De beste tips voor de schrijver: Lees Vizinczey en Connolly

Vizinczeys instructies zijn ook instructief voor ervaren schrijvers.

De beste tips voor aankomende schrijvers: lees Waarheid en leugen in de literatuur van Stephen Vizinczey. Pak daarna Enemies of Promise van Cyril Connolly en gooi dat boek daarna het raam uit. Waar Vizinczey ons lokkende vergezichten toont, zag Connolly alleen maar beren op de weg.


Citeer nooit Connolly. Gooi het boek het huis uit. Hoogstens als cabaret op niveau mag hij meedoen.


--------------


De in Hongarije geboren schrijver Stephen Vizinczey opent zijn essaybundel Waarheid en leugen in de literatuur met 'de tien geboden voor een schrijver'. Hij stelde die op in de hoop 'goede praktische adviezen te geven' aan mensen die 'de eerste schreden op het schrijverspad' nog moeten zetten. Mij lijken Vizinczey's geboden óók instructief voor ervaren schrijvers. Ze houden je bij de les, zijn niet belerend van aard, getuigen van optimisme, goede moed en frisse zin.Vizinczeys toelichting bij de tien geboden - soms lange teksten, soms een enkele zin - zijn nu en dan zelfs inspirerend. Je krijgt meteen zin om aan de slag te gaan. Het is onbegonnen werk om ze alle tien te noemen en bespreken, maar sommige zijn dermate praktisch en nuchter dat ik ze er hier graag uitlicht.


Tweede gebod: 'Gij zult u geen dure gewoonten aanmeten.' Hij bedoelt ermee dat een béétje schrijver niet op grote voet moet willen leven. Het is mijn ervaring dat aspirant-schrijvers serieus geloven dat het 'scoren' van een bestseller je een rijkdom schenkt die zich laat meten met de welstand van topmanagers, filmsterren en profvoetballers. Steenrijke schrijvers zijn op de vingers van één hand te tellen, en tegenover iedere Dan Brown en Kluun staan hele legioenen van straatarme romanciers, essayisten en dichters, die het vaak wel lastig, maar geen drama vinden om het niet breed te hebben.


Noemenswaardig is ook het zevende gebod: 'Gij zult geen dag voorbij laten gaan zonder een meesterwerk te herlezen.' Boud gesteld, maar in zijn toelichting benadrukt Vizinczey dat een schrijver er goed aan doet dagelijks een bladzijde of wat te herlezen uit het aller-, allerbeste wat de literatuur te bieden heeft. Andermans glorieuze zinnen blijven altijd inspirerend, ook, nee, juíst na een dertigste herlezing. Naar eigen zeggen heeft Vizinczey altijd boeken van Jonathan Swift, Mark Twain en Laurence Sterne binnen handbereik, maar iedere schrijver heeft natuurlijk zijn eigen favorieten. Die van mij, onder meer: Simon Vestdijk, Gustave Flaubert, John Updike en sommige titels van Nabokov.


Gebod nummer vier en vijf luiden respectievelijk 'Gij zult niet ijdel zijn' en 'Gij zult niet bescheiden zijn'. Zo op het oog lijken deze geboden elkaar tegen te spreken, maar Vizinczey legt uit dat de ijdele schrijver vaak te zeer verblind is door zijn - vermeende - uitmuntende karaktertrekken om nog op een geloofwaardige manier op papier een wereld te creëren waarin ook de drek en duisternis van het menselijk bestaan overtuigend wordt verbeeld. Tegelijk is bescheidenheid de doodssteek voor een authentiek schrijverschap. Vizinzcey zegt erover: 'Bescheidenheid is een excuus voor slordigheid, luiheid en gemakzucht. Lage ambities leiden tot povere prestaties.' Dat het uiteindelijk niet iedereen is gegeven een fantastisch schrijver te zijn, is een tweede. Het gaat om het streven. Vandaar dat Vizinczey afsluit met dit gebod: 'Gij zult niet snel tevreden zijn.'


Vizinczey's Tien Geboden vormen het fotonegatief van de tips en adviezen die de destijds invloedrijke Britse criticus Cyril Connolly (1903-1974) overreikte in zijn befaamde essay uit 1938, Enemies of Promise. Waar Vizinczey de voorwaarden formuleert voor een kansrijk schrijverschap, inventariseerde Connolly de gevaren die op de loer lagen voor de jonge, beginnende schrijver. Vizinczey toont ons lokkende vergezichten, Connolly zag alleen maar beren op de weg.


Het verraderlijke van Enemies of Promise is dat het essay zó briljant is geschreven dat je, zeker als je zelf jong en debuterend schrijver bent, geneigd bent te geloven in diens over-romantische apekool. Connolly zette uiteen waar de jonge schrijver voor moet oppassen - en dat blijkt zo'n beetje alles te zijn dat het leven de moeite waard maakt. Mijn grote fout van weleer is dat ik Connolly's dweperij met het 'ware schrijverschap' serieus nam. Daarom dit advies: lees Enemies of Promise vanwege de superieure stijl, maar laat je niet in de luren leggen.


Ik doe een greep uit Connolly's 'vijanden' van de jonge schrijver. Om te beginnen dreigt het gevaar van het 'engagement'. Een beetje schrijver hoort zich verre te houden van politieke of maatschappelijke roerselen. Dit dogma is onder Nederlandse schrijvers nog steeds heel populair, maar lees Roth, Updike, George Orwell of, in eigen land, Casino van Marja Brouwers, en je merkt direct dat Connolly veel te absolutistisch in de formulering van het 'gevaar' van direct of indirect literair engagement.


Een andere vijand van de belofte is volgens Connolly de journalistiek. Wie literatuur wil creëren, mag nooit een knieval doen voor het schrijven van reportages, literaire nonfictie, columns of kritieken.


Ook dit idee getuigt van een bevoogdend purisme. De journalistiek van Martin Amis behoort tot de hoogtepunten uit zijn oeuvre, en wat hebben schrijvers als Joris van Casteren, Nicolaas Matsier en K. Schippers aan deze idiote stelregel?


Ook huwelijk en gezinsleven vormen een vijand van de belofte, aldus Connolly. Kindermonden moeten worden gevoed, en dat kan nu eenmaal niet met uitsluitend literaire arbeid, en dus moet je je als schrijver gaan 'prostitueren' - en dan beland je weer in de valkuil van de literaire journalistiek. Bovendien sust een gelukkig huwelijk iedere echter schrijver in slaap.


Het komt erop neer dat volgens Connolly iedere échte schrijver celibatair, kinderloos, onthecht en vrij van het juk van buitenliteraire arbeid moet zijn teneinde een meesterwerk voort te kunnen brengen. Adriaan van Dis mag zeer graag Connolly citeren: 'De kinderwagen in de gang is de doodssteek voor het schrijverschap.' Geestig geformuleerd - maar mijn advies aan schrijvers-met-gezinnen zou zijn: citeer nóóit Connolly. Gooi het boek het huis uit. Zelfs de meest welwillende partner van een schrijver wordt, begrijpelijk, uiteindelijk hoorndol van die valse romantiek waarin het schrijverschap wordt bejubeld als een soort zelfkastijdend messianisme.


Hoogstens als cabaret op niveau mag Connolly meedoen. Want soms zijn diens one-liners zo over the top dat ze alsnog enige charme bezitten. Deze bijvoorbeeld: The health of a writer should not be too good. Ik mocht dat altijd graag voor me uit prevelen na een nacht te hebben doorgehaald. Zelfs deze ene zin over de noodzakelijke gebrekkige gezondheid van de ideale schrijver vormt een scherp contrast met de wereld van Vizinczey. Diens eerste gebod luidt namelijk: 'Gij zuilt niet drinken of roken of drugs gebruiken.'


Op dit gebod volgt maar één toelichtende zin: 'Een schrijver moet zijn hersens kunnen gebruiken.' Het is het enige gebod van Vizinczey dat we maar beter naast ons neer kunnen leggen, en ik spreek hier hopelijk mede namens Hafid Bouazza, A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen en al die andere schrijvers die graag een sigaret opsteken, een borrel nemen of een jointje draaien. Als we dit gebod echt serieus nemen, dan kunnen we de Nederlandse literatuur wel opdoeken en krimpt onze literatuur in tot de enige geheelonthouder die me zo te binnen schiet: Maarten 't Hart. Niets tegen 't Hart, maar graag lees ik naast zijn werk ook de romans en gedichten van de vele kettingrokende drankorgels die onze literatuur rijk is.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden