De briljante parvenu Thorbecke

Deze week is het tweehonderd jaar geleden dat Thorbecke werd geboren (14 januari 1798). Het is straks - in april - ook honderdvijftig jaar geleden dat zijn befaamde Grondwet tot stand kwam....

HIJ SPEELDE graag fluit, en voor een goed concert zegde hij soms een kabinetsvergadering af. Hij hield van schilderijen en strandwandelingen, hij reed paard en hij biljartte, en gedurende de drukste en spannendste maanden van zijn leven, toen hij weifelende geestverwanten en principiële tegenstanders (inclusief de koning) over de streep moest trekken voor zijn ontwerp-Grondwet, stak hij na gedane arbeid elke late avond in zijn Haagse kamer nog een sigaar op, om 'in het beste uur van den dag' een minnebriefje naar huis te schrijven - naar zijn 'allerzoetst madonnaatje', zijn 'wangetje', zijn 'engelswijfje'.

Die dingen lees je niet af aan de portretten die zijn overgeleverd van Johan Rudolf Thorbecke. Alles wat je daar op ziet lijkt het beeld te willen bevestigen van een kleurloos, saai, door onbevlogen burgerheren gedomineerd tijdperk: een houterig gezicht dat geen enkele emotie wenst prijs te geven, een bitse mond, armen en handen die geen weg weten met zichzelf, en ogen zonder uitdrukking of het moest die van strenge afstand zijn - een ongenaakbare, kille bovenmeester kortom, een Pennewip.

Iedere keer als hij over hem schreef - en dat heeft hij veel gedaan - maakte zich van Multatuli een machteloos soort kippendrift meester, een woede die hij zelfs met zijn pen niet onder de duim scheen te kunnen krijgen en die de minst gearticuleerde van zijn Ideeën opleverde. Hij moet die man gehaat hebben, zoals alleen een autocratische romanticus een altijd netjes geplooide, bedachtzame Hollandse liberaal kon haten.

Hollands is overigens het woord niet.

Thorbecke was van 'over' de IJssel, en aan het eind van de achttiende eeuw lag er nog een wereld van verschil tussen Zwolle en Amsterdam, of preciezer: tussen een land- en een zeeprovincie. Overijssel was in de laatste jaren van de oude Republiek het ressort geweest van de rebelse democraat Joan Derk van der Capellen tot den Pol, en van diens ideeëngoed zouden we volgens sommige biografen Thorbecke de onmiddellijke vruchtgebruiker moeten noemen. Liep er niet een regelrechte lijn van de felheid waarmee de een het stadhouderschap had bestreden, naar de kordate wijze waarop de ander in 1848 de koning 'onschendbaar' gemaakt, dus in feite politiek gecastreerd had?

De gedachte heeft iets aantrekkelijks: Thorbecke als laatste in de rij van Oldenbarnevelt, Johan de Witt en Van der Capellen - laatste in de traditionele rij van 'staatse' regenten versus een centraal dynastiek gezag. Maar ze gaat niet helemaal op. Natuurlijk heeft Thorbecke het koningschap danig ontmanteld, en hij zou als regeringsleider ook geen Gladstone worden, zeker geen hoveling en nog minder een toegewijde oranjeklant. Maar hij zag de monarchie als een belangrijk, nuttig en voor de Nederlandse staatsrechtverhoudingen zelfs onvervangbaar instituut, dat hij z'n leven lang strikt zou blijven eerbiedigen.

Los daarvan trouwens: Joan Derk was een Gelderse jonker, Johan Rudolf een kind van de kleine, Zwolse burgerij. Willem III en de leden van het oude, conservatieve patriciaat vonden hem een parvenu - en met reden: hij vertegenwoordigde een klasse die, letterlijk, nog maar net was aangekomen in de samenleving, en die maatschappelijk nog alles moest zien te bereiken. Hij zou liever z'n tong hebben afgebeten dan het zo te benoemen, maar hij was onmiskenbaar een product van de (Franse) Revolutie.

Met de paplepel zal hij het niet echt hebben meegekregen: politiek speelde nauwelijks een rol in het ouderlijk huis. Thorbecke senior was een bloeiende tabaksnering kwijtgeraakt aan het Continentaal Stelsel, dus op Napoleon zullen ze in de familie niet dol zijn geweest. Maar de wereld waarin de kleine Thorbecke opgroeide was intussen wel van hem vervuld, en Johan Rudolf moet met vriendjes zo hartstochtelijk soldaatje hebben gespeeld, dat z'n moeder hem later generaal zag worden. Hij was al dertien, en op de Latijnse school, toen de keizer in 1811 Zwolle met een bliksembezoekje vereerde (en ongetwijfeld is hij toen wezen kijken), en hij was al letterstudent in Amsterdam in de dagen van Waterloo. Opwindende tijden voor een jonge jongen, zou je zeggen, maar je krijgt nooit de indruk dat hij zijn huiswerk onder de opwinding zou hebben laten lijden.

Deels moet dat de invloed zijn geweest van de in zijn eigen loopbaan geknakte vader, die de zoon jarenlang met een haast ziekelijke eerzucht heeft achtervolgd. Ook toen de geslaagde en met lof gepromoveerde student met een rijksbeurs(je) naar Duitse universiteiten was afgereisd, bleef de vader hem met brieven vol adviezen, aansporingen en vermaningen op de huid zitten, en altijd schijnt de zoon te hebben geluisterd.

Er rinkelden in Zwolle al alarmbellen toen Thorbecke naar huis schreef dat hij in Dresden van Raphael, Corregio en Michelangelo had 'gedronken' als van 'een stroom des genots', en er was bijna paniek na de brief waarin hij opbiechtte dat hij tot over z'n oren verliefd was geraakt op de oudste dochter van de grote romantische dichter Ludwig Tieck. 'Om dit hemelse wezen te schetzen', schreef hij over Dorothea, 'moest men eigentlijk over eene nieuwe taal gebieden kunnen' - en vader scheurde een al verzegelde envelop open om aan zijn brief nog een dwingend krabbeltje toe te voegen: onder geen beding mocht Johan zijn 'toekomstmooglykeden' in de waagschaal stellen voor nota bene een romance, en hij diende dus onverwijld 'vast en onherroepelyk een mannelyk besluit' te nemen.

Vermoedelijk zou Thorbecke hebben gehoorzaamd, maar het meisje was hem voor: de avances van de aanbidder waren haar te onstuimig, en ze verbrak het contact.

Het is waarschijnlijk typerend dat hij daarna nog twaalf jaar vrijgezel bleef. Pas toen hij zich maatschappelijk gevestigd kon wanen - al hoogleraar in Gent geweest, inmiddels hoogleraar in Leiden geworden - en de vader goed en wel was overleden, trouwde hij in 1836 met Adelheid Solger, het 'madonnaatje' uit de latere correspondentie. Het meisje was even oud als Dorothea Tieck was geweest ten tijde van z'n eerste verliefdheid: negentien. Ze had bijna z'n dochter kunnen zijn.

IN VEEL OPZICHTEN was hij een laatbloeier: laat met de zelfstandigheid, laat met het huwelijk, laat met de politiek, en zeker laat met de 'radicalisering' van zijn politieke opvattingen.

In Duitsland had hij aan de romantiek geroken, maar ook met de romantiek afgerekend. Hij was er diepgaand beïnvloed door idealistische filosofen en vooral door de 'organische' geschied- en rechtsschool van Krause en Von Platen. Geschiedenis was voor hem 'ein werdendes Ganze', en revolutie derhalve een ongeoorloofde ingreep in de natuurlijke ontwikkelingen der dingen. Over de Belgische opstand, die hem in Gent overviel, schreef hij: 'Andermaal hebben de theorieën en hersenschimmen der omwenteling van '89 de geesten vermeesterd, en als dronken gemaakt', en een jaar later, toen de Tiendaagse Veldtocht mislukt bleek, had hij voor de regering een goede raad: 'Men late de gisting uitzieden; men late de omwenteling hare woede tegen zich zelve verspillen; revolutionair geweld stuit men niet in zijnen loop, maar het onbelemmerd voortschieten in zijne vaart is deszelfs zekerste val.'

Een overtuigde anti-revolutionaire conservatief: de professor uit Leiden was een graag geziene medewerker van Le Journal de la Haye, het blad dat Willem I in 1833 speciaal in het leven had geroepen om zijn beleid te laten verdedigen.

Maar tegelijkertijd was hij toen al de auteur geweest van een brochure over 'den invloed der machines op het zamenstel der maatschappelijke betrekkingen' waarin even scherpzinnige als vooruitziende gedachten waren ontvouwd die (de twintig jaar jongere) Karl Marx later bij wijze van spreken voor het overschrijven had. Zo kon het er op lijken dat de geleerde - hij doceerde in Leiden aan de juridische faculteit diplomatie en politieke geschiedenis - stapje voor stapje tot het liberalisme was genaderd, toen de politicus nog moest ontwaken.

Want pas na de publicatie van zijn Aanteekening op de grondwet - nog altijd een stuk dat aarzelt tussen een academische beschouwing en een politiek standpunt - betrad hij in 1840 de Haagse arena. Door de Staten van Holland werd hij gekozen voor de zogenaamde Dubbele Kamer, die moest oordelen over een grondwetsherziening vanwege de eindelijk bekrachtigde afscheiding van België. Hij zal z'n uitverkiezing bovenal te danken hebben gehad aan zijn intellectuele reputatie. En zijn brede eruditie werd de motor die hem in de loop van de jaren veertig in snel tempo opjoeg naar de toen vrijzinnigst denkbare kant van het politieke spectrum.

Onmiddellijke aanleiding was natuurlijk het optreden van de koning (Willem I) geweest, die zich vooral in zijn halsstarrige - en voor 's staats financiën rampzalige - België-beleid nog eenmaal had laten kennen als de verlichte despoot bij uitstek.

Maar bij Thorbecke zat de onvrede dieper. Hij had met alle analytische scherpte waarover hij beschikte de hele regeringsperiode van de vorst geëvalueerd, en had geconcludeerd dat Nederland al die tijd 'een napoleontisch gereglementeerden Staat met een constitutionele gevel' was gebleven, met een volksvertegenwoordiging 'zonder wortel in het volk, zonder zamenhang met eene publieke meening', en met een verantwoordelijkheidsgevoel - 'eerste en meest noodzakelijke aller waarborgen' - dat 'nergens was te vinden dan bij den Vorst.'

De ambitie die hem van de Alma Mater naar 's lands vergaderzaal dreef, was niets meer of minder dan de revitalisatie van een ingeslapen en volstrekt onverschillig geworden natie - het was in feite de ambitie om land en volk te verenigen in een nationale staat van burgerlijke snit. 'De grondwet', schreef hij, 'mag niet een loutere vorm, zij moet eene nationale kracht wezen', en in zijn briljante rede over Het hedendaagsche staatsburgerschap (1844) werkte hij het ideaal verder uit. Des te opmerkelijker was die rede omdat hij er in aankondigde dat zijns inziens 'het beginsel van algemeen stemregt in de Staatsgeschiedenis onzer eeuw' ligt, en voor die stelling andermaal een 'pre-Marxistisch' argument aanvoerde, dat hem al dicht in de buurt bracht van de sociaal-democratie die toen nog moest worden uitgevonden.

Hij stak met zijn staatsrechtelijke intelligentie werkelijk met kop en schouders boven zijn tijdgenoten uit, maar hij was ze ook als politiek strateeg in alle opzichten de baas. Op de vraag wie tenslotte in april 1848 de drastische nieuwe grondwet doorgevoerd wist te krijgen is maar één antwoord mogelijk: Thorbecke, en Thorbecke alleen. Niet alleen uit zijn eigen trouwe en gedetailleerde rapportages aan Adelheid, ook uit de getuigenissen van zijn medestanders en zijn (vele!) vijanden blijkt onomstotelijk dat hij voor de fascinerende coup de théâtre niet alleen de tekst had geschreven, maar er tot de laatste minuut ook de regisseur van was geweest.

Een jaar later bekroonde hij het huzarenstuk door zich tot (eerste) minister te laten benoemen. Willem III moet de verschuldigde handtekening met afgewend gelaat hebben gezet, want hij had een bovengemiddelde hekel aan 'de jacobijn'. Koel, met overleg en als het moest ook meedogenloos tegenover mensen die hem in de weg stonden, had hij in 1849 zijn eigen kabinet gevormd, en in de drieënhalf jaar die hem gegund waren vóór hij tot Willems ontegenzeggelijke opluchting z'n ontslag weer moest aanbieden, heeft hij de blauwdruk ontworpen voor een moderne staatsinrichting - met o.a. een gemeente- en een provinciale wet die volmaakt genoeg bleken om ook anderhalve eeuw later nog altijd in grote trekken te kunnen functioneren.

UIT DIE TIJD dateren de portretten van de harkerige, emotieloze, bitse, ongenaakbare bovenmeester die niettemin Adelheids tedere minnaar was, en nog altijd kon smelten als hij naar een Frans Hals keek of naar Mozart luisterde. Die vrijwel eigenhandig het 'Liberalismus' in Nederland had gevestigd, maar die desondanks - en dat vooral maakte Multatuli zo razend - in de Tweede Kamer volhield dat hij geen lid was van een Liberale Partij. En dat meende hij. Partijschappen, ideologie en 'theorieën' waren hem een gruwel - die konden, wat hij nou juist nationaal wilde verenigen, alleen maar weer ontbinden. Je zou haast zeggen dat hij - de belezene, de wetenschapper, de intellectueel - liefst niet aan politiek wilde doen.

We weten dat hij de eerzucht van geen vreemde had. Het heeft iets tragisch dat de man die in zijn tweede kabinet (1862-1866) nog een wet op het middelbaar onderwijs tot stand bracht, twee zoons had die niet konden meekomen op de Hogere Burger School. Maar daar schijnt hij zich, anders dan zijn vader zou hebben gedaan, gelaten bij te hebben neergelegd: hij liet de jongens doorleren voor bootsman.

Hij maakte een definitief einde aan het ancien régime, en schiep de voorwaarden voor vehikels die we sindsdien als onmisbaar beschouwen: een vrije pers bijvoorbeeld, en meer in het algemeen de opperste openbaarheid van bestuur. 'Wij duchten het licht', schreef hij al in een opstel uit 1846. 'Het zou iemand kunnen krenken. Hetgeen zoo velen in geheugenis of papieren bezitten, blijft onderdrukt. Miskennen wij niet het regt aller op hetgeen aan de geschiedenis des publieken levens behoort?'

Wat er behalve de rijke wetgeving van hem over is lijkt, onbillijkerwijs, vooral dat beeld van kleurloze saaiheid, dat op een van de vulgairste pleinen van het land ook nog eens in gietijzer werd gegoten - met een treurig hekje ervoor. Een Liberale Partij heeft hij inderdaad niet nagelaten. Zijn tijdperk droeg een te persoonlijk stempel dan dat de vrijzinnigen van de tweede generatie, de Van Houtens, de Kappeyne's en de Quacks er nog veel mee konden en wilden uitrichten; zij hadden verschillende partijen nodig om zich naast het opkomende socialisme te blijven profileren.

Op z'n tweehonderdste geboortedag zou hij vermoedelijk wel enige waardering hebben gehad voor paars - niet eens zozeer vanwege de buitensluiting van een christendemocratie die hém tenminste bespaard bleef, als wel vanwege het pragmatisme dat hem altijd liever is geweest dan (partij)politieke boodschappenverkondiging. Hij hield niet zo erg van politiek. Hij hield van macht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden