De angst van glas te zijn

Toen de acteur Antonie Kamerling in oktober een einde aan zijn leven maakte, was er behalve ontzetting ook grote verbazing: de 44-jarige acteur had een goed huwelijk, was gek op zijn kinderen en kreeg ruimschoots erkenning in zijn werk. Hij had in feite alle reden om gelukkig te zijn en leek dat vaak ook te zijn. Wel had hij in interviews laten doorschemeren hoezeer depressies zijn geluk van tijd tot tijd konden wegvagen, maar dat het zo ernstig was dat voor zelfmoord gevreesd moest worden, had buiten zijn directe omgeving niemand vermoed.


Een vraag die onvermijdelijk opduikt wanneer een publiek persoon een einde aan zijn leven maakt, is of het anderen er niet toe aanzet het voorbeeld van hun idool te volgen. Bij de dood van rockzanger Kurt Cobain viel het met de verwachte zelfmoordgolf mee, maar in het jaar na de onduidelijke dood van Marilyn Monroe was het zelfmoordcijfer met 12 procent gestegen.


Het oervoorbeeld van de besmettelijkheid van zelfmoord stamt van nog veel langer geleden en had een fictief persoon als besmettingshaard. In 1774 beschreef Goethe in Die Leiden des jungen Werthers het treurige leven van de jonge kunstenaar Werther, die zijn bestaan als zinloos ervaart en heen en weer zwenkt tussen gevoelens van apathie, zwaarmoedigheid, angst en vervreemding.


Alleen een grote hartstocht kan hem hieruit bevrijden, maar tegelijkertijd weet hij dat zodra hij krijgt wat hij begeert de betovering verdwijnt en de wanhoop terugkeert. Verlangen naar wat onbereikbaar is, is alles wat hem rest en zo wordt hij verliefd op de verloofde Lotte. Hij teert op zijn hartstocht, tot ze zich aan hem geeft en dan is het over. Hij maakt gebruik van wat hij altijd al als een troostgevende sleutel tot zijn bevrijding heeft gekoesterd: hij pleegt zelfmoord.


Terugkijkend met de blik van nu zou je kunnen zeggen dat Werther aan een zware klinische depressie leed, net als Kamerling. Maar toch is er een groot verschil. Bij Kamerling stond de depressie haaks op de persoon die hij leek te zijn. Zijn depressie was een ziekte, die hem overkwam. Bij Werther daarentegen was de melancholie het meest kenmerkende aspect van zijn identiteit.


Hij wordt al jong getroffen, schrijft de Zweedse Karin Johannisson, door de zinloosheid van het bestaan, een knagende existentiële verveling. En hij was niet de enige. Goethe verwoordde via Werther de sluimerende onlustgevoelens van de jonge elite van zijn tijd. Het boek sloeg in heel Europa aan en veroorzaakte een epidemie van melancholie waarbij Werthers eigenschappen, taal en soms zelfs opvallende kleding geïmiteerd werden.


De kracht, schrijft Johannisson, lag in Werthers maatschappijkritiek, in de aanspraak die hij maakte op zelfverwerkelijking, in zijn wanhopige pogingen alternatieven te vinden in muziek, poëzie, natuur en verliefdheid en in zijn moed om zelfmoord te plegen wanneer hij daar niet in slaagt.


De gevoelstaal die rond melancholie ontstond aan het einde van de achttiende eeuw was een totaal andere dan die nu rond depressie algemeen geaccepteerd is. Het zijn verschillen als deze die centraal staan in Johannissons De kamers van de melancholie.


Johannisson, hoogleraar ideeën- en wetenschapsgeschiedenis aan de universiteit van Uppsala, traceert de gedaantewisselingen die de melancholie vanaf de oudheid heeft ondergaan. Ze doet dat aan de hand van teksten die de melancholie als een doorgemaakte ervaring tonen, zoals brieven en dagboeken van melancholici, patiëntenverslagen en literaire werken.


Melancholie begon zijn geschreven geschiedenis in de klassieke oudheid als een verheven vorm van lijden. Het verhevene van de melancholie zat in de verbinding die gelegd werd met intellectuele grootheid. Hoe kwam het toch dat alle voorname mannen melancholisch waren, vroeg Aristoteles zich af? Het lijden zat in de grote vrees en diepe vertwijfeling die artsen toeschreven aan een te veel aan zwarte gal. En in de hersenschimmen, de manieën, die met de melancholie gepaard konden gaan: de angst van glas te zijn en te breken, of van was te zijn en te smelten, het gevoel in een wolf te veranderen of een monster in de ziel te herbergen.


Rond 1800 verdwijnt de manische kant naar de achtergrond en verandert de melancholie in een vlechtwerk van stemmingen en gemoedstoestanden die per periode in verschillende combinaties op de voorgrond treden. Deze gemoedstoestanden, stelt Johannisson, liggen op de grens tussen gezond en ziek en kunnen twee kanten op.


Sensibiliteit was zo'n gemoedstoestand, net als angst, vermoeidheid en onzekerheid. De sensibiliteit kwam op in de achttiende eeuw, toen onderzoek naar het zenuwstelsel aantoonde dat de zenuwuiteinden aan de oppervlakte van het lichaam verbonden waren met de organen in het lichaam. De prikkels van de buitenwereld brachten via dit zenuwnetwerk het lichaam in vibratie, wat leidde tot nieuwe aandoeningen als zenuwachtigheid en gevoelige zenuwen. Niet iedereen had even gevoelige zenuwen maar dat de hogere standen als geheel gevoeliger waren dan de lagere sprak voor zich. Voor de ziekelijk gevoeligen werd het woord neurose geïntroduceerd. De gezonde variant van deze sensibiliteit, schrijft Johannisson, was een stemmingsmelancholie met een bitterzoete toon.


Hoe deze bitterzoete variant in het sociale verkeer kon worden vormgegeven, leerden onder meer romans. Johannisson: de roman produceert mallen voor gevoelens, die van invloed zijn op hoe het individu zichzelf ervaart en begrijpt. Zo meldde een mannelijke lezer na lezing van Rousseaus Julie, ou La nouvelle Héloïse dat hij niet had gehuild om de dood van Julie maar dat hij had geschreeuwd, gejankt als een dier, en daarmee betoonde hij zich geen sentimentele dwaas of een ziekelijke neuroot, maar een aristocratische man van zijn tijd.


Wat Johannisson met voorbeelden als deze laat zien, is dat melancholie door de eeuwen heen niet alleen de oervorm van alle psychisch lijden is, maar tegelijkertijd in het sociale verkeer ook altijd zocht naar een vorm die binnen de grenzen viel van wat in die tijd acceptabel was en sociaal bekrachtigd werd.


Dat is in de huidige tijd veranderd. Het begrip depressie, constateert Johannisson, heeft alle aspecten van de melancholie opgeslokt en tot symptomen van een ziekte gemaakt. De nadruk is daarmee eenzijdig op een lijden komen te liggen dat net zo weinig van doen heeft met iemands identiteit als bijvoorbeeld suikerziekte. Het is de wat kale, voorlopige eindfase van een historisch rijkgeschakeerd begrip. Als ziekte is depressie schrikbarend succesvol: het aantal patiënten stijgt met de dag en steeds meer onlustgevoelens worden als symptomen ingelijfd. Zoals Johannisson schrijft: de diagnoselijsten kunnen worden gelezen als een mis over het steeds brozere individu van tegenwoordig.


De kamers van de melancholie is compact geschreven, wat het betoog soms lastig te volgen maakt, maar boeit door het vele en fraaie materiaal dat bij elkaar is gebracht en door de ongemakkelijke vragen die ze oproepen. Als de geschiedenis van de melancholie iets laat zien, is het hoe groot de invloed is van de maatschappelijke sturing op onze gevoelens: niet alleen op de wijze waarop we ze vormgeven en interpreteren, maar ook hoe we ze werkelijk ervaren.


Het zou van hoogmoed getuigen als we menen dat de tegenwoordige medicalisering van depressie, en de invloed daarvan op onze ervaring van onlustgevoelens, aan die tijdgebonden sturing ontsnapt.


Karin Johannisson: De kamers van de melancholie - Over angst, verveling en depressie.


Uit het Zweeds vertaald door Elina van der Heijden en Wiveca Jongeneel.


Ambo; 352 pagina's; € 24,95.


ISBN 978 90 2632 322 5.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden