De angst voor het zelfgeschapen monster

Waar komt de paniek over miltvuur vandaan? Onze angsten nemen toe naarmate we minder vat hebben op omstandigheden die ze oproepen....

Vier mensen in de Verenigde Staten zijn gestorven aan de besmetting met miltvuur en miljoenen mensen maken hun post met trillende handen open. Ondertussen vinden elke week gemiddeld twintig mensen de dood op de Nederlandse snelwegen, maar geen automobilist die bevend in zijn auto stapt. Per dag sterven er in ons land gemiddeld vierentwintig mensen aan luchtpijp- en longkanker, maar er is geen roker die bibberend van angst voor deze ziekte zijn volgende pakje openmaakt. Wel is ongeveer een op de zeven Nederlanders zo bang voor de tandarts dat zij in het geheel niet gaan, of pas als de nood hoog is.

Hoe komt het dat we bang worden voor onvoorspelbare gevaren, terwijl we onszelf doodgemoedereerd de meest reële en voorspelbare risico's op de hals halen? Het heeft veel te maken met wat wetenschappers de locus of control noemen, de vraag in hoeverre je zelf de situatie beheerst. Bij een externe locus of control is iemand ervan overtuigd machteloos te zijn tegenover het risico dat hem bedreigt, en dat maakt extra bang. 'Rokers denken dat ze het risico zelf in de hand hebben, want ze kunnen stoppen met roken', zegt psycholoog Reinier Rozeboom, gespecialiseerd in menselijk gedrag in crisissituaties. 'Niet dat ze dat doen, maar het zou kunnen.'

Ook automobilisten hebben het gevoel dat ze niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk het stuur in handen hebben. Vaak ten onrechte, zoals blijkt uit de cijfers; niet alleen eigen fouten spelen mee in de dodencijfers, maar ook fouten van anderen en oncontroleerbare zaken als het weer. Maar wie het gevoel heeft zelf controle over de situatie te hebben, wordt minder bang. Uit onderzoek blijkt dat we geneigd zijn ons eigen aandeel in de uitkomst van een gebeurtenis systematisch te overschatten - zelf rijden we toch goed, dus we overleven het wel - en de rol van anderen en het toeval te onderschatten. Door de bank genomen leven wij met een illusie van onkwetsbaarheid.

Gebeurtenissen horen goed af te lopen, dus zullen ze dat ook wel doen. 'Rationeel bezien weten de meeste mensen best dat ze slachtoffer kunnen worden van een ramp, maar ze staan er niet bij stil', aldus Rozeboom. 'Je denkt altijd dat het anderen zal overkomen, niet jezelf. Dat is een overlevingsstrategie waar we niet buiten kunnen. Meestal word je ook van jongsaf aan in die verwachting bevestigd en zo schep je een overzichtelijke en voorspelbare wereld. Dan kun je rustig in een auto of vliegtuig stappen, want je denkt: het zou wel heel toevallig zijn als mij hierbij iets zou overkomen.'

Bij een ramp wordt deze illusie verbroken. 'Een normale ramp is op een goed moment afgelopen', zegt Rozeboom. 'Een orkaan bijvoorbeeld is na een paar dagen wel over. Maar bij deze terroristische acties is geen einde in zicht, dat is het probleem. Je hebt nauwelijks of geen invloed op een bedreiging die onbepaalde tijd duurt. Daardoor ontstaat machteloosheid en dat leidt tot irrationeel gedrag. Men gaat gasmaskers kopen. De kans dat je die nodig hebt, is uiterst gering, nog afgezien van de vraag of ze bescherming geven tegen alles wat er op je af kan komen. Het gekke is dat je geen gasmasker koopt wanneer er elke dag een trein met chemicaliën langs je huis rijdt.'

Het mechanisme van de locus of control verklaart ook de zogeheten slachtofferparadox bij ouderen. Zij voelen zich onveiliger dan jongere mensen, terwijl ze veel minder vaak het slachtoffer worden van misdrijven. 'Oudere mensen laten zich snel verlammen door beangstigende berichten in de media', zegt Kees Penninx, medewerker ouderenbeleid bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. 'Daardoor belanden ze in een sociaal isolement en moeten ze nog meer uit de tweede hand ervaren hoe de samenleving eruit ziet. Met als gevolg dat ze navenant kwetsbaarder worden voor angstwekkende berichtgeving. In verzorgingstehuizen waar ouderen alleen met elkaar praten, doen de wildste verhalen de ronde. Ouderen die nog middenin de samenleving staan, bijvoorbeeld doordat ze vrijwilligerswerk doen, hebben veel sterker het gevoel dat ze greep hebben op hun lot dan degenen die zich terugtrekken. Zij grossieren te veel in tweedehands ervaringen.'

Daags na de eerste aanvallen op Afghanistan is Penninx met een groep medewerkers naar Washington gereisd voor een conferentie over het verbeteren van contacten tussen generaties. Enkele collega's waren zo bang om naar de VS te gaan, dat ze niet meededen aan de studiereis. 'Die keuze hebben wij uiteraard gerespecteerd. Maar als ze wel waren gegaan, hadden ze gezien dat er ook in de VS een grote stroming is van mensen die zich niet wil laten demotiveren en die projecten opzet om zoveel mogelijk medeburgers bij de samenleving te blijven betrekken.'

Akelige gebeurtenissen zijn dikwijls heel wat angstaanjagender wanneer ze anderen overkomen dan wanneer je zelf in het middelpunt staat. Columniste Yoeke Nagel beschrijft in Onkruid hoe haar kinderen, van wie er een op krukken loopt vanwege een gewrichtsziekte, zitten te griezelen voor de televisie over al die zielige mensen die 'wat hebben'. 'Jij hebt toch ook wat?', vraagt de moeder. Maar nee, ze bedoelen: écht wat hebben, zoals een kaal hoofd, of een wond op je wang. Misschien vind je dat wat je zelf hebt altijd het minst erg, bedenken de kinderen ter verklaring.

Zelf ben ik eens, jaren geleden, door een agressieve man met een harde vuistslag tussen mijn ogen geraakt. Als ik dat bij een andere vrouw had zien gebeuren, was ik ongetwijfeld in elkaar gekrompen van ontzetting en medelijden. Maar toen ik zelf betrokken was, ervoer ik vooral een vaag gevoel van verwondering, iets in de trant van: 'Jee, wat interessant, ik zie een verblindend wit licht'. Zulke anecdotes bewijzen natuurlijk niet veel, maar tonen wel aan dat situaties waarin iemand zelf een actieve rol speelt, vaak minder griezelig zijn dan ze van buitenaf lijken. De mens begint meteen strategieën en oplossingen te bedenken, waardoor hij wordt afgeleid van zijn ellende.

Het gevoel zelf geen enkele invloed te hebben op het dreigende gevaar en er niets tegen te kunnen doen, versterkt angst. De angst voor milieuvervuiling, beschreven in Psychologie Magazine, illustreert dat. Luchtvervuiling is een reëel risico, omdat het aantoonbaar allerlei lichamelijke en geestelijke problemen veroorzaakt, zoals vertraagde reacties, geheugenverlies, moeheid, irritatie en depressie. Mensen hebben dan ook veel last van fabrieken in hun woonomgeving en klagen daar ook over. Maar ze ademen met plezier de schadelijke rook van hun eigen open haardvuur in en leven welgemoed in slecht geventileerde en goed geïsoleerde huizen, waarin de lucht twee tot drie keer zo vervuild is als op de verkeersweg voor de deur. Angst voor vergiftiging, stelt het artikel, is zo oud als de mensheid en meestal niet zozeer een afspiegeling van een reële bedreiging, maar veeleer een gevolg van onderling wantrouwen en een uiting van sociaal onbehagen.

Interessant is ook de Tsjernobyl-ramp in 1986, besproken in hetzelfde artikel van Psychologie Magazine. In eerste instantie kwamen er berichten over honderden, misschien wel duizenden doden. Achteraf waren het er dertig. Ook de effecten van de radioactieve straling die vrijkwam, bleken minder rampzalig dan men in eerste instantie vreesde. Weliswaar kregen significant meer kinderen schildklierkanker dan voorheen, maar dat was waarschijnlijk eerder het gevolg van een extreem jodiumtekort in de voeding en had, volgens een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie, voorkomen kunnen worden door het verstrekken van jodiumpillen. De psychiater Johan Havenaar van het Academisch Ziekenhuis Utrecht promoveerde later op een Tsjernobyl-onderzoek, waaruit bleek dat de psychosociale effecten van de kernramp voor de regionale bevolking veel ernstiger waren dan de straling zelf.

De stress veroorzaakt door de angst voor besmetting moest volgens Havenaar beschouwd worden als de grootste ziekteverwekker. Psycholoog Rozeboom: 'Van stress kun je aardig ziek worden. Van de collectieve stress die zich nu voordoet, kunnen we nog een hoop ellende verwachten.' Het aanvankelijk overdrijven van het geschatte aantal doden deed zich ook voor bij de Bijlmerramp en de aanvallen op de WTC-torens. Op 11 september hoorden televisiekijkers dat er 50 duizend mensen in de torens werkten, waarmee de suggestie werd gewekt dat er wellicht evenzovele doden gevallen waren. In beide gevallen werden de dodentallen later naar beneden bijgesteld. De aanvankelijke ontzetting over het grote aantal vermoedelijke doden blijft hangen, lang nadat het precieze aantal werkelijk omgekomen mensen is vastgesteld.

Verbijsterend in de terrorisme-hype is dat de berichtgeving door de media soms op de feiten vooruitloopt - alsof het melden van de actuele, reële ellende niet genoeg is om ons angst aan te jagen. Direct na de aanslagen op 11 september kwamen de eerste berichten over het bioterrorisme dat we konden verwachten. Diverse deskundigen waarschuwden ervoor in geuren en kleuren. Direct daarop kwamen de eerste brieven met dodelijk poeder. Van zo hoge kwaliteit, zegt men, dat het wel uit Amerikaanse laboratoria afkomstig moet zijn. Inmiddels doet men alweer een nieuwe voorspelling uitgaan: er komt een aanval op een kernreactor.

Wat hebben wij eraan om dit te weten? Natuurlijk, er is vrijheid van drukpers en iedereen mag in elke krant schrijven wat hij wil. Maar hoe angstaanjagender het nieuws, hoe vetter de koppen. Tegelijk kunnen we de media niet de schuld geven - we kopen nu eenmaal meer kranten als er rampen te melden zijn dan als het leven zijn gangetje gaat.

Waarom eigenlijk? Maken we onszelf niet veel banger dan we zouden hoeven zijn met deze onevenwichtige nadruk op alles wat bar en boos is? In het kinderboek Paultje en het paarse krijtje loopt een klein jongetje door een wereld die hij zelf tekent. Om de appelboom te bewaken die hij gemaakt heeft, tekent hij een griezelige draak. Hij wordt er zelf bang van, zó bang dat zijn hand met het krijtje erin begint te trillen - en de golvende lijntjes die dat oplevert, vormen meteen een eindeloze plas water waarin hij kopje onder gaat.

Ik moet de laatste tijd vaak denken aan Paultjes draak. We hebben ons eigen monster geschapen en dreigen te verdrinken in onze zelf bij elkaar getrilde angst. Paultje komt er weer uit doordat hij bliksemsnel zelf een bootje tekent en erin kruipt. Slim ventje, die Paultje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden