De bohémien op het fluweel

DE schrijver-journalist Jacques Gans is ook al weer dertig jaar dood. Hij is zelfs geen legende meer. Mijn laatste beeld van hem is, als altijd, het definitieve geworden: een langzaam lopende, gebogen oude man, wat nors en argwanend voor zich uit kijkend, de lange laatste haren onder een hoedje vandaan,...

Toen hij stierf, was hij pas vijfenzestig jaar. De Telegraaf betaalde grootmoedig de hele begrafenis, tot de kist toe. Gans was voor niets verzekerd. Zijn verzet tegen alle burgerlijke normen en waarden heeft altijd anderen op kosten gejaagd. Er waren enkele sprekers, onder wie een lezer, die deze woorden sprak: 'Beste Jacques, in 1953 heb ik je een brief geschreven. Ik heb er nooit een antwoord op gehad. Rust zacht.' Dat de belangstellenden aanvankelijk bij de verkeerde kuil stonden te wachten, de aanspreker doof was, de 'organisator' van de begrafenis, de spektakel-regisseur Carel Briels, door een wesp werd gestoken - een mooiere dood, als in zijn beste jaren, had Gans zich niet kunnen wensen. Een goede anarchist veroorzaakt altijd ordeloosheid. (Toen Gans trouwde op het Amsterdamse stadhuis, was de dichter J.C Bloem zo dronken dat hij twee andere bruidsparen feliciteerde.)

Gans hoorde bij de jaren twintig en dertig, toen een chaos van bewegingen, in de politiek, de literatuur en de kunst, in Europa heerste. Hij was een half-jood, geboren in een burgerlijk gezin in het Gooi. Uit zijn hele schooltijd lijkt hij maar één boek te hebben onthouden: De uitvreter van Nescio, dat zijn leraar Nederlands op de hbs voorlas. Hij wilde een Japi worden. Hij mislukte natuurlijk op school, maar werd toch nog even kantoorbediende en, naar zijn getuigenissen willen, een heel goede. Maar in 1929 breekt hij met alles en gaat naar Parijs. Gans wordt bohémien. Met dat 'worden' heb ik moeite: men is bohémien. Hij koos in elk geval voor het ideaal altijd te doen waar hij zin in had. Dat heeft hij tot zijn dood volgehouden (dat klinkt grappiger dan bedoeld, want in de dood had hij in 1972 nog lang geen zin).

In Parijs kreeg de bohémien last van een kwaal waaraan hij levenslang zou blijven lijden: geldtekort. Ook non-conformisme moet betaald worden. Hij schreef Parijse notities voor enkele kleine bladen. Verder zwierf hij door de stad, zat op terrassen en las hij Franse auteurs, onder wie Stendhal en vooral zijn grote voorbeeld, de non-conformistische auteur Paul Léautaud, die in zijn schitterende kale proza - nergens een 'versierend' adjectief - overigens nooit een duim geweken is voor de gevestigde orde. Gans was in Parijs kunstenaar in wording. Dat is hij altijd gebleven.

In 1931 vertrekt hij naar Berlijn, dan, zeker politiek, de onrustigste stad van Europa. Hij wordt communist; de tedere anarchist uit de Parijse jaren wordt activist, die het knokken niet schuwt (hij is waarschijnlijk de Nederlandse schrijver die het meest heeft gevochten; zijn weerwoord was nogal eens een vuistslag). In Nederland zal hij zijn communistische activiteiten voortzetten, maar al vroeg breekt hij weer met het partijcommunisme: hij verdraagt geen leiding; de corruptie van de macht onderkende hij overal. Dat is misschien zijn grootste gave geweest.

In Nederland had hij literaire contacten - en dat met de twee grootsten van de jaren dertig: Du Perron en Ter Braak, die beiden een zwak voor hem hadden. Hij publiceerde wat in tijdschriften en begon zelfs een eigen tijdschrift, geheel gewijd aan de Franse literatuur: Ce vice impuni, la lecture (titel van een boek van Larbaud). Het idee en het ideaal waren schitterend. Maar, als van het meeste dat Gans ondernam, de levensduur van het tijdschrift was kort. In de tweede helft van de jaren dertig is hij een loslopende schrijver, een literaire randfiguur. In 1940, Nederland is al in oorlog, verschijnt dan zijn eerste roman, Liefde en goudvissen. Met deze door zachte krachten en tegenkrachten gedragen roman wordt hij - tijdelijk - schrijver.

Hij vlucht in de oorlog, waarin hij zich in de illegaliteit weerde, uit Nederland en bereikt na een reis van een jaar Londen. Ook daar ziet hij de corruptie van de macht en voor zijn visie vindt hij geestgenoten. Voor een functie is hij uiteraard ongeschikt. Ten slotte komt hij terecht in het Engelse leger. Ook hier deugde hij weer voor niets. Aan het einde van de opleiding werd hij ongeschikt geacht voor de infanterie: 'Met een machinegeweer schoot hij tijdens een oefening de pannen van het keukendak. De scherven kwamen in de soep terecht en de koks vlogen onthutst naar buiten in de veronderstelling dat er een Duits vliegtuig overgevolgen was.'

Ook als hij niet echt wilde, stichtte hij overal soms schitterende verwarring. Als hij in 1945 in Nederland terugkomt, is hij pas 38. Maar zijn tijd is voorbij. Hij wordt weer bohémien en dat lijkt zijn unieke verdienste. Zijn allergrootste gaven lijkt hij te besteden aan de ontwikkeling van het leenstelsel: hij leent links en rechts geld, tientjes vooral, neemt voorschotten op boeken die hij nooit heeft geschreven, plaatst een boek waaraan hij werkt bij twee uitgevers. Zijn vrijheid wordt door anderen duur betaald. Hij begint nog een eenmanstijdschrift, schrijft de roman Het vege lijf; allemaal hoger scharrelwerk van een man wiens grootste verdienste een tenslotte gecultiveerde levenshouding was. Hij was een publieke figuur.

De omslag komt als hij in 1952 voor de Haagse Post van de door hem ooit uitgespuwde G.J.B. Hilterman gaat schrijven. Drie jaar later begint hij ook voor De Telegraaf. Hermans neemt hem op zijn horens, slingert hem virtuoos heen en weer en smijt hem als een mandarijn de literatuur uit. Zijn werken voor De Telegraaf, toen nog een zeer verdachte krant, maakt hem tot een paria. Hij wordt nergens meer geaccepteerd. Er moet in die jaren iets verschrikkelijk eenzaams van hem zijn uitgegaan. Van bohémien en over communisme en liberaal anarchisme heen werd hij reactionair, zij het geen indrukwekkende (en dat in de jaren dat in Nederland echt de revolutie uitbrak en de goudvissen van de burgercultuur op straat lagen). Hij was meer een rechtse kankeraar eigenlijk. Een treurige figuur, die alleen op het kerkhof nog voor oude hilariteit en verwarring zorgde.

Willem Maas heeft nu een biografie van hem geschreven. Jacques Gans heet het uiterst vermakelijke en ook uiterst treurige boek. Het gaat hier om een feitelijke levensbeschrijving. Maas heeft op bewonderenswaardige wijze zijn vele feiten - daaronder ook soms twee of drie lezingen van hetzelfde gebeuren - bijeengebracht en ze in een heel goed verhaal opgeschreven, tot de hem ook tegenstaande Telegraaf-jaren. Aan interpretatie van de hoofdfiguur doet hij nauwelijks iets, wat hem voor schijn-diepte behoedt. Want veel lagen zijn in Gans' leven niet te ontdekken. In feite was hij een oppervlakkige gemaksmens, in veel opzichten een amusante straatfiguur, een vooral later ongevaarlijke dwarsligger en niet zo'n groot schrijver als Maas hem acht. De rand van de literatuur en de rand van de maatschappij - dat waren zijn thuisplekken. Hij was misschien boven alles een wat walmende romanticus.

Maas kan hem goed gestalte geven door hem in zijn tijd te plaatsen. Gans vertegenwoordigde een tijd en die krijgen we ook te zien. Over een aantal bijfiguren had de auteur overigens meer kunnen zeggen - ze zullen voor de meeste lezers namen blijven. Het grootste mysterie is dat de non-conformist Gans, die op honderden plekken heeft gewoond - de echte bohémien is een verhuizer - zijn leven heeft bewaard. Hij moet meer in de toekomst hebben geloofd dan zijn leven van de dag doet vermoeden. Het Gooi is toch nooit echt uit hem verdwenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden