De antropoloog als kannibaal

IEDERE wetenschap heeft zijn schandalen en pijnlijke herinneringen. De antropologie vormt hierop geen uitzondering. Het boek van de Amerikaan Patrick Tierney voegt een nieuw schandaal toe aan de lijst....

Opererend in kwetsbare, marginale samenlevingen hebben antropologen zich vaak opgeworpen als verdedigers van bedreigde culturen of onderdrukte groepen. Ironisch genoeg zijn zij echter zelf ook vele malen beschuldigd van handelingen die het voortbestaan van deze mensen juist in gevaar brachten. De context van kolonialisme, oorlog, economische uitbuiting, etnocentrisme en milieuproblematiek maakte - en maakt nog steeds - het werk van antropologen extra gecompliceerd en discutabel.

Een geruchtmakende affaire ontstond in 1983, toen de Nieuw-Zeelandse antropoloog Freeman zijn kritiek publiceerde op Margaret Mead, een grootheid in de antropologie. Haar eerste boek, Coming of age in Samoa (1928), werd een bestseller. Het schetste de vrije moraal op een tropisch eiland en de afwezigheid van de spanningen en conflicten die Amerikaanse jongeren beleefden tijdens hun puberteit.

Freeman maakte korte metten met het romantisch beeld dat Mead geschetst had. Zijn studie onder de Samoaanse bevolking leverde bijna het tegenovergestelde beeld op. Ook op Samoa 'heerste' de puberteit met zijn conflicten en agressies. Volgens Freeman waren de Samoanen - ook ten tijde van Meads onderzoek - puriteins en streng en tolereerden geen amoureuze betrekkingen tussen jongeren. Zelfmoord en aanranding kwamen relatief vaak voor en werden door hem gezien als de gevolgen van seksuele repressie. Mead had zich wat op de mouw laten spelden, volgens Freeman. De commotie was groot en het vak antropologie stond lange tijd op pijnlijke wijze 'te kijk'.

Heeft Patrick Tierney met zijn boek Darkness in El Dorado opnieuw een lijk uit de antropologische kast gehaald? Tierney, die zichzelf 'wetenschapsjournalist' noemt en eerder een boek schreef over de Inca-cultuur in het Andesgebergte, heeft een onthutsend rapport geschreven over de Yanomami en de rol van westerse wetenschappers in hun midden. De Yanomami zijn indianen op het grensgebied van Brazilië en Venezuela. In de literatuur zijn zij vaak aangeduid als 'ongerepte wilden'. Zij werden beroemd, nadat de Amerikaanse antropoloog Napoleon Chagnon zijn eerste boek over hen had gepubliceerd: The fierce people. Het boek werd een absolute bestseller binnen het vakgebied. Chagnon schilderde hen af als wreed en gewelddadig. Oorlog en doodslag was hun levenswijze, waarbij het vooral zou gaan om het 'bezit' van vrouwen. De Yanomami groeiden uit tot het etnografisch voorbeeld van Chagnons sociaal-darwinstische visie: de sterksten overleefden. Het beeld van geweld en onderlinge strijd werd ondersteund door de films die hij maakte: veel woeste krijgers met zwaaiende stokken en bijlen en beschilderde lichamen.

Chagnon is een bekendheid in de antropologie. Zijn denkbeelden, sterk aanleunend tegen de sociobiologie, zijn altijd controversieel geweest. De grote meerderheid van de antropologen verafschuwt immers de sociobiologie. Ook zijn werk en zijn stijl van antropologie bedrijven zijn veelvuldig bekritiseerd, maar dat neemt niet weg dat hij voor velen een 'culturele held' was, de personificatie van de 'echte' antropoloog.

Ook Tierney was aanvankelijk een bewonderaar van Chagnon, maar ontwikkelde zich tot zijn felste criticus. Elf jaar lang heeft hij, naar eigen zeggen, aan Darkness in El Dorado gewerkt, waarin hij de gangen van zijn oude idool in het hete Amazone-gebied natrekt en zijn geschriften napluist. Het resultaat is een lange lijst van beschuldigingen aan het adres van vele wetenschappers die zich de afgelopen dertig jaar in het gebied van de Yanomami hebben opgehouden, in het bijzonder van Chagnon. Zijn boek telt zestienhonderd voetnoten, vierhonderd bronnen en negentig interviews met 'getuigen'.

Tierney's boek zorgde reeds vóór publicatie voor veel opschudding (zie de Volkskrant, 18-11-2000). Rond september vorig jaar werden alle antropologen over de gehele wereld die toegang hadden tot e-mail en internet, opgeschrikt door een onheilspellend bericht: er zou een boek verschijnen waarin de ernstigste beschuldigingen ooit aan het adres van de antropologie werd gericht: etnocide. De Amerikaanse geneticus James Neel zou samen met Chagnon moedwillig een mazelenepidemie veroorzaakt hebben onder de Yanomami door het toedienen van een gevaarlijk en verouderd vaccin. Vele gevaccineerden zouden gestorven zijn.

Geleidelijk aan bleek echter dat de beschuldigingen van Tierney rammelden en toen het boek - met enige vertraging - eindelijk verscheen, was er van Tierney's J'accuse weinig meer over. Hij was uiterst tendentieus geweest in het citeren van zijn bronnen, hij had de ziekteverwekkende gevolgen van het gebuikte vaccin zwaar overdreven en hij had geknoeid met de data. Volgens 'betrouwbaarder' bronnen was de epidemie al aan de gang, toen de wetenschappers arriveerden en hadden dezen juist getracht de ziekte in te dammen door het geven van vaccinaties. Een lid van het team meldde dat niet één gevaccineerde gestorven was.

De antropologen haalden opgelucht adem. Dit keer geen schandaal. Maar wie het boek gelezen heeft, weet dat slechts twee van de achttien hoofdstukken over de vaccinaties en de mazelenepidemie gaan. Over blijven zestien hoofdstukken waarin het cowboy-gedrag van Chagnon en zijn medewerkers minutieus beschreven en gelaakt wordt.

Maar als Tierney niet te vertrouwen is ten aanzien van zijn zwaarste beschuldiging, wat moet men dan denken van de overige beweringen? Bovendien lijkt de man gedreven door een persoonlijke wrok; geen goed uitgangspunt voor een serieuze studie.

Ik vermoed dat de meeste collega's het boek, dat overigens veel te dik is, niet gelezen hebben. Toch is dat jammer, want Tierney heeft wel degelijk iets te zeggen. Zijn lange lijst van beschuldigingen kan in drie thema's worden onderverdeeld. Ten eerste is er de zojuist besproken - en naar het zich laat aanzien weerlegde - bewering over Neel en Chagnon. Ten tweede levert hij kritiek op het gedrag van de onderzoekers die meer geïnteresseerd waren in hun onderzoek dan in het welzijn van de mensen. Als iemand van het onderzoeksteam voorstelt medische hulp te verstrekken aan de ernstig zieken, verwerpt Chagnon dit. Een helikopter komt een nieuwe camera brengen, maar heeft geen plaats voor een stervende vrouw.

Het derde kritiekpunt is dat Chagnon geknoeid heeft met zijn onderzoeksgegevens, dat hij zijn bronnen verbergt, en dat hij zijn data construeert door de beschreven gebeurtenissen zelf in scène te zetten. Zijn onderzoek is één grote projectie van zijn eigen ideeën. Als die ideeën veranderen, omdat bijvoorbeeld zijn sympathieën wisselen als hij in conflict raakt met de aanwezige missionarissen, veranderen ook zijn data. Beschuldigingen van geknoei met onderzoeksgegevens zijn door het hele boek te vinden. Chagnon was royaal met cadeaus en kon de Yanomami laten doen wat hij wilde. Zijn boeken en films transformeerden het allemaal in 'antropologie'. Zijn sterke verhalen maakten hem bovendien populair bij de media die niets wilden horen van correcties. Een collega-antropoloog klaagt tegenover Tierney dat het geen zin heeft de media te vertellen dat Chagnon liegt. Hun enige reactie is: 'So what?'.

Toegegeven, Tierney heeft zichzelf danig gediskwalificeerd als criticus. Het heeft er alle schijn van dat hij nietbetrouwbaarder is dan Chagnon. Maar hun beider gesjoemel met cijfers en data moet iedere antropoloog tot nadenken stemmen. Te lang hebben antropologen ongecontroleerd in afgelegen gebieden hun onderzoek kunnen doen en konden ze ongestraft hun persoonlijke interesses een stempel laten drukken op de bevindingen. Tot op zekere hoogte is er niets mis met dat persoonlijk stempel. In de antropologie wordt ruiterlijk erkend dat zoiets onvermijdelijk is en acceptabel zolang de onderzoeker laat zien waar die persoonlijke inbreng schuilt en hoe hij tot het inzicht is gekomen dat hij beschrijft.

Chagnons ongegeneerde presentatie van het bijlgevecht als 'echt' in de gelijknamige film staat model voor wat Tierney hem verwijt. Het gevecht was slechts een voorstelling, 'gekocht' en op bestelling afgeleverd, zou men kunnen zeggen. En de laatste dodelijke slag - gelukkig buiten beeld - die de toeschouwer met afschuw ondergaat, is een klap op een watermeloen. De gedode verliezer bestaat niet. Hollywood sluipt de etnografie binnen.

Het onderzoek van Tierney is in ieder geval een waarschuwing aan de antropoloog dat hij niet meer ongestraft (want ongezien) onder de palmen sterke verhalen kan produceren. Er kan altijd een collega langskomen die achter de schermen kijkt. Belangrijker nog; degenen over wie hij verhalen vertelt, luisteren en lezen in toenemende mate mee en zijn niet meer op hun mondje gevallen.

Als we Tierney mogen geloven zijn de Yanomami bitter gestemd over de rol van wetenschappers in hun midden en van Chagnon in het bijzonder. Hij die hen als 'kannibalen' neerzette, is zelf een kannibaal. Chagnon en al die andere vreemdelingen hebben ziekte en ellende gebracht. Met hun camera's hebben ze de ziel van de indianen gestolen en met cadeaus hebben ze hun wandaden bedekt. De Yanomami zouden het liefst alleen de cadeaus gekregen hebben, zonder de gevers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden