Dé boer bestaat allang niet meer

Een belangrijk deel van de Nederlandse landbouw is niet langer gebonden aan de grond. Maar volgens Wijnie van Eck en Peter Smeets wil dat niet zeggen dat er sprake is van een eendimensionale ontwikkeling in de richting van een industriële landbouw....

MET zijn schets van de boer als manager die rechtstreeks van de Landbouwuniverstiteit komt (Forum, 23 juni) valt ook Paul Ophey in de valkuil van de eendimensionele landbouwontwikkeling. Dé landbouw bestaat niet, evenmin als dé boer!

De landbouw bestaat uit meer dan 100 duizend individuele 'besliseenheden' die op basis van hun specifieke situatie en voorkeur een strategie uitzetten. Gebiedskenmerken spelen daarbij een steeds belangrijkere rol.

Het Staring Centrum probeert al jaren vanuit deze genuanceerde visie de landbouw letterlijk op de kaart te zetten. Want het is vooral in de discussie over ruimtelijke ordening dat de landbouw in de afgelopen decennia afwezig was, in toenemende mate tot haar eigen schade. Wij zien dus verschillende perspectieven, terwijl pleitbezorgers van een eendimensionele landbouwontwikkeling veelal slechts één van deze perspectieven citeren.

Het 'landbouwen' was vanouds een activiteit die onlosmakelijk verbonden was met de productiefactor grond. In de loop der jaren is dit veranderd. Duidelijk geldt dit voor de glastuinbouw en voor de intensieve veehouderij, die alleen nog indirect te maken hebben met het bewerken van het land.

Natuurlijk: een groot deel van het gebruikte veevoer bestaat uit (rest)producten van elders op de wereld verbouwde gewassen. De varkensmest gaat in een andere provincie het land weer op. Maar voor de individuele varkensboer bewijzen de dagelijks af en aan rijdende vrachtauto's de onafhankelijkheid van de grond.

Tegelijkertijd zijn voor de oude grondgebondenheid nieuwe ruimtelijke vestigingsfactoren in de plaats gekomen zoals de ligging ten opzichte van de ecologische hoofdstructuur, de aansluiting op het wegennet, etc.

Ook in de melkveehouderij is een belangrijke ontwikkeling in de richting van de industriële bedrijven. Een steeds groter deel van het inkomen in de landbouw wordt verdiend op dergelijke footloose bedrijven. Deze activiteiten staan centraal in het betoog van Ophey. De grondgebonden landbouw krijgt het moeilijker.

Er zijn op nationaal niveau drie typen gebieden te onderscheiden die ieder hun eigen mogelijkheden bieden voor de ontwikkeling van de landbouw. Ten eerste zijn er de gebieden waar de natuurlijke omstandigheden voor landbouw goed zijn (vruchtbare bodem, grootschalige inrichting) en waar de stedelijke druk beperkt is. In deze gebieden, vooral in het noorden van Nederland, zal de landbouw zich naar eigen wensen kunnen ontwikkelen en zich vooral richten op de pure landbouwproductie.

In een tweede type gebieden is het tegenovergestelde het geval. Nederland bezuiden de lijn Alkmaar-Almelo is te beschouwen als onderdeel van een grote Noord-Westeuropese Deltametropool. De dichtheid van de bevolking en het intensieve ruimtegebruik maken grond duur en dat vergroot de kostprijs ten opzichte van andere Europese landbouwproducten. Boeren in dit gebied handelen zeer rationeel indien ze proberen deze metropolitane omgeving te benutten door het aanbieden van goederen, diensten en ook het landschap zelf aan stedelingen.

Dit heeft niets te maken met valse romantiek, maar des te meer met slim koopmanschap en het benutten van specifieke mogelijkheden in bepaalde gebieden. In deze gebieden liggen veel kansen voor verbreding van de landbouwactiviteiten in de richting van het scala dat Peter de Jaeger beschrijft in zijn bijdrage op Forum van 9 juni.

Een derde categorie gebieden vinden we met name op de hoge zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland. Ze zijn vanuit milieu-oogpunt kwetsbaar, want gevoelig voor uitspoeling van nitraat en biociden, voor fosfaatdoorslag en voor verdroging. In deze gebieden heeft landbouw slechts toekomst door uiterst alert met de beperkende natuurlijke omstandigheden om te gaan.

Het onderscheiden van deze hoofdrichtingen betekent niet dat alle bedrijven in die gebieden zich volgens een zelfde stramien zullen ontwikkelen. De hoofdrichtingen geven vooral kansen en beperkingen weer in nationaal perspectief.

Binnen elke regio moet een aparte analyse worden gemaakt die tot een gedetailleerder beeld zal leiden. Met plattelandsromantiek heeft dit allemaal weinig te maken en het is zeker geen pleidooi voor welke eendimensionele ontwikkeling dan ook.

Wijnie van Eck en Peter Smeets zijn werkzaam bij het DLO-Staring Centrum in Wageningen, instituut voor onderzoek van het landelijk gebied.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden