De 'antiautoritaire kresj' - beter of slechter dan het voorzichtige opvoeden van nu?

Op de ‘antiautoritaire kresj’ waar Sander Donkers heenging, moest hij zich ontwikkelen tot Nieuwe Mens. Het betekende eindeloze vrijheid, maar ook verveling, smijten met eten en spelen in de viezigheid. Was het zoveel beter of slechter dan het voorzichtige opvoeden van nu?

2 december 1970: kinderen spelen in de zandbak van Sander Donkers ­antiautoritaire crèche in Amsterdam. Beeld witte kinderenplan

Op mijn antiautoritaire kleuterschool deelden we de zandbak vaak met een stel zwervers, met wie we op goede voet verkeerden. Ouderwetse zatlappen in verfomfaaid pak. Eentje had geel uitgeslagen haar, een ander miste een paar tanden. Terwijl zij goedkope rode wijn naar binnen slobberden, bakten wij vlak daarnaast onze zandtaartjes. De dronkaards vonden al die kindervreugd wel leuk, wij vonden hen niet eng, raar of vies. Op een dag namen ze ons zelfs mee naar de ijssalon om ons op een waterijsje te trakteren.

Die zandbak stond op een openbaar plein bij de Nieuwmarkt in Amsterdam. Wij scheurden er rond op onze fietsjes, terwijl de auto’s rakelings langs ons reden. Het kon niet anders, omdat het gekraakte pand van de Open Kleuterschool geen binnenplaats had, maar er zat ook een gedachte achter. ‘Het leven van de kinderen is op deze manier ingepast in het leven dat de stad biedt, aldus de commentaarstem in een korte film over de school, die de NOS begin jaren zeventig uitzond. ‘Doordat de school niet omheind is, en geïsoleerd, raken de kinderen niet vervreemd van het gewone leven.’

Als 21ste-eeuwse vader kan ik me nauwelijks voorstellen dat ik mijn 4-jarige dochter gezellig naast een tandeloze zuiplap zou laten spelen. Maar het is vooral ondenkbaar. Zij groeide op in een tijd waarin een ‘veilige leeromgeving’ het toverwoord was. Zulke types hadden onder schooltijd nooit in haar buurt hadden kunnen komen. Want natúúrlijk speelde ze in groep 1 achter een hek.

Ik geloof niet dat mijn dochter door dat hek vervreemd is geraakt van wat dan ook. Bovendien: ze was 4. Op de crèche succesvol gepromoveerd van zeehond tot pinguïn tot ijsbeer, en daarna doorgestroomd naar het zoete leven van liedjes zingen en kartonnen hoeden in elkaar nieten. De confrontatie met het ‘gewone leven’ moest sowieso nog maar even wachten.

Als je een jeugd in de vroege jaren zeventig afzet tegen de manier waarop we nu opvoeden, is vrijwel alles moeilijk voorstelbaar. Gingen we echt op vakantie in een bloedhete auto zonder airco, de raampjes dicht, met kettingrokende ouders die tóch verbaasd waren als je ‘wagenziek’ werd? Eh, ja.

Maar je kunt veilig stellen dat de antiautoritaire opvoeding nog een tikje verder ging, wat gekkigheid betreft. Eind jaren zestig was het een modieus verschijnsel, overgewaaid uit Duitsland. Overal verrezen crèches en kleuterscholen waar de kinderen zelf maar moesten bepalen wat ze deden, en niet gehinderd mochten worden in hun ‘vrije driftbeleving’. Al snel had je verschillende antiautoritaire stromingen. Voor de hardliners was het een gewichtige zaak. De kinderen dienden zich te ontplooien tot ‘Nieuwe Mensen’, om ze voor te bereiden op hun taak de maatschappij omver te werpen. De rekkelijken vonden het vooral belangrijk dat kinderen in vrijheid en harmonie hun creativiteit konden ontplooien, zodat ze later ‘beter opgewassen’ waren ‘tegen allerlei pogingen die er vanuit de maatschappij worden uitgeoefend om hen te beïnvloeden’.

Sander Donkers in 1970: ‘Als fervent Lucky Luke-adept was het voor mij nogal een klap dat de crèche ‘anti-militaristies’ was.’ Beeld RV

De Open Kleuterschool was niet heel streng in de leer. Hij kwam voort uit het Witte Kinderenplan van de Provo-beweging. Crèches waren nog geen vanzelfsprekendheid, veel kinderen zaten thuis met hun moeder, en dat werd als ‘verstikkend’ beschouwd. Dus zorgden de Provo’s voor ruimten waar de kinderen met elkaar konden spelen, en de ouders oppasten. Toen de eerste lichting ‘witte kinderen’ van de Nieuwmarkt naar de kleuterschool moest, kraakten ze het pand naast de ‘kresj’ om er daar zelf een te beginnen. Om een verbinding tussen de peuters en de kleuters te creëren, werd er een gat in de muur geramd. Twee leidsters hielden toezicht, de ouders sprongen om beurten bij.

Er kwam een hoop theorie bij kijken, steevast verwoord in dat heerlijke, ironieloze jarenzeventigproza. Zoals het principe van de ‘wisselende ouders’, dat erop neerkwam dat een kind niet te veel aan zijn eigen moeder of vader moest hangen, want die waren er voor alle kinderen. De leidsters dienden we niet te zien als ‘juf’, maar als ‘geadopteerde (mede-)ouder’. Dit alles conform punt zeven uit het ‘structuurplan’: ‘Het is niet de bedoeling leef- en gedragsregels aan te reiken vanuit opvattingen en levensvormen die automaties voortvloeien uit de gebruikelijke scheidslijnen als: school-thuis; man-vrouw; volwassenen-kind etc.’

Ook de ‘aanvaarding van de kinderlijke seksualiteit’ was een punt van aandacht. ‘Blootlopen en zgn. sexspelletjes werden meestal getolereerd maar niet aangemoedigd, noteerde een journalist van De Groene Amsterdammer. Tijdens de wekelijkse vergaderingen werd besloten dat poppen alleen toegestaan waren als ze ‘echte piemeltjes en kutjes’ hadden.

Als fervent Lucky Luke-adept was het voor mij nogal een klap dat de boel ‘anti-militaristies’ was. ‘Agressie dient plaats te maken voor solidair gedrag, stond er in de notulen. ‘Agressief speelgoed’ was uit den boze. ‘Maar ach, zegt mijn moeder als ik haar vraag naar die tijd, ‘je timmerde gewoon een stokje dwars op een langere stok. Dan had je toch een zwaard, én was je creatief bezig geweest.’

Mijn ouders vonden het maar een beetje onzin, al dat getheoretiseer. Ze waren niet overtuigd antiautoritair – al is er volgens een hardnekkig familieverhaal ooit een spotgoedkoop, kapitaal pand in de Amsterdamse binnenstad aan onze neus voorbij gegaan omdat mijn vader weigerde een stropdas om te doen toen ze naar de makelaar gingen. Ze waren vooral heel jong. ‘Tijdens die vergaderingen staken sommige mensen hele verhandelingen af, zegt mijn moeder. ‘Dan dacht ik: schiet nou maar op met dat lunchrooster, dan kunnen we naar huis.’

Beeld RV

Ik ging naar de Open Kleuterschool omdat het dichtbij was en omdat mijn beste vriendje er ook heen ging. ‘We wilden dat je het anders zou hebben dan wij het gehad hadden. Dat hele stijve: de hele dag prikken en plakken, precies zoals de juf zei dat het moest. Later heb ik me weleens afgevraagd waarom we je daar twee jaar hebben laten zitten. Want je verveelde je een beetje, met al die vrijheid. Jij vond het juist leuk om een taakje te krijgen.’

De praktijk van de vrije driftbeleving was nogal weerbarstig. In het eerste jaar stak een kleuter een deel van de school in de fik, waarna de ouders besloten dat de kinderen ‘geobserveerd’ moesten worden. Volgens mijn oude juf Saskia, die ik telefonisch sprak, was het niet uitzonderlijk dat iemand van het balkonnetje in de grote speelruimte naar beneden pieste. ‘Het was een klerezooi toen ik daar kwam, vertelt ze. ‘Er werd met eten gesmeten, er zat pindakaas aan de muren.’ Goddank was er mijn oudtante Jo, een kordate Rotterdamse met blauwspoeling en bloemetjesjurk, die soms langskwam met emmer, dweil en bezem, omdat ze niet kon aanzien dat ik in de viezigheid moest spelen.

Toen Saskia kwam was bij veel ouders de twijfel over die grenzeloze vrijheid al toegeslagen. Schoorvoetend gaven ze haar de ruimte om toch wat structuur aan te brengen. ‘Ik geloofde niet zo in het idee dat alles uit de kinderen zelf moest komen’, zegt ze. ‘Op die leeftijd hebben ze juist prikkels nodig om iets uit te voeren. Eigenlijk hadden ze niks te doen. En tja, dan werden ze reuze creatief, sloegen een spijker door een plank en gingen elkaar te lijf.’ Sommige kinderen, lacht ze, waren inmiddels zo gewend aan de vrijheid dat er alleen met ‘chantage’ nog iets te bereiken viel. ‘Die waren totaal niet gewend om in redelijkheid afspraken te maken. Dus was het: als je niet opruimt, dan geen ijsje.’

Ik knapte volgens mijn moeder juist enorm op van een beetje structuur. Misschien was ik gewoon niet uit het juiste hout gesneden om een Nieuwe Mens te worden. Toen ik in de eerste dagen van de lagere school ontdekte dat het tafeltje dat me werd toegewezen echt mijn tafeltje was, kon ik mijn geluk niet op. En het zal geen toeval zijn dat ik in mijn vroegste gedachten over een toekomstig beroep altijd buschauffeur was. Want dan had je een eigen hokje. Met een deurtje. Dat dicht kon.

Op die verder keurige school zat ik in een klas waarin de kinderen van twee antiautoritaire kleuterscholen waren samengevoegd. De ouders namen de overblijf voor hun rekening. Ik zie nog voor me hoe een vader, terwijl ik probeerde moeilijk brood met Marmite naar binnen te werken, zijn hand in de broek van een moeder stak en haar begon te vingeren. Misschien was het zijn eigen vrouw of vriendin, misschien ook niet. In de scheidingsgolf die volgde op het grote experimenteren was het voor ons nauwelijks bij te houden wie bij wie hoorde. Was ook een beetje een burgerlijke vraag, wist je instinctief.

Onze vrijheid was groot, de keerzijde daarvan ook. Er was een jongen die soms wekenlang alleen werd gelaten omdat zijn ouders zichzelf ergens aan het ontdekken waren. Als het koud was, kwam hij bij gebrek aan winterjas in een deken naar school. Toen ik een keer bij een vriendje thuis kwam, lag zijn moeder languit op het tapijt haar roes uit te slapen. Dus stalen we 25 gulden uit haar portemonnee en gingen we naar spiritueel centrum de Kosmos om mediterende hippies te treiteren. Spannend, vond ik toen. Maar het was natuurlijk vooral tragisch.

Wij waren ‘heel anders dan de andere kinderen’, vertelde een vader over onze klas aan de Volkskrant, in 1976. ‘Ze zijn veel zelfstandiger, vragen ook altijd naar de motivering van opdrachten en bevelen.’ Ja, mondig waren we zeker. Maar er waren er vooral ook heel veel die op jonge leeftijd ontspoorden, in kraakpanden terechtkwamen, en kampten met drugs- en andere problemen.

Lag dat aan de antiautoritaire opvoeding? Het is makkelijk om het belachelijk te maken, en misschien ook wel terecht. In de experimenteerdrift van onze ouders waren wij het knutselmateriaal. En het experiment mag als mislukt beschouwd worden. Maar voor zover ik weet ontstonden de problemen toch vooral bij kinderen die thuis liefde en aandacht tekortkwamen. Daar heeft het mij nooit aan ontbroken, en ik kijk met mildheid op die chaotische tijd terug.

Beeld RV

Opvoeden anno 2018 is in veel opzichten het tegenovergestelde van hoe het in mijn jeugd ging. Veel ouders zitten overal bovenop en maken zich zorgen over alles. Over E-nummers, vaccinaties, over de zon, over de vraag of er niet iemand buiten de boot zal vallen bij een ‘playdate’ met zijn drietjes. Protocollen, ‘rugzakjes’ en medische diagnoses moeten de illusie van controle geven. De Luizenmoeder werd niet voor niets zo’n enorm succes. 

Ik weet niet wat beter is. Zelf denk ik dat ik ergens in het midden ben uitgekomen. Mijn dochter, 15 inmiddels, groeide een stuk beschermder op dan ik. Voor een deel was dat common sense, want de stad is veel drukker en gevaarlijker geworden. No way dat ze, zoals ik, uren over straat mocht zwerven zonder dat ik wist waar ze was. Maar ik deed niet aan veiligheidsstopcontacten of fietshelmpjes, maakte me niet druk over gluten, peinsde er niet over om de juf te paaien zodat mijn dochter misschien een mooiere rol in de eindmusical kreeg, en ik dacht: als je een keer uit een klimrek dondert en er zijn geen rubbertegels, kijk je een volgende keer vast beter uit. Zolang het niet richting verwaarlozing gaat, valt er veel te zeggen voor vrijheid.

Acht antiautoritaire jaren krijg je er niet zomaar uit. Ik heb nog altijd een zwak voor de paradijsvogels van toen. Een betere wereld mag er dan niet gekomen zijn, toch zijn de mensen die zich ervoor inzetten me doorgaans liever dan cynici. Tegelijkertijd: als je deel was van een mislukt experiment, doet dat niet veel goeds voor je geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Ik kan het niet helpen in sommige moderne discussies de echo’s van toen te horen, en die met enige meewarigheid te bekijken. Bij een bevlogen pleidooi voor ‘polyamorie’, de 21ste-eeuwse variant van de open relatie of driehoeksverhouding, denk ik meteen: och jongens, doe het toch niet! En dat geldt nog veel sterker als het over kinderen gaat. Zoals ik, ondanks mijn voorliefde voor pistolen, toch een tamelijk vreedzaam type ben geworden, zo heb ik me nooit zorgen kunnen maken over de vraag wat roze stofzuigertjes of prinsessenjurken met het vrouwbeeld van mijn dochter zouden doen. Rolbevestigend? Vast, maar op een dag gooide ze die troep in een hoek, en sindsdien is ze niet meer in een jurkje te rammen. Een eigen beslissing, die ze nooit had kunnen nemen als ik dat op voorhand al voor haar had gedaan. En dat lijkt me uiteindelijk het beste.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden