De allerkleinste geloofsbrief

BIJ de negenhonderd bladzijden die de biografie van Lodewijk van Deyssel door Harry G. M. Prick telt, horen honderd pagina's voetnoten....

De noot is natuurlijk vaak een prothese van de geest. Men verwijst naar de publicatie van een ander als bron of naar een noot van een ander, maar onderzoekt die bron zelf niet. Men loopt niet op eigen benen. Er is een schitterende afdalende reeks denkbaar: van noot, naar noot van de voorganger, naar noot van de diens voorganger, enzovoort, totdat we bij de bron zijn en die blijkt door de eerste verkeerd of partijdig te zijn gelezen. Aan de juistheid van de noot wordt groot geloof gehecht; wetenschappers lijken elkaar minder te wantrouwen dan je uit andere publicaties zou verwachten. Anderzijds: dat vertrouwen is noodzaak; niet alles kan opnieuw worden gedaan. Kritisch kunnen zijn is soms een luxe.

Er zijn wetenschappelijke boeken waarvan elke bladzijde een zichtbare tweedeling kent: de helft tekst, de helft noot. Vaak is de verhouding tussen de twee zoek: op het zware fundament staat een licht bouwsel. De schrijver heeft meer gelezen dan hij te beweren heeft. De tekst kan niet anders dan een collage zijn van uitspraken van anderen. Dat die werken het bekende omgekeerde karakter lijken te vertonen, zal duidelijk zijn: de tekst lijkt bij noten geschreven. (Die omkering van de waarden is een heel oude grap.) Is er bij die overvloed aan notenschrift gebrek aan zelfvertrouwen of angst voor eigen mening? Of misschien een te sterk bewustzijn van wetenschappelijkheid: de kleinste bewering moet worden bewezen. Ik vind aan die overvloed iets ontroerends: de noten tonen een poging geen enkele bewering ongefundeerd te laten. Wat niet mogelijk is. Wie een wetenschappelijk werk schrijft geeft heel veel kennis van anderen gewoon door, al is het gemeengoed voor de een groter dan voor de ander. Misschien is dit de mooiste paradox aan de voetnoten in een wetenschappelijk werk, zeker als dat een dissertatie is: de geleerde bewijst dat hij zelfstandig kan werken door zijn afhankelijkheid van anderen te laten zien. Maar wellicht is de aard van de afhankelijkheid het bewijs van de zelfstandigheid.

0 AN een technische term wordt 'voetnoot' vaak een metafoor, in een bekende uitdrukking als 'De hele westerse filosofie is een verzameling voetnoten bij Plato'. Het is bijna platonisch gedacht. De noot als bronverwijzing moeten we hier vergeten; de voetnoot is hier commentaar of misschien zelfs alleen maar bijschrift. In die zin wordt 'voetnoot' ook als uiting van bescheidenheid gebruikt. 'Ik heb eigenlijk niet anders dan voetnoten geschreven', heeft een al lang geleden overleden taalkundige mij eens gezegd. Hij was een grootmeester van de 'aantekeningen bij'. In zijn werk zette hij een heel eerbiedwaardige traditie van de westerse wetenschap door. De middeleeuwse theoloog Petrus Lombardus geldt als aantekeningenschrijver een grootmeester. Hij heet dan ook de 'vader van de voetnoot'. In het gebruik van het woord lopen de letterlijke en overdrachtelijke betekenis - commentaar op, aantekeningen bij, de middeleeuwse glossen zelfs - dooreen. Wanneer de voetnoot als aantekening aan de voet van de bladzijde is ontstaan - met verwijzende cijfers of tekens, de asterix bijvoorbeeld, weet ik niet. De voetnoten verzameld aan het einde van een boek (dan zijn ze letterlijk geen voetnoten meer) moeten teruggaan op de aanhangsels wetenschappelijke werken al vroeg eigen.

Merkwaardigerwijs schrijft Anthony Grafton, als hoogleraar geschiedenis verbonden aan Princeton, in zijn boek The footnote, a curious history niets over ontstaan en geschiedenis van de voetnoot in zijn huidige typografische vorm. Dat moet voor een deel hiervan het gevolg zijn: bij hem lopen de letterlijke en overdrachtelijke vorm vaak dooreen. Hij werkt met een bewonderenswaardige terugwerkende kracht en ziet in soms het verste verleden verschijnselen die hij 'voetnoot' noemt, zonder dat er letterlijk van een voetnoot sprake is. Maar de geest van de verantwoording bij het verhaal van de geschiedschrijving is hem soms genoeg. Hij is in veel opzichten de meester van de ontmaskering van wat in een bepaalde periode van de geschiedbeoefening als nieuwe wordt gezien: de 'nieuwe' auteur krijgt vrijwel onmiddellijk zijn voorgangers, die ook weer hun voorgangers hebben.

Grafton kon ontstaan en geschiedenis van de voetnoot eigenlijk missen. Zijn zeer luchtig geschreven studie is er een over de geschiedschrijving door de eeuwen. Als verhaal en als wetenschap, of beter: als wetenschappelijke verantwoording van het verhaal. De voetnoot - in de ruimste zin - biedt hem de toegang tot de geschiedenis van de geschiedschrijving. Een schijnbare kleinigheid ter ontdekking van het wezenlijke, - hij moet ervan houden. Eerder publiceerde hij Forgers and critics, creativity and duplicity in Western scholarship, waarin hij laat zien welke voortreffelijke rol de vervalser speelt in het ontdekken van de waarheid en dat met name in de geschiedschrijving. Zijn sterk essayistisch geschreven The footnote had ook A footnote kunnen heten: aantekeningen over de geschiedschrijving.

0 ELFS bij schrijvers over bedriegers ben je op je hoede voor die vorm van bedrog die in het spel is. Het is in dit geval onvermijdelijk, dat je eerst naar de voetnoten kijkt. Ze zijn zeer talrijk in het boek. Ze zijn ook voorbeeldig. De kleinste toespeling krijgt een verwijzing naar bronnen, die, wanneer die bijvoorbeeld in het Latijn zijn, ook in de noot in die taal worden afgedrukt. Het aardige is dat hun bijna-volkomenheid lichtelijk komisch werkt; het beste lijkt vaak een parodie op het goede. Ook Graftons bewondering voor de grote historicus Edward Gibbon - diens omvangrijke The decline and fall of the Roman Empire bestaat voor een vierde uit noten - en voor de superieure literaire notenkraker Alexander Pope doen je in de noten speuren naar lichte spot, hooghartige terugverwijzingen, kritiek. Ze zijn afwezig. Het is Grafton, die heel luchtig schrijft, ernst met zijn noten. En als hij in een noot een kleine correctie op een autoriteit geeft, doet hij dat uiterst hoffelijk. In elk geval: zijn noten duiden op een ongewone belezenheid en dat meestal uit de eerste hand. Hij gaat terug naar de bronnen. Wat hij zelf ziet als een van de doeleinden van noten, het demonstreren van het vakmanschap, doet hij voortreffelijk. Het tweede doel: de bewijzen leveren voor de beweringen in het geschiedverhaal, realiseert hij niet minder goed.

Gibbon lijkt Graftons overigens door hemzelf niet gerealiseerde ideaal te benaderen, en dat vooral in diens noten die een duidelijk terzijde-karakter hebben en waarin hij elegante, maar ook vaak hard aankomende geestige uithalen pleegt. Zijn tweede ideaal is Pierre Bayle om diens Dictionaire historique et critique, de superieurste voetnoot, in de metaforische zin, uit de geschiedenis, want in zijn omvang commentaar, aanvulling en verbetering op een eerder verschenen Grand dictionaire van Louis Moréri, maar daar geheel boven uitgegroeid: het 'verbeterde' werk verdwijnt in de schaduw ervan. Zo hoort het ook. Misschien is Bayle ook hierom Graftons ideaal: hij is voorbeeldig in wat ook de taak van de historicus is: kritisch hernemen, vanuit de scepsis die het begin van de wetenschap is, van werk van anderen.

De uitvoerigste aandacht krijgt echter Leopold von Ranke, want hij heet de grondlegger van de wetenschappelijke geschiedschrijving. In de portrettering van Ranke krijgt de negentiende-eeuwse geschiedbeoefening gestalte. Het verlangen naar hertoetsing en herschrijving brengt het verlangen naar de bronnen mee, en de daaruit volgende grote liefde voor bibliotheken en archieven. Een der mooiste citaten uit Graftons boek komt uit een brief die Ranke in augustus 1829 vanuit Rome schreef, - het geluk van de onderzoeker wordt er prachtig in verwoord:

'Ik vind de frisse, koele, rustige avonden een groot genoegen. De Corso is druk tot middernacht. De cafés blijven open tot twee, drie uur 's nachts en de theaters sluiten vaak niet eerder dan half twee. Dan gaat men dineren. Ik natuurlijk niet. Ik haast me naar bed, omdat ik ervan houd om zeven uur de volgende ochtend in het Palazzo Barberini te zijn. Daar maak ik gebruik van een kamer van de bibliothecaris, waarop de noordenwind staat. Mijn manuscripten liggen daar opgestapeld. Mijn klerk arriveert kort na mij en sluipt binnen met een 'Goede morgen' bij de deur. De bediende van de bibliothecaris of de vrouw van die bediende verschijnt en biedt mij diensten aan met de woorden 'Occorre niente?' Ook de bibliothecaris, die Razzi heet, is echt goed en hij heeft mij en andere Duitsers uitstekend geholpen. Een paar stappen vandaar ligt de Bibliotheca Albani, waar Winckelmann zijn Kunstgeschiedenis schreef. . . Ik maak van nog twee andere bibliotheken gebruik en schiet heel goed op. Hoe snel studeer je een dag weg.'

Het geluk van de renaissance lijkt teruggekeerd.

0 ANKE, de grootmeester van de bijlagen en voetnoten, blijkt overigens in zijn vroege jaren een afkeer van voetnoten te hebben gehad. De noten waren een belemmering voor de voortgang van het verhaal, voor de schrijver, maar ook voor de lezer. (Grafton citeert een anonieme uitspraak (zonder noot dus) waarin iemand het lezen van een tekst met vele noten vergelijkt met voortdurend door de bel naar de buitendeur geroepen te worden terwijl je de liefde bedrijft. Mij lijkt de vergelijking met een steeds bellende telefoon gelukkiger). Het conflict tussen tekst en noot, tussen de literaire kant van de geschiedschrijving en de voortdurende verantwoording van elke mededeling, is nooit opgelost.

Ranke, die zichzelf als pionier beschouwde, blijkt niet helemaal oorspronkelijk te zijn geweest. Hij heeft zijn leermeesters gehad die een gelijke wetenschappelijke methode voorstonden. En men kan zijn geestgenoten ook in voorgaande eeuwen aanwijzen. Met zijn grote kennis kan Grafton veel pretenties relativeren en veel groten uit het verleden opnieuw recht doen (wat overigens in de geest van Rankes geschiedbeschouwing is). Maar de conclusie is onontkoombaar: Rankes ideeën werken nog altijd in de geschiedschrijving door.

Een zeer mooi hoofdstuk is dat over de beoefenaren van de kerkgeschiedenis, vooral vanaf de reformatie en de contra-reformatie (men moest terug naar de bronnen om eigen geschiedenis en daarmee ook eigen identiteit te kunnen beschrijven) en hun invloed op de geschiedschrijvers van de verlichting. (In het hoofdstuk ook enkele mooie bladzijden over Kirchner).

Herodotus had zijn zegslieden, latere geschiedschrijvers ook, zegslieden worden schriftelijke getuigen, al of niet met name genoemd, de historici kennen en erkennen hun voorgangers, maar de precieze bronnen worden niet genoemd, reflectie op het eigen geschiedverhaal blijft uit. Het verschijnen van de voetnoten - in letterlijke zin - de toevoeging van documentatie en van kritische bijlagen onderscheidt de moderne geschiedschrijving van de oudere. Maar nemen we voetnoot in overdrachtelijke zin, dan is de scheiding minder groot dan doorgaans voorgesteld, niet naar de methoden, maar naar de geest.

Dit is een der aardigste vaststellingen uit het boek. De voetnoten verspreiden zich in de achttiende-eeuwse geschiedschrijving zo snel, mede door de drukke aanwezigheid ervan in de fictie: romanciers zijn erop uit het waarheidsgehalte van hun verhaal middels verwijzingen naar bronnen aan te geven! En zo wordt een speelse noot een ernstige.

Misschien is dit de fraaiste relativering van het boek: geschiedschrijvers kunnen nooit de hele waarheid vertellen (Wat Bayle benadrukte). Het verhaal van de voetnoot is ook de geschiedenis van hun vergeefse pogen daartoe (of het pogen de hele waarheid te verdoezelen, men kan zijn bronnen ook opzettelijk verdraaien). Een leerboek is Graftons boek niet; daarvoor is het ook te springerig. Maar als een slimme voetnoot bij de voetnoot geeft het stimulerende lectuur.

Het enige mij bekende wetenschappelijke werk zonder voetnoten is de in 1988 verschenen dissertatie Pragmatiek van de roman, een onderzoek naar apecten van Cornelia Wildschut, roman in brieven van E. Wolff-Bekker en A. Deken' van Willem Breekveldt. De auteur had een stellling dat het mogelijk moet zijn een wetenschappelijk werk zonder notenapparaat te schrijven. Zelf bewees hij de juistheid ervan.

Anthony Grafton, The footnote, A curious history. Faber and Faber, London, *53,90

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden