De bewoners van Downing Street 10

GROOT-BRITTANNIË heeft sinds de Tweede Wereldoorlog elf premiers gehad. Daarmee scoren de Britten een braaf gemiddelde. Vergelijk met Nederland: wij hadden er sinds de bevrijding veertien....

Bij mijn weten bestaat in Nederland noch in Duitsland een boek dat zo grondig het functioneren van zijn regeringsleiders onder de loep neemt en (vooral) hun regeerstijl met elkaar vergelijkt. Peter Hennessy heeft dat nu gedaan voor het Verenigd Koninkrijk. Hij schreef enkele jaren geleden Whitehall over de Britse ambtenarij in Londen. Dat is inmiddels een standaardwerk, onmisbaar voor wie inzicht wenst in wat er in de doorgaans ontoegankelijke achterkamers van de macht gebeurt.

The Prime Minister is, voor de liefhebber, een boek om van te smullen. Hennessy, een journalist die wetenschapper werd, heeft een scherp oog voor smakelijke details en anekdotes. Hij begint in 1945, dus na de Tweede Wereldoorlog. In die oorlog leidde Winston Churchill het land, een premier die, dat weten we achteraf uit diverse bronnen, zijn geweldige formaat juist dóór die oorlog kon bereiken.

Hennessy's schets ontluistert de oude leeuw flink, want het gaat hier immers om Churchills tweede regeringsperiode, van 1951 tot 1955. Churchill was bij zijn heroptreden al 74, de oorlog had lichamelijk en geestelijk een zware tol geëist, en zijn comeback was in feite dwaas. Maar bij hem overheerste het gevoel dat hij, met zijn enorme verdiensten, in mei 1945 onterecht door de Britse kiezers was weggestuurd.

Hij wilde revanche. En die kreeg hij in feite niet. In 1953 werd hij getroffen door een beroerte en daarna 'gleed hij langzaam weg in de seniliteit', met soms plotselinge uitbarstingen van helderheid. Hij maakte het zijn ministers knap moeilijk. Hij regeerde deels vanuit bed en dwong daarmee zijn directe entourage en het kabinet tot sociaal onmenselijke werktijden. Lang verzette hij zich tegen zijn opvolging door Anthony Eden ('I don't think Anthony can do it').

Veel beter te spreken is Hennessy over Churchills directe voorganger, Labour-leider Clement Attlee. Deze eerste naoorlogse premier was een in het geheel niet pretentieuze man die een collegiaal systeem in zijn kabinet (1945-1951) praktiseerde. Lang na zijn actieve tijd zou Attlee zeggen: 'Hij (een premier) moet zich er rekenschap van geven dat hij slechts de eerste onder gelijken is. Zijn stem heeft het grootste gewicht. Maar je kunt niet pats-boem over een kabinet heen walsen, tenzij je iets bijzonders bent.'

En Attlee vond zichzelf absoluut niet bijzonder. Hij was een voorzitter die liefst snel door de procedures heen wilde om dan de dingen te dóén. Zijn tegenspeler Churchill verloor zich vaak in wijdlopige redevoeringen. Attlee voegde hem eens vanaf de oppositiebanken toe: 'Een monoloog is geen besluit.'

Anthony Eden (1955-1957) is de meest tragische figuur die na de oorlog in Downing Street 10 heeft gezeteld. Hij had aanvankelijk alles mee: was charmant, intelligent en moedig. Maar nog voor hij tot het premierschap werd geroepen, mislukte een galblaasoperatie. Sindsdien leefde hij op medicijnen en contramedicijnen om de akelige bijwerkingen af te zwakken. Maar die combinatie maakte hem geestelijk onhelder. Hij was, kortom, op medische gronden ongeschikt voor zijn functie. Daarnaast (of daardoor?) bleef hij sterk gepreoccupeerd met zijn oude job op Buitenlandse Zaken. De Suez-crisis van 1956 werd zijn afgang; hij beoordeelde de sterkte (of liever: zwakte) van het Verenigd Koninkrijk volslagen verkeerd.

Harold Macmillan regeerde als een Amerikaans president, beschouwde zijn ministers min of meer op grond van hun formele titel als zijn secretaries. Hij torende intellectueel, aldus een tijdgenoot, met kop en schouders boven zijn kabinetscollega's uit. Ook hij greep voortdurend in in de bezigheden van andere ministers, maar deed dat beduidend gestructureerder dan Eden.

Sir Alec Douglas-Home, slechts een jaar premier, was een man zonder vijanden. Hij werd tot de job geroepen, omdat de Tory's op dat moment niemand anders konden vinden dan deze vriendelijke landedelman. Hij beschouwde de baan als 'a terrible intrusion in one's private life'.

Harold Wilson was de eerste premier van een nieuwe tijd (Beatles, Carnaby Street, Kings Road). Wilson was de eerste premier die het nieuwe medium televisie grondig uitbuitte. 'Hij is de enige werkelijk competente tv-spreker die dit land heeft voortgebracht', gaf een van de Conservatieve voormannen toe na hun verloren verkiezingen van 1964.

Tussen de beide perioden-Wilson treffen we Edward Heath aan, voornamelijk bekend gebleven door zijn pro-Europese gezindheid en zijn muzikale neigingen. Via Callaghan, een man met een 'consultatieve stijl' die hem behoedde voor overwerktheid, geraken we bij Thatcher. Haar mep-met-de-handtas-stijl is dikwijls beschreven (en even vaak geridiculiseerd).

Al voordat ze haar eerste kabinet samenstelde, was er een voorproefje van de autoritaire dingen die zouden komen: 'Als premier zou ik geen tijd verliezen met intern argumenteren.' Die mededeling maakte Heath duidelijk dat hij het niet - hij was de logische keuze voor Buitenlandse Zaken - met deze dame aan één kabinetstafel zou uithouden. Hennessy vindt ook dat Thatcher nog te lang na haar aftreden een grote mond bleef houden over staatszaken en het haar opvolger John Major nodeloos lastig maakte.

Major kwam te vroeg op zijn post; hij had te weinig kabinetservaring toen hij na de merkwaardige gebeurtenissen van november 1990 onverwacht Conservatief partijleider en premier werd (Heseltine leek de gedoodverfde opvolger, maar de nog altijd niet geringe Thatcher-aanhang stemde anders). John Major, een tikje overdreven als 'grijs' bestempeld tot en met Spitting Image toe, ging ten onder aan de Conservatieve twisten over Europa en de al te vergoelijkende ideeën omtrent corruptie die in zijn partij heerste. Hij wilde Britain at the very heart of Europe zien. Dat bleef, concludeert Hennessy, als een molensteen om zijn nek hangen. Major was de vleesgeworden overlegcultuur, maar ging daarin vaak nodeloos ver.

Tony Blair is van geheel andere snit. De man van New Labour wordt een 'napoleontische' wijze van regeren toegedicht. Blair wil geen primus inter pares spelen, maar gewoon de baas zijn. Hij is ongeduldig en begrijpt maar moeilijk waarom de dingen niet terstond kunnen gebeuren nadat ze beslist zijn. Hennessy is overigens geen bewonderaar van de stijl-Blair.

Hennessy levert ook een gruwelijk lange lijst van zaken waarmee een Britse premier zich bezig dient te houden. Die lijst is in de loop der jaren alleen maar langer geworden. Veel te lang. Een premier zou zijn werk stukken beter kunnen doen als hij meer tijd voor reflectie heeft. Hennessy pleit voor een voortdurend van samenstelling wisselende, kleine risk assessment unit, die het belangrijkste advies- en overlegorgaan voor een premier zou moeten zijn.

Maar dan blijven daar nog altijd de roemruchte red boxes met dossiers die de nooit versagende ambtenaren van Whitehall aandragen. Het invullen van het Britse premierschap zal daarom altijd een hoogst persoonlijke zaak blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden