De bloei van het natuurboek

Een nieuwe lente, een nieuwe prijs. V, Vroege Vogels en het WNF reiken vanaf oktober jaarlijks de Jan Wolkers Prijs uit, voor het beste natuurboek. Jean Pierre Geelen zingt alvast de lof van het natuurboek door de eeuwen heen.

'Ongetwijfeld had de sperwer daar ergens een beschut plekje gevonden en was hij al driftig bezig van twee vogels één te maken. Want dat is wat de sperwer voor ogen staat: de wereld vereenvoudigen door haar op te eten.'


Het superieure waarnemen, door het oog van Koos van Zomeren. Romancier, journalist, maar haast tegen wil en dank bovenal natuurschrijver. Hij kan bogen op een lange (semi-)literaire traditie. De overweldigende, betoverende natuur heeft de geest van de schrijver (en andere kunstenaars) altijd gevoed en vervuld met ontzag, angst of lieflijke dromen. Van Zomeren: 'Mensen vragen of ik schrijf om de natuur te redden. Dan zeg ik ronduit nee, ik heb geen mobiliserende bedoelingen. Ik zie het eerder andersom. Ik vestig meer en meer mijn hoop op de natuur, dat zij het schrijven redden zal.'


Hoe kan het ook anders, in een land waar een van de oudste geschreven teksten luidde: 'Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic anda thu'. ('Hebben alle vogels nesten begonnen, behalve ik en jij'). Waar de dichter Marsman denkend aan Holland brede rivieren traag door oneindig laagland ziet gaan. Waar een van de bekendste gedichten Mei heet, en waar de Verkade-albums van Jac. P. Thijsse tot de klassieke natuurliteratuur zijn gaan behoren. Lente 1906, en Thijsse hoorde de zang van de boompieper, waarin 'de vreugd weer de overhand' krijgt. 'Zoo gaan ook wij de lente door, met blijdschap, als de winter wijkt, met diepe ontroering, wanneer al het schoone leven zich aan ons openbaart, met vreugd en vertrouwen, als de teere bloesem overgaat tot forschen bloei en ontwikkeling, als de pracht der rozen den zomer binnenleidt'.


Een krappe eeuw later is Van Zomeren, grossier in aforismen en in steen gebeitelde observaties, nog net zo vervuld van schoonheid, al koppelt hij er diepzinniger gedachten aan. 'Als ik God was en ik wou het scheppingsverhaal verdedigen, dan beriep ik mij op uilen. (...) De uil, zou ik zeggen, is een kunstwerk. Bij uilen geloof je het minst in toeval, het meest in een bedoeling. Op uilen heeft iemand ontzettend zijn best gedaan.' (uit: Winter. De Arbeiderspers, 1993.)


Van Thijsse naar Van Zomeren (en daar voorbij) meandert een rivier vol schitterende lichtpuntjes in de Nederlandse literatuur. Een gestage stroom van boeken, gedichten, gidsen en fragmenten waarin de lofzang klinkt op de natuur, in al haar facetten. Alleen al over de boom zijn vuistdikke bloemlezingen samen te stellen (Gaston van Camp: 'Een boom is trage verbazing/ Ik leef, ik leef), net als over water, tuinen of wolken.


Schrijven en natuur gaan niet altijd makkelijk samen. Zoals Hans Andreus dichtte in November (uit: Natuurgedichten en andere, 1970): 'Geen spoor meer van zomer, al haast weer winter/ De mistbanken van de herfst hangen laag/ over de grond, verschuiven traag. / Het licht wordt steeds kouder en minder.// En ik denk: ik ben bijna niet buiten geweest/ toen het gras nog hoog stond en bol van groen/ de bomen waren. Teveel te doen/ en schrijven voor brood verduistert de geest.'


Maar sommigen konden niet anders. Neem Nescio, in wiens proza de natuur volop woekert. In De uitvreter, maar nog meer in zijn Natuurdagboek, honderden kladvellen vol nauwgezette aantekeningen over zijn tochtjes naar buiten. Volgens critici school er een hang naar 'het andere, het goddelijke' in zijn beschrijvingen van de polders rond Muiden, Kortenhoef of Loosdrecht. De Ringdijk, bij de Waalbrug in Nijmegen, het Vreelandsche weggetje - Hollandser is nauwelijks denkbaar.


De laatste decennia mogen vooral vogels zich nestelen in de warme belangstelling van schrijver en lezer. Ze lenen zich nu eenmaal makkelijk voor symboliek en verbeelding. Je kunt geen bladzij omslaan in de werken van Jan Wolkers, Maarten 't Hart, Hans Warren of van de prachtroman De passievrucht van wijlen Karel Glastra van Loon, of er stijgt wel een leeuwerik, wielewaal, of ortolaan uit op.


De laatste jaren verschijnen hier goedverkopende, vuistdikke vertalingen van vogelstudies, zoals van diergedragswetenschapper Tim Birkhead (De wijsheid van vogels, over de geschiedenis van de ornithologie, en pas nog: De zintuigen van vogels).


De liefhebber moet trouwens ook bij de Britten zijn, waar 'nature writing' een traditie kent. Logisch: er zijn meer Britten, hun natuur is even rijk als hun taal. Een klassieker is De slechtvalk, van John A. Baker, verschenen in 1967, in 2010 heruitgegeven in een nieuwe vertaling. Het is oktober, en Baker ziet een valk in een dode boom: 'Wáár hij deze winter ook heengaat, ik zal hem volgen. Ik zal de vrees en de opwinding en de verveling van dit jagersleven delen. Ik zal hem volgen tot mijn silhouet van menselijk roofdier niet langer de geschudde, kleurige caleidoscoop in de diepe kuil van zijn schitterend oog in angst verduistert. Mijn heidens hoofd zal gelouterd worden, ondergedompeld in dit winterse land.'


Ook in eigen land heeft de natuurschrijver terrein gewonnen. Ondenkbaar dat twintig jaar geleden een kloek werk als Mijn roofvogels (Atlas, 2012) zou verschijnen van de buitenissige roofvogelkenner Rob Bijlsma, die dagen in een boomtop doorbrengt op zoek naar de wespendief.


De natuur pasklaar thuisbezorgd, zonder de ontberingen van de wildernis. Misschien schuilt de kracht wel in wat Wolkers schreef in een essay over landschapskunst: 'Er is geen groter genot denkbaar dan met de gloed van een openhaardvuur in de rug en een koel glas rijnwijn in de hand een onherbergzame gletsjerpartij te bewonderen waarin je, ware je in levenden lijve op die ijsvlakte aanwezig, binnen een etmaal ten onder zou gaan.'


Of, zoals Willem Kloos stelde: 'Natuur is mooi, maar je moet er wel wat te drinken bij hebben'. De ironie tekent het klimaat in een deel van het letterenland. De puntige dierenverhalen van Anton Koolhaas, de geestige columns en verhandelingen van de dwarse bioloog Midas Dekkers - hun grimmige kijk op dieren gaat over mensen. Een kijk die je terugvindt bij Hans Dorrestijn, Ivo de Wijs of Kees Stip. Maar evengoed verrassen de dierenverhalen van Toon Tellegen, zoals Het vertrek van de mier of Het geluk van de sprinkhaan - 'jeugdboeken' voor volwassenen, met verrassend filosofische diepgang.


Maar dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant, maar groot genoeg om een berg van natuurboeken op te bouwen. Schrijver en lezer kunnen niet zonder. Het natuurboek is een rustpunt voor de dolende ziel. Een strohalm voor de wanhoop. We koesteren wat kwijt dreigt te raken, met monumenten van taal. De lezer kan er domweg gelukkig van worden, in de Dapperstraat.


Een nieuwe lente, een nieuw geluid: tijd voor een natuurboekenprijs. De Jan Wolkersprijs, indachtig de grootmeester wiens oeuvre buitenlucht ademt, van De hond met de blauwe tong tot het spuugbeestje in zijn Texelse achtertuin. Uit het woud van natuurboeken plukt de jury appels en peren (van de poëziebundel tot de vleermuizengids), op zoek naar de bloem die hoog boven het maaiveld groeit.


Met gepaste nederigheid jegens de naamgever, die zelfs zijn gezonde afkeer van jury's en critici in een natuurbeeld wist te gieten. Had Maarten 't Hart het ook maar niet moeten wagen zijn roman De kus te bekritiseren. Wolkers betaalde terug met een legendarische, barokke ingezonden brief: 'Het is niet de gewoonte des arends zich met het ranzig rancuneus gekakel der hoenders bezig te houden als hij in een machtige glijvlucht het luchtruim doorklieft en vanuit de walm van kippenvoer en mest door het bijziend pluimvee met afgunst wordt nagestaard. Maar als een door de machtige ruis der wieken van de leg geraakt ziekelijk kapoentje zich verstout om zich op het ballonnetje der valse beweringen en onvolledige citaten hemelwaarts te verheffen, is die koning van de stratosfeer het aan de zwaan en zwaluw verplicht dit met kussenvulling bedekt week diepvriesvlees met een houw van zijn geduchte snavel naar de legbatterij te doen terugtuimelen.'


Wie zei daar dat natuur voor tevredenen of legen is?


JAN WOLKERS PRIJS

Populaire wetenschap, plaatjesboeken, romans, poëziebundels - elk genre kan meedingen naar de Jan Wolkers Prijs, die de Volkskrant, Vroege Vogels en het Wereld Natuur Fonds hebben ingesteld voor het Beste Natuurboek. Als het maar opmerkelijk geschreven is, origineel is aangepakt of treffend de natuur bezingt. En liefst allemaal tegelijk. Na de zomer worden de vijf genomineerden bekendgemaakt, in oktober is de prijsuitreiking. Jean-Pierre Geelen en Karina Wolkers maken deel uit van de jury.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden