De autonome school vraagt politieke sturing

Met beroepstrots haal je het onderwijs niet uit het slop. Ton van Haperen wil eerst analyses van de grote problemen en een minister die vervolgens ordenend optreedt....

Het onderwijs heeft zichzelf in de put gepraat. Dat meent de huidige minister, Van der Hoeven. Letterlijk vertelt zij: 'Ik vind dat de beroepstrots meer naar voren mag komen. Het overgrote deel heeft die trots wel. Maar uitgerekend de zure mensen staan altijd in de krant'(Reflex, 12 juli). Het zijn deze querulanten die het beeld vervuilen, de werkelijkheid ziet er totaal anders uit.

Volgens de minister gaat het dan ook helemaal niet slecht. De waardering van ouders en leerlingen voor hun scholen is redelijk, de prestaties zijn internationaal gezien gewoon goed. Vandaar dat Van der Hoeven het beleid van haar voorganger voortzet.

Scholen zijn autonoom en krijgen vrijheid om hun eigen problemen op te lossen. Minder bureaucratieen geen grand design op het terrein van onderwijsvernieuwing. Over waarden en normen maakt deze minister zich overigens wel zorgen, maar de oplossing heeft ze gelukkig bij de hand. Opvoeden is de taak van ouders en leren gebeurt op school.

Een contract tussen ouder en school regelt deze scheiding in verantwoordelijkheid. Dit contract is het enige beleidsvoornemen dat een paginagroot interview met een minister aan het begin van een nieuwe kabinetsperiode oplevert. Een beetje karig. Vooral omdat dat contract inhoudelijk ook nog eens niet zoveel voorstelt.

Een ouder die met een honkbalknuppel zijn gelijk komt halen, een leerling die zich weigert naar de regels te schikken, het mag allemaal niet. Dat weten de overtreders heus ook wel, toch gaan ze over de schreef. Een ondertekend papier met schoollogo en rijksstempel voorkomt dit dwangmatig gedrag niet. Het legitimeert hooguit een strenge reactie, die al lang legitiem is.

En dan te bedenken dat met name het voortgezet onderwijs heel veel andere problemen kent die om een oplossing schreeuwen. Het particulier onderwijs groeit, leerlingen stromen amper door naar een hoger schooltype, maar tuimelen wel naar beneden, de lesuitval is hoog, het aantal dropouts ook, vernieuwingen mislukken, zij-instromers verdwijnen na een jaar aanmodderen en de invloed van leraren, ouders en leerlingen op de gang van zaken op hun school holt achteruit.

De minister zegt dan: niet mee bemoeien, scholen zitten niet te wachten op van bovenaf opgelegde verandering. Kan zijn, maar dat neemt niet weg dat diezelfde scholen momenteel wel last hebben van mega-operaties uit het verleden als basisvorming, studiehuis en het vmbo. Deze vernieuwingen waren stuk voor stuk antwoorden op reële maatschappelijke problemen. De basisvorming moest de definitieve schoolkeuze uitstellen, het studiehuis zou de aansluiting met het hoger onderwijs verbeteren en het vmbo ging de status van het beroepsonderwijs verhogen. Dit was drie keer nodig en even zo vaak mislukt.

Over het hoe en waarom is veel geschreven. Kort gezegd komt het erop neer dat nooit consequent is gekozen tussen vakinhoudelijk kennisonderwijs en vakoverstijgend vaardighedenonderwijs. Beleidsmakers zeggen het een, leraren doen in de klas het ander. De uitwerking van dit geaarzel is rampzalig. Zo vindt na tien jaar basisvorming de definitieve schoolkeuze nog steeds plaats in groep acht van basisschool. In potentieslimme kinderen uit lage milieus worden zonder scrupules op hun twaalfde levensjaar weggebonjourd naar een vmbo. Daar merken ze van een opwaardering van het beroepsonderwijs weinig. Lessen vallen uit, kinderen leren niet naar hun mogelijkheden en verdwijnen. Dit verlies aan menselijk kapitaal moet voor een kabinet, met de kenniseconomie in het vaandel, pijnlijk zijn. Maar de verantwoordelijke minister weigert handelend op te treden. Zij gelooft in kleinschalige oplossingen op de werkvloer. De autonome school geeft de belangen van leraren en ouders de ruimte, een krachtenspel dat moet resulteren in een nieuw evenwicht met een groot probleemoplossend vermogen.

Sturing van onderaf in plaats vanuit Zoetermeer. Helaas, ook al papagaaien politici dit verhaal Kamerbreed na, het blijft een jammerlijk misverstand. Scholen zijn namelijk niet autonoom, besturen wel. Een bestuur zit tussen de overheid en de school in, ontvangt de middelen en maakt het beleid. Daarbij komt dat besturen vaak fuseren, daardoor groeien de fondsen en dus de financiële slagkracht. Langs deze weg nemen professionele managers het onderwijs van de politiek over. Status van de organisatie en sturingsvraagstukken domineren hun beleid. Zo ontstaat een nieuwe hiërarchie. Het bestuur stuurt centrale directies van samengesmolten scholen aan, die doen dat weer bij de verschillende schoolleidingen. Hierdoor verandert qua autonomie voor een rector niet veel. Declareerde hij vroeger zijn kosten in Zoetermeer, nu gaan de bonnetjes naar het bestuursbureau. Wel sijpelt het nieuwe organisatiemodel door naar schoolniveau. Onder de schoolleiding groeit een middenkader, dat verantwoordelijkheden aan onderwijsgevenden onttrekt. De leraar degradeert tot instructeur. Het kwalijkst van deze constructie is dat de wensen van leraren, ouders en leerlingen amper tellen. Zij willen kleine klassen in overzichtelijke scholen met aandacht voor kinderen, maar krijgen mammoetorganisaties met bureaucratie en lesuitval. Het veld boven hen is ondoorzichtig. De beleidsmakende partijen zitten net zo ver van de werkvloer als vroeger het ministerie. Het enige verschil tussen een professioneelonderwijsbestuurder en een minister is, dat de laatste politiek wordt gecontroleerd.

Dat Van der Hoeven geen zin heeft aan deze organsatiestructuur haar vingers te branden, is begrijpelijk. Maar zij gaat wel over een budget van 22 miljard euro en overheidsgeld verdient in deze tijd een efficiënte aanwending, want anders komt de zeis van Zalm. Dat betekent niet dat de minister alle problemen zelf op moet lossen, maar richting, regels en prikkels zijn wel wenselijk. Als de markt niet ordent, moet de overheid dat doen.

Democratiseren van schoolbesturen, strenge kwaliteitscontrole die scholen wijst op hun verantwoordelijkheid, terugbrengen van lesuitval en inhoudelijke keuzes zijn een maatje te groot voor het onderwijsveld. Een gedegen analyse, oplossingen met leiderschap uitdragen, het debat aangaan op basis van argumenten, dat is waar een goede minister zich mee bezighoudt. Maar Van der Hoeven reduceert problemen liever tot een kwestie van beeldvorming, denkt dat met een beetje beroepstrots alles goed komt en degradeert critici tot azijnpissers. Ze is net bezig, maar klinkt zelf toch ook al aardig verzuurd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden