De AOW, een staatspensioen voor alle gezindten

Wie betaalt de vergrijzing? Het is een van de thema’s in de verkiezingsstrijd. Ook bij het ontstaan van de AOW, nu bijna vijftig jaar geleden, was dit een strijdpunt....

Over een ding waren de politici na de Tweede Wereldoorlog het eens: er moest snel iets gebeuren aan de armoede onder de ouderen. De meerderheid was afhankelijk van hun kinderen, de (kerkelijke) liefdadigheid of de bedeling. Oud en arm waren synoniem in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Voor de oorlog konden ouderen en invaliden hoogstens aanspraak maken op een ‘pensioen voor een dooie’ van 150 tot 200 gulden per jaar. Een arbeider verdiende bijna tienmaal zoveel.

Na de oorlog wist Willem Drees, die toen PvdA-minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid was, binnen twee jaar de Noodwet Ouderdomsvoorziening door beide Kamers te slepen. Nadat de Eerste Kamer de wet zonder hoofdelijke stemming had aangenomen, stak geheelonthouder Drees in zijn kamer een sigaret op. ‘Ik vind dat ik dit verdiend heb’, zei hij verontschuldigend tegen een ambtenaar die hem kwam gelukwensen.

De Noodwet moest direct iets doen aan de schrijnende armoede onder ouderen en het was de voorbode voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Drees dacht dat het drie jaar zou duren voordat een definitieve wet het licht zou zien. Het werden er tien.

Niet omdat de politici zich druk maakten over de vergrijzing, zoals dat tegenwoordig voor PvdA-leider Wouter Bos reden is de betaalbaarheid van de AOW prominent op de politieke agenda te zetten. Bos wil dat ouderen met een behoorlijk aanvullend pensioen gaan meebetalen aan de AOW. Dit plan de oudedagsvoorziening te fiscaliseren viel slecht bij veel ouderen en sloeg een deuk in de populariteit van Bos.

De politici van direct na de oorlog discussieerden vooral over de wijze waarop de AOW moest worden gefinancierd. De socialisten waren ook toen al voor een staatspensioen betaald uit de belastinginkomsten. In de huidige terminologie: een volledig gefiscaliseerde AOW.

De christelijke partijen pleitten daarentegen voor het verzekeringsmodel. De eigen verantwoordelijkheid van de burger moest tot uiting komen in een duidelijke link tussen betaalde premies en de uitkering.

De confessionele partijen waren wars van een staatspensioen. Zoiets riekte naar staatssocialisme. Bovendien was een ‘gratis’ staatspensioen een beloning voor de zorgelozen. Dat zou de volkskracht ondermijnen.

De Sociaal-Economische Raad (SER) doorbrak de impasse in 1954. Het adviesorgaan van werkgevers en vakbonden rekte simpelweg het begrip verzekering op. Er is ook sprake van een verzekering als de kring van premiebetalers gelijk is aan de groep die een uitkering krijgt. Dat de individuele premies niet werden benut voor het eigen pensioen in de toekomst deed niet meer ter zake. Het omslagsysteem, waarbij de premies van de werkenden direct worden doorgesluisd naar de 65-plussers, viel binnen het nieuwe verzekeringsbegrip.

Minister Ko Suurhoff, de opvolger van Drees, was de architect van de huidige AOW. De PvdA’er overtuigde alle partijen. De wet werd op 22 maart 1956 in de Tweede Kamer aangenomen. ‘Toen het regeringsvoorstel was aanvaard, moest de voorzitter de vergadering schorsen, want rond de regeringstafel ontstond een enorm gedrang van afgevaardigden, die een ontroerde minister Suurhoff (...) de hand wilden drukken’, schreef de Volkskrant een dag later.

Het verruimen van het verzekeringsbegrip noemt Jan Kuné, hoogleraar pensioenwetenschap aan de UvA een truc. ‘De AOW is geen verzekering, maar de confessionelen konden zich vinden in deze formulering.’ Bijkomend voordeel was dat het omslagsysteem meteen een ander probleem oploste van de christelijke partijen en de liberalen. Kleine zelfstandigen kwamen nu in aanmerking voor de AOW, ook als ze nauwelijks premies hadden afgedragen.

De koppeling tussen premies en pensioen is losjes. Iedereen die van zijn 15-de tot zijn 65-ste in Nederland heeft gewoond, heeft recht op AOW, ongeacht andere inkomsten of spaargeld. Ook koningin Beatrix krijgt een AOW-uitkering.

Dat vergrijzing bij de invoering van de AOW niet de meest prangende kwestie was, is logisch. Begin 1957 waren er 712 duizend ouderen die ‘van Drees trokken’. Nu maakt de Sociale Verzekeringsbank maandelijks 1,9 miljard euro over aan 2,6 miljoen 65-plussers.

Toch realiseerde Suurhoff zich in 1955 al dat de vergrijzing op den duur een bedreiging vormde voor zijn AOW. Hij had twee oplossingen in petto. Zijn eerste was verhoging van de pensioenleeftijd.

In het memorie van toelichting bij de wet schreef hij: ‘Zou de last (van de AOW, red) te zwaar worden in de toekomst, dan is verlichting mogelijk door de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen, een mogelijkheid, welke goed aansluit aan een toeneming van de gemiddelde leeftijd en een verbeterde lichamelijke conditie der bejaarden.’

Zijn tweede oplossing was het opkrikken van de arbeidsparticipatie. ‘Ook is er in vele landen een tendens waarneembaar tot toenemende vrouwenarbeid’, schreef Suurhoff. ‘Men kan dit betreuren of toejuichen, te stuiten valt zulk een ontwikkeling, als zij zich ook in ons land zou voordoen, niet. Maar zij zou in elk geval een toeneming van het aantal actieven beneden de 65 jaar betekenen, dat wil zeggen: een relatieve toeneming van het aantal premiebetalenden, vergeleken met het aantal pensioengerechtigden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden