De bodem moet zo onderhand wel zijn bereikt

Lukt het de bevolking van Zuid-Afrika ondanks alle tegenslagen samen verder te gaan, dan kan het land een baken zijn voor de regio....

De Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul, wiens bijtende geschriften vaak protest uitlokken van weldenkende derdewereld-observatoren, wimpelt hun kritiek steevast af met de opmerking dat de derde wereld voor hen een hobby is die ze op elk moment kunnen inwisselen voor een andere, terwijl hij, als zoon van een Indiase familie uit het Caribische eiland Trinidad, tot in het diepst van zijn wezen bepaald is door de wereld waarover hij schrijft en die nooit van zich af zal kunnen schudden.

Op dezelfde wijze zal Antjie Krog nooit vrij zijn van Zuid-Afrika en zal het niemand verbazen dat zij haar zoektocht, nu de muur tussen Zuid-Afrika en de rest van het continent is gevallen, voortzet over de grenzen van haar geboorteland heen. Men zou zelfs verontrust zijn als ze afweek van haar route, net zoals mensen hun hart vasthielden toen de Zuid-Afrikaanse schrijver Coetzee besloot te emigreren naar Australië, ver weg van de plaats waar een groot deel van zijn oeuvre zich afspeelt.

Eind 2004 kwam ik terug uit Congo en liep in het postkantoor van mijn woonplaats Amsterdam een vroegere collega tegen het lijf. Hij zuchtte vermoeid toen hij vernam wat het onderwerp van mijn volgende boek was. ‘Wéér Congo, hou d’r toch eens mee op, meid!’

Die middag keek ik thuis in de spiegel. Congo was met zeven jaar van mijn leven aan de haal gegaan; mijn hoofd zat vol beelden van een trage oorlog die als een knaagdier alles om zich heen had weggevreten. Terwijl Congo miljoenen doden betreurde, was mijn samenleving verder gerold zonder mij; Pim Fortuyn en Theo van Gogh waren vermoord en zelf had ik ondertussen mijn oudste broer en mijn moeder verloren. Wat had me daarginder in godsnaam vastgehouden al die jaren?

Nu ik mijn derde boek over Congo heb geschreven en honderd jaar zou willen slapen vooraleer mijn blik opnieuw op dat gecompliceerde land te laten rusten, nu ik aan het einde lijk te zijn gekomen van een weg die ik meer dan twintig jaar geleden begon te bewandelen, is het misschien passend even stil te staan en mijn relatie tegenover dit hart van Afrika te definiëren, vooral nu ik in gezelschap verkeer van Antjie Krog, die zich in haar boeken herhaaldelijk afvraagt welke rol Afrika voor haar als blanke heeft weggelegd.

32 was ik toen de Fabiolaville aanmeerde in de haven van Matadi en ik vanaf de reling neerkeek op de massa Congolezen die daar samendromde. Congo had tot die tijd een bescheiden rol gespeeld in mijn leven. Als kind had ik me gewarmd aan de verhalen van heeroom van Congo, een statige, goedlachse man met een rafelige baard die me vertelde over de zwartjes die op blote voeten door het rode zand naar zijn missieschooltje liepen. Op mijn 7de werd Congo onafhankelijk en laaide de machtsstrijd zo hoog op dat wij zesduizend kilometer verderop op weg naar school zongen:

In de Sahara tussen

twee kamelen

Zat Kasavubu met

Lumumba schoon te spelen

Maar onder ’t spelen kwam

er een ambraske

En Kasavubu sloot

Lumumba in een kaske.*

*(ambraske: ruzie, kaske: gevan- genis)

Rond mijn 12de dook in mijn geboortedorp een halfbloedjongen op. Als ik ’s zondags met mijn grootmoeder naar de mis ging, zat hij enkele rijen voor ons en bestudeerde ik zijn kleine, chocoladekleurige oorschelpen, zijn zachte kroeshaar, zijn rechte rug. Ik wilde dichter bij hem komen, maar hoe? Na de mis schuifelde ik voetje voor voetje aan de arm van mijn grootmoeder naar buiten terwijl hij met bovenmaatse passen van ons wegliep.

Mijn wereld scheurde open en de jaren zestig sijpelden door alle gaten en kieren naar binnen. Ik leerde dat de jonge premier Patrice Lumumba in 1961 geofferd was op het altaar van de koude oorlog, dat koning Leopold II Congo Vrijstaat aan het einde van de 19de eeuw tot een wingewest had gemaakt en het startschot had gegeven voor de plundering van grondstoffen die tot vandaag doorgaat.

Ik leerde geloven in een universele samenleving waarin alle mensen gelijk zijn, ongeacht hun afkomst. Maar de werkelijkheid achter die grote woorden was dat ik, toen ik in september 1985 aan wal ging in Matadi, nog nooit een Congolees had ontmoet en maar wat blij was dat een vroegere confrater van mijn heeroom zich door de zwarte menigte een weg baande in mijn richting.

Het oude België dat ik aantrof in de missieposten benauwde me. Op het terras klaagden de paters, uitkijkend op hun Vlaamse moestuintje, over de ondoorgrondelijkheid van de Congolese ziel. Gelukkig leeft mijn heeroom niet meer, dacht ik.

In de hoofdstad Kinshasa ging ik op zoek naar een andere gids. François was een jonge Fransman die een groot deel van zijn leven in Afrika had gewoond. Zijn hart sloeg op een Afrikaans ritme. Hij lachte om de waarschuwingen die ik van de oud-kolonialen op de Fabiolaville had gekregen, nam me achter op zijn motor mee de cité – de volkswijken - in, stelde me voor aan zijn Congolese vrienden. Voor ik het wist had ik de onzichtbare barrière tussen blank en zwart overschreden en zat ik aan de andere kant.

Maar zodra ik het binnenland in trok, was ik weer alleen. Ik moest mijn eigen weg nog vinden naar het hart van de Congolezen. ‘Wat zoek je daar?’ had een Belgische Congo-kenner me voor mijn vertrek gevraagd, ‘iedereen weet toch dat Mobutu corrupt is?’ Maar daar was ik niet voor gekomen; ik wilde het leven in de schaduw van de grote dictator vastleggen.

In een afgeladen boot voer ik de Congostroom op, in een gammele vrachtwagen trok ik door Beneden-Congo, tezamen met honderden Congolezen viel ik stil in de trein van Lubumbashi naar Mwene Ditu en doodde de tijd aan de bar met lauw bier en pinda’s. In zes maanden doorkruiste ik heel Congo – een tocht waar ik nu jaren over zou doen omdat het land op vele plaatsen jammerlijk is dichtgeslibd.

Elf jaar en heel wat Afrikaanse en Arabische omzwervingen later keerde ik terug. Mobutu was het land net ontvlucht, Kabila had zijn intrede gedaan en het duurde even voor ik mijn vroegere vrienden had teruggevonden. De aarzelende verzetsbeweging tegen het Mobutu-regime die ik destijds had aangetroffen, was in mijn afwezigheid uitgegroeid tot een krachtige oppositie, maar de nieuwkomers hadden Mobutu met wapens bevochten en walsten zonder piëteit over de vreedzame opposanten heen.

De jonge Belgische afrikaniste Kristien Geenen beschrijft in haar proefschrift De slaap neemt geen plaats in hoe straatbendes in Kinshasa beslag leggen – koloniseren, zoals zij het noemen – op hun omgeving door wijken, straten en pleinen andere namen te geven, en merkt op dat op hoger niveau precies hetzelfde gebeurt. Leopoldville, Elisabethville, Stanleyville – in de koloniale tijd hadden alle belangrijke Congolese steden Europese namen. Mobutu veranderde die in Kinshasa, Lumumbashi, Kisangani. Later wijzigde hij - in een poging de laatste resten van het Congolese erfgoed uit te wissen - ook de naam van zijn land, de belangrijkste rivier en de munt van Congo in Zaïre.

Op de dag van zijn aantreden verkondigde de oude Kabila dat Zaïre voortaan weer Congo zou heten en ging andermaal aan de haal met de herinneringen van zijn volk. Te midden van een groepje Congolese journalisten stond ik in het stadion van Kinshasa naar hem te luisteren. De ongenadige zon van het droogseizoen beukte op onze hoofden. Achter Kabila zaten de presidenten van Congo’s oosterburen Oeganda en Rwanda, die hem militaire steun hadden verleend bij zijn mars op de hoofdstad.

De inwoners van Kinshasa luisterden bezorgd naar de speeches van de nieuwkomers. ‘Waarom kan Kabila geen voorbeeld nemen aan Zuid-Afrika,’ zei een journalist naast me spijtig, ‘Mandela had een blanke vicepresident in zijn eerste regering en sloot ook Zoeloeleider Buthelesi niet uit, maar onze machthebbers* ze willen altijd alleen regeren.’

Toen Kabila een jaar later besloot zijn oosterburen naar huis te sturen, kwamen die in opstand en brak de oorlog opnieuw uit. Congo viel in twee delen uiteen en in de jaren die volgden, zag ik het binnenland wegkwijnen, de wegen slechter worden, de rebellenbewegingen verkruimelen tot steeds kleinere milities die zich in leven hielden door diamant- en goudmijnen te exploiteren.

Het Congolese volk werd intussen alsmaar armer. Soms kwam ik in dorpjes waar de bewoners de brousse – het binnenland - in gevlucht waren; zelfs als de gevechten voorbij waren durfden ze niet terug te komen: ze hadden geen kleren meer, ze schaamden zich.

Arm en onderontwikkeld zijn in een land met immense bodemschatten – er is geen schrijnender combinatie denkbaar. Net zoals koning Leopolds agenten een eeuw eerder Congo’s rubber en ivoor hadden geplunderd, haalden Zimbabwe, Angola en Zuid-Afrika diamanten, koper en kobalt uit het westen weg en gingen de Rwandezen en de Oegandezen in het oosten aan de haal met goud, coltan en hout. ‘De blanken vertrekken, maar hun handlangers zijn onder ons en worden door hen bewapend’, zei de Martinikaanse schrijver Frantz Fanon eens tegen zijn vriend Jean-Paul Sartre, ‘het laatste gevecht van de gekoloniseerde tegen de kolonisator zal dat van de gekoloniseerden tegen elkaar zijn.’ Dat gevecht heb ik in Congo de afgelopen jaren van dichtbij aanschouwd.

Toen ik in 2000, tussen twee Congo-reizen door, voor het eerst in Zuid-Afrika was en het indrukwekkende wegennet, de winkelcentra, de hotels, de restaurants en residentiële wijken zag, was mijn eerste reflex: Wat valt er hier nog een hoop kapot te maken en te plunderen. Het bracht me de Congolese steden rond de onafhankelijkheid in herinnering, die ik op filmpjes had gezien. Als Zuid-Afrika verdergaat op de ingeslagen weg, dacht ik, zal het een lichtbaken zijn voor andere landen in de regio, zo niet, dan heeft Congo veertig jaar voorsprong, omdat veel illusies er al met de grond gelijk zijn gemaakt en de bodem zo onderhand wel bereikt moet zijn.

De tunnel van de geschiedenis in te kijken en te besluiten dat het, na alle ongerechtigheid, de moeite waard is samen verder te gaan – ik zag ze, in Zuid-Afrika, de mensen die daar, ondanks alle tegenslagen, in blijven geloven. Dat grote avontuur van de verzoening heeft het eeuwige wingewest Congo nog niet mogen beleven.

Na de onafhankelijkheid lagen de grootmachten op de loer. Lumumba, die communistische sympathieën had, werd met medeplichtigheid van de Amerikanen, de Belgen en zijn eigen landgenoten vermoord. De leiders die daarna aan de macht kwamen, werden in het zadel geholpen en gehouden door buitenlandse mogendheden die graag bereid waren hun winst met hen te delen.

Congo is door deze egoïstische manier van heersen aan de binnenkant totaal vermolmd geraakt. De internationale gemeenschap houdt dit breekbare beeldje angstvallig vast, zoals een Congolese vriend het onlangs verwoordde, niemand durft het neer te zetten, uit vrees dat het in stukken uit elkaar valt.

Ondertussen trekt een leger van crisisspecialisten door het land. Een kennis van me die onlangs naar Kinshasa ging als expert van de Verkiezingswaarnemingsmissie van de Europese Unie, keerde teleurgesteld terug. De experts mochten nauwelijks buitenkomen, klaagde hij, want daar heerste ‘dreiging’ – al wist niemand precies waar die vandaan kwam. Twee maanden lang zaten zij in een bunker rapporten te schrijven terwijl hun baas persconferenties gaf waarin hij steeds dezelfde Congolees opvoerde die verkiezingen wilde. Zij wisten wie die spreekwoordelijke Congolees was: de man die de koffers van hun baas had gedragen bij diens aankomst in Kinshasa. Veel andere Congolezen had hij daarna niet meer gesproken.

Aan het begin zei ik dat ik honderd jaar zou willen slapen vooraleer mijn blik opnieuw op Congo te werpen. Eigenlijk bedoelde ik: lang genoeg om iets nieuws te zien, om te zien hoe de Congolezen onder de stolp van de buitenlandse bemoeienis uitkomen en leren op hun eigen kracht te vertrouwen, hoe het Congolese volk leiders kiest die het buitenland de hand reiken, niet om hun lamentabele deals te sluiten waardoor ze zichzelf kunnen verrijken, maar omdat Congo de buitenwereld nodig heeft om zichzelf te worden – net zoals ik meer mezelf ben geworden sinds ik het volk dat door mijn voorouders gekoloniseerd werd, in mijn hart heb gesloten.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden