De amfibieën van de roomse kerk

WOORDEN roepen beelden op en beelden geschiedenis. Het woord 'klop' heeft er in het katholieke spraakgebruik lang over gedaan de diminutief-uitgang kwijt te raken....

De woorden riepen een wat kleinschalig religieus leven op, waar dan de volheid van de mannelijke vroomheid tegenover werd gesteld, in woord en daad. De roomse kerk heeft altijd een upstairs-downstairs-karakter gehad, niet alleen in de hiërarchie, maar ook en vooral in het hiërarchisch verschil tussen mannen en vrouwen.

Intussen is het 'klopje' 'klop' geworden; ook de aandacht voor haar is vergroot en dat wil zeggen dat zij een volwaardige plaats heeft gekregen in dat kleine stuk katholieke vaderlandse geschiedenis van de zeventiende eeuw. Historisch volwaardig dan, want haar positie binnen de kerk was er een van ondergeschiktheid, van de dubbelzinnige positie waarin zij verkeerde mede het gevolg: de kloppen waren geen kloosterzusters, maar leidden wel, midden in de maatschappij, een geestelijk en dat wil ook zeggen: een regulier leven, onder leiding van de priesters die zij ter beschikking stonden. Zeker juridisch - en dat is in de katholieke kerk uiterst belangrijk, want het recht in zijn onveranderlijkheid, in elk geval conservatisme bepaalt de religie - waren zij leken. En als leken ook nog vrouwen. De traditionele keuze: de man of de muur, het huwelijk of het klooster, hadden zij niet gemaakt. Niet kunnen maken ook. Zij heetten 'geestelijke maagden', en men moet misschien ver terug in de taalgeschiedenis om aan die aanduiding ernst te kunnen geven.

'Dienaressen' heetten zij uiteraard ook. Hun dubbelzinnige positie moeten zij zelf hebben erkend: er is een verlangen naar zelfstandigheid, maar tegelijk de hang naar een gemeenschap. 'Extra muros' wilden zij toch in een geestelijk verband leven. De derde orden, maar ook andere vrome broederschappen gaven hun daartoe gelegenheid.

In 1581 werd de katholieke eredienst in de Noordelijke Nederlanden (Amsterdam volgde zes jaar later) officieel verboden. De kerken werden gesloten of 'overgenomen', de kloosters opgeheven, het roomse geloof werd onzichtbaar. Een geleidelijke ontbinding van de officiële kerk begon en in de zeventiende eeuw waren de Nederlanden voor Rome een missiegebied: geen bisdommen meer en dus ook geen officiële parochies meer, maar staties. En aan het hoofd van die weinig gestructureerde kerk stond een apostolisch vicaris, en dat is een soort door Rome aangestelde waarnemer. Er was vooral in de eerste dertig jaar van de zeventiende eeuw een groot priestertekort. En de vrouwen die kloppen worden genoemd, stonden hen op de staties bij. Hun aantal moet in de zeventiende eeuw vrij groot zijn geweest. Sommigen leefden in grote groepen bijeen - met de mogeijkheid tot verdenking van (verboden) kloosterleven - anderen op zichzelf. Maar altijd onder leiding van de priesters - regulier of seculier - die vaak hun biechtvader en geestelijk leidsman was.

ALS in de Nederlanden de roomse eredienst wordt verboden, is het Concilie van Trente al afgesloten. De Contra-Reformatie is op gang gekomen, de jezuïeten - ook op de staties in de Nederlanden sterk aanwezig - spelen daarin een hoofdrol. Toch kan, dunkt mij, niet worden vergeten, dat het roomse geloof dat ondergronds ging, hier een in veel opzichten nog laat-middeleeuws karakter had, zoals heel veel in de Nederlandse cultuur. Wat niet publiek is, zeker dat wat verboden is, ontwikkelt zich ook niet. De religieuze beleving was die van een sterke innerlijkheid en aandoenlijkheid, individualistisch, weinig uiterlijk, zeker niet groots, devoot misschien vooral. De geest van de Moderne Devotie heeft heel lang het religieus klimaat bepaald. Wil men de geest van de kloppen begrijpen, dan mag men dat, denk ik, niet vergeten. Er is in de spiritualiteit altijd veel meer continuïteit dan grote gebeurtenissen kunnen suggereren. De kloppen lijken in veel opzichten de dochters van de Devoten en dat misschien vooral in hun binnenhuiselijke vroomheidspraktijken (heel Nederlands ook), in hun navolgende beleving van het lijden van Christus, in hun grote aandacht voor de eucharistie. De kerk triomfeerde hier in de Contra-Reformatie van binnen, in die schuilkerk die de ziel is.

Uiteraard werd het leven van de kloppen geregeld. En daartoe verschenen door reguliere en seculiere priesters geschreven 'kloppenboeken', geen regelboeken in strikte zin - de omstandigheden van de kloppen verschilden individueel en naar plaats - maar meer handleidingen, geestelijke instructieboeken ook. Het is waarschijnlijk dat die boeken meer voor de leidinggevende priesters werden geschreven dan dat ze door de kloppen zelf werden gelezen. Hun leven wordt geacht te kennen een bijna kloosterlijk volle dag van bidden en mediteren. De dagelijkse mis (en daartoe moet de mogelijkheid zijn geweest!) is haast vanzelfsprekend, de geregelde communie ook. En uiteraard de biecht bij de priester die hen geestelijke leiding gaf. Daarnaast horen zij te werken: veelal vrome handwerken (er is wat voortbeduurd in de kerk), maar ze lieten zich ook in met het onderhoud van de kerken. En - dat is misschien het belangrijkste - zij gaven godsdienstlessen, en vooral daarin stonden zij de priesters bij en na.

De grote en in hun tijd niet opgeloste vraag is die naar hun status: waren zij religieuzen of leken? Misschien moet het antwoord luiden: naar de geest waren zij religieuzen, naar het recht niet. De vraag naar hun staat is die naar hun plaats en daarmee naar hun mate van ondergeschiktheid en de instantie die zij verantwoording schuldig zijn. De geschiedenis geeft te verstaan, dat de priesters, individueel, het gezag uitoefenden, maar ook, dat de kloppen zich niet altijd bij die gezagsuitoefening neerlegden. Dat velen zich religieus achtten, omdat zij religieus hadden willen worden (en in andere omstandigheden ook waren geworden) zal aan hun zelfbewustzijn hebben meegewerkt. Dat hun ijver voor de kerk en voor de 'terugbekering' van Nederlanden hun werk als godsdienstleraar sommigen van hen de hang naar priesterlijke mogelijkheden gaf, kan op meer dan drie eeuwen afstand verwonderen. Zij zijn in een 'tussenstaat' gebleven; de amfibieën van de roomse kerk. Zoals het in een kloppenboek staat: 'Als die ghedierten diemen seght eens-deels aerdsche ghedierten te zijn, die noch op d'aerde, noch inde zee blijven, maar leven in eenen middelen staet van dienst.'

Juist die tussenstaat maakt de geschiedenis van de kloppen vrij complex (en als complex moeten zij hun leven soms ook hebben ervaren).

DE kloppen zijn in de geschiedenis verdwenen. De kloppenboeken laten vermoeden hoe zij leefden, de hun aanbevolen devotieboeken - voor lezen was in hun dagorde overigens weinig tijd uitgetrokken - kan inzicht geven in hun spiritualiteit. Van twee van hen zijn geschriften bewaard, - maar zij zijn uitzonderlijk en moeten allerminst representatief worden geacht.

Een bewonderenswaardige historische beschrijving van de kloppen en het kloppenleven en daarmee een ontvouwing van wat zeer complex is, geeft de uitgebreide studie Geestelijke maagden - Leven tussen klooster en wereld in Noord-Nederland gedurende de zeventiende eeuw van Marit Monteira. Althans: een deel van de studie. Want deze dissertatie valt in twee sterk onderscheiden delen uiteen: drie hoofdstukken over de kloppen in het algemeen en de hoofdplaats van handeling is dan Noord-Nederland; twee hoofdstukken over twee zeer bijzondere kloppen die in Roermond leefden, beiden in roep van heiligheid stierven en papieren nalieten waarin hun geestelijke en materiële omstandigheden gestalte hebben gekregen, zielsdocumenten als men wil. Het is moeilijk de twee delen tot een eenheid te maken; het gaat hier eerder om twee afzonderlijke studies.

De kloppen in Noord-Nederland functioneerden in een structuurloze kerk, waarin alle katholieke zichtbaarheid was verboden. Er was geen hiërarchie, er waren geen openbare kerken, geen kloosters, er was priestertekort. De kloppen waren binnen de zielszorg duidelijke hulpkrachten. Zij worden zichtbaar als de nood aan de man komt. Hun inzet is een duidelijke apostolische, hun dagelijks leven grotendeels dat van zeer vrome vrouwen. Wat de bronnen over hen te zeggen hebben is door de auteur onderzocht, geordend en geïnterpreteerd. En dat vaak heel knap, met name in de hoofdstukken twee en drie. En vooral om de omzichtige wijze waarop de kloppenboeken worden beschreven (met soms subtiele verschillen tussen de reguliere en de seculiere auteurs; ook andere studies geven een duidelijk verschil in de praktijk van het geloofsleven tussen de paters, de jezuïeten met name, en de wereldheren te zien; ik verwijs naar de hier vroeger besproken studie Over de grens - De bedevaart van katholieke Nederlanders in de zeventiende en achttiende eeuw van Marc Wingens; de jezuïeten waren rijker rooms dan de strengere en meer soberere wereldheren).

Roermond, waar de twee hoofdfiguren van de hoofdstukken vier en vijf woonden, viel buiten het anti-katholieke Noord-Nederlandse regiem. De stad had een bisschop, openbare kerken, een bedevaartsoord ter ere van Maria, er waren enkele vrouwenkloosters, er was een jezuïetencollege, - in veel opzichten lijkt het kerkelijk leven daar ongebroken. De rol van de geestelijke maagden moet daar een heel andere zijn geweest. Het verschil in religieus klimaat zal zijn consequenties hebben gehad voor de functie van de kloppen. Dat verschil - en de gevolgen ervan - wordt in de studie weinig helder zichtbaar gemaakt. Bovendien: de twee kloppen uit Roermond waren uitzonderlijk, vooral door de geestelijke leiding die zij aan andere vrouwen gaven, door hun erkende heiligheid ook. (Over beiden verscheen niet lang na hun dood een hagiografische biografie, geschreven door een jezuïet). Hun geschiedenis is ook toegespitst op de verhouding met hun geestelijke leidsman en/of biechtvader en stelt zo de man-vrouwverhouding sterk centraal: mondigheid tegenover onmondigheid, leiding tegenover eigen geestelijke ervaringen, macht tegenover ondergeschiktheid, algemeenheid tegenover eigenheid.

HET dubbelportret uit het tweede deel van de studie is heel goed gemaakt. De auteur maakt gebruik van wel zeer bijzonder materiaal: de bewaard gebleven 'gewetensrekeningen' van de twee, de voor hun leidsman bedoelde beschreven vorderingen (of terugvallen) in hun geestelijk leven (waarbij het materiële leven soms niet buiten beschouwing kan blijven). Gewetensrekeningen - prachtig woord - werden geschreven in opdracht. Ook de grootste schrijfsters op geestelijk gebied, Theresia van Avila bijvoorbeeld, werd het schrijven van hun ervaringen door de biechtvader opgelegd. De auteur komt ook op het fijnkorrelige terrein waartoe de vraag naar 'eigenheid' altijd voert: in hoeverre wordt er geschreven naar de geest van de ontvanger, de leidsman, toe? Dat de twee bij conflicten zich beriepen op directe goddelijke inspiratie kan iets zeggen over de eigenheid van de documenten. (De zeer conventionele afbeelding van een van de twee, afgewend van haar schrijftafel, de inspirerende geest hoog in de hoek van haar kamer, zegt overigens niets. Er bestaan ook van mannelijke geestelijke schrijvers talloze gelijkvormige afbeeldingen, van de evangelisten tot kerkvaders, kerkleraren en andere heilige auteurs.)

De geschiedenis van de twee laat veel door van de soms moeilijke verhouding tussen leidsman en klop en daarmee misschien over een algemeen probleem dat zich onder de kloppen voordeed: hun bestaan hing af van de ene priester en van diens opvattingen. Het aardige is, dat de twee vrouwen, in hun leiding aan anderen, hun geestelijke dochters, even eigenzinnig zijn als de paters die hen geestelijk trachtten te bevruchten. Zoals nu beschreven, blijven de twee uitzonderlijk, naar ik hoop ook in hun excessieve boetedoeningen en geestelijke ongebalanceerdheid; het spirituele evenwicht van de traditie lijkt hier grondig gestoord en het beeld is niet in overeenstemming met dat innerlijke, wat burgerlijke, huiselijke en uitgewogen vrome leven dat de eerste hoofdstukken over de kloppen in het algemeen te vermoeden of te zien geven. Het woordgebruik ligt voor de hand: er klopt iets niet tussen de twee delen, die in feite twee werelden beschrijven.

In de passages over de moeilijke vraag naar de staat van de kloppen staat het antwoord van een zeventiende-eeuwse jezuïet, Cornelis Hazart. Hij verklaart dat de geestelijke staat in de wereld niet gelijk, maar wel gelijkwaardig is aan die van de kloosterzusters. Dergelijk vernuftig balanceren tussen geest en recht, tussen geven en nemen, is niet alleen typisch jezuïtisch, het is ook typisch rooms. De amfibie is een rooms-katholiek dier.

Marit Monteiro: Geestelijke maagden - Leven tussen klooster en wereld in Noord-Nederland gedurende de zeventiende eeuw. Uitgeverij Verloren, Hilversum; ¿ 59,00.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden