blinkende bolides die toeterend door de plassen rijden. Bij de aanlegsteiger staan pubers en mannen met sporttassen: cocaplukkers. Met volksstammen tegelijk zijn ze naar Nariño gekomen. Vanaf hier zal een boot de raspachines, zoals zij worden genoemd, naar een plantage brengen, ergens aan een van de honderden kreken en zijriviertjes. Ze spreken accenten van elders en dragen opzichtige gympen. Werk is er genoeg. Want om een kilo cocaine te kunnen produceren, heb je zeventig balen cocablaadjes nodig.

Dat de Colombiaanse economie inmiddels geheel afhankelijk zou zijn van de drugs is nochtans een misvatting. De Colombiaanse economie is in vergelijking met die van Peru en Bolivia en zeker in vergelijking met de economieën van de Caribische eilanden groot en gediversifiëerd. Volgens de econoom Ricardo Rocha die op verzoek van de VN berekeningen maakte, was de drugsexport (cocaine, heroine en marihuana) een aantal jaren geleden goed voor 5 procent van het Bruto Nationaal Product. 'Meer is het nooit geweest', zegt Rocha. Vanwege de besproeiingen schat hij het aandeel nu op minder dan 2 procent. 'In Mexico is het meer.'

Maar, tekent de econoom aan: om een beter beeld te krijgen van de rol die drugs in de economie spelen, zouden ook de kosten, zoals extra uitgaven aan veiligheid, defensie en justitie (2 procent van het BNP) plus de anti-drugscampagnes, zoals Plan Colombia (1,1 procent van het BNP) meegewogen moeten worden. Dit zijn cijfers die Colombianen bitter stemmen. Want de Verenigde Staten, de voornaamste afnemer, geeft slechts 0,2 procent van het BNP uit aan de strijd tegen drugs.

In arme, achtergebleven gebieden als Nariño maakt coca wel een wereld van verschil. Coca is zelfs in staat de migratiestroom om te keren. Dorpsgenoten die van armoe naar de stad verhuisden, keerden massaal terug en zijn hun veld weer gaan bewerken. Betekent het dat boeren blij zijn met de coca? De kleine boeren verrassend vaak niet. Het geld weegt voor hen doorgaans niet op tegen de ellende in de gedaante van gewapende groepen die hen bedreigen, het geweld, de onzekerheid of er gesproeid gaat worden, het verlies van andere gewassen bij een bespuiting, de water- en bodemvervuiling en het verlies van waarden.

In de hechte Afrocolombiaanse dorpsgemeenschappen van Nariño waren solidariteit en respect een hoog goed. Nu wordt er gelogen om niet in de gevangenis te komen, vertelt boer Abad Palácios Bonilla, die in de dorpsraad van Bajo Mira zit. En kinderen zien het nut van leren niet meer in. 'Ik verdien met plukken in één dag wat jij in een maand krijgt, zeggen ze tegen de lerares.'

In Putumayo, dé cocaregio voordat Plan Colombia van start ging, legden bijna veertigduizend boeren zichzelf de verplichting op de cocastruiken uit de grond te trekken. Het was hun tegenaanbod om te voorkomen dat hun velden besproeid zouden worden. De regering zou helpen met de overschakeling op alternatieve producten als palmhart, rubber, fruit, viskweek en pluimvee. De opzet mislukte. De regering kon de belangstelling niet aan en kwam niet verder dan het uitdelen van voedselpaketten. De boeren, gefrustreerd, hadden stiekem wat cocastruiken achter de hand gehouden om niet helemaal zonder inkomsten te komen zitten.

Een economie laten omschakelen, ook al is het maar op lokale schaal, vergt tijd. En gewassen kennen hun eigen ritme: rubber oogst je pas na zes jaar en palmhart na vier. Om sneller resultaten te boeken worden er daarom ook koeien uitgedeeld onder de boeren. 'Dat vinden projectmanagers makkelijk. Die lever je af en kun je tellen', zegt antropologe Maria Clemencia Ramirez die veel onderzoek deed onder cocaboeren. 'Maar wat moeten mensen met koeien als er geen vleesfabriek is?' Het hulpgeld wordt verder vaak opgemaakt aan wegen en bruggen. Ook dat is makkelijk plannen.

Ondanks de intensieve sproeicampagne produceert Colombia naar schatting nog 640.000 kg cocaine per jaar. President Uribe heeft zijn kiezers toegezegd dat Colombia vóór 2006, als zijn termijn erop zit, van de coca af is. Op het hoofdkwartier van de politie in Bogotá, waar foto's van gearresteerde drugsbendes aan de muur hangen, heeft men geen spatje twijfel over de overwinning. 'We halen het nog veel eerder dan gepland', zegt generaal Vera.

Deskundigen betwijfelen het. 'Er zijn steeds minder gemeenten helemaal vrij van coca', constateert antropologe Ramirez. In de dichtbevolkte en vroeger rijke koffiestreek rukt de cocastruik op sinds de prijs van koffie op de wereldmarkt is gekelderd. Zelfs in het gewest rond Bogotá zit coca in de lift.

Ricardo Vargas: 'De veronderstelling dat boeren het initiatief nemen coca te planten is fout. Zonder opkopers begint een boer niets.' Er zijn belangengroepen die de cocateelt in standhouden. 'Het zijn steeds vaker de commandanten van de Farc die besluiten waar coca wordt geteeld.'

In Putumayo hebben John en zijn collega's daarom duizenden hectares coca ongemoeid moeten laten laten. De Farc is er sterk en het sproeien werd daarom te gevaarlijk. Wat de Amerikaan in dat opzicht het meeste zorgen baart is het gerucht dat de Farc het laatste vliegtuig met een draagbare raket uit de lucht heeft gehaald.

John: 'Als het waar is, staan we voor een groot probleem. Dat zijn dezelfde wapens die in Irak zoveel doden hebben gemaakt.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden