De aflaat is niet uit de hemel komen vallen

De aflaat die een katholiek in de middeleeuwen voor begane zonden kon krijgen, heeft al lang een beroerde reputatie. De Amerikaanse historicus..

Voor wie het niet (meer) weet: een aflaat is de kwijtschelding door de Kerk van de tijdelijke straffen die vergeven zonden meebrengen en dat krachtens de verdiensten van Christus en de heiligen.

Die verdiensten vormden de schatkist – een onuitputtelijke – van de kerk. ‘De schatkist van verdiensten’, het werd een theologisch begrip en dus omstreden (van commercieel karakter beschuldigd door de middeleeuwse letterheren, die blind waren voor metaforen). De zondaar die vergeving van de tijdelijke straffen zocht, moest daar iets voor over hebben: een pelgrimsreis maken, een heiligdom bezoeken, een aantal gebeden opzeggen, op kruistocht gaan of – later – alleen maar willen gaan.

De kruistochtvaarder kreeg zelfs een ‘volle aflaat’, dat wil zeggen, dat al zijn straffen werden opgeheven waardoor hij bij zijn sterven tijdens de tocht rechtstreeks naar de hemel ging. Wat uitgroeide tot een systeem, had zijn oorsprong in de – tastende - boetepraktijken van de vroegere middeleeuwen'.

In de traditionele visie, tot in de vorige eeuw gehandhaafd, is de aflaat een verwordingsverschijnsel van het katholiek geloof: men kocht zonder enige bezieling zijn tijdelijke straffen af. De verwording – dat is ook de toename van het aantal aflaten – was, in die visie, ook het gevolg van de angst voor de verschrikkingen van het vagevuur, de plaats waar de tijdelijke straffen werden weggebrand. Die verschrikking kocht men af. Toen eenmaal de commerciële kant aan de aflaatverlening en -ontvangst werd gezien (er zijn geleerden die de hele aflaatontwikkeling zien als gevolg van de opkomst van het kapitalisme in de hoge middeleeuwen, ten onrechte) was het begrip handel niet ver.

De aflaat als verleend door de paus aan ieder die geld bijdroeg aan de bouw van de Sint Pieter, werd het dieptepunt der verwording en was mede de oorzak van de Reformatie. Aflaatvervloeking en Luther, ze zijn een eenheid geworden in de geschiedenis.

Natuurlijk lag achter Luthers strijd een theologische visie: die van de redding van de mens door de genade. En dus de erkenning van Gods soevereiniteit. Maar de honden van roomse en protestantse zijde hebben eeuwen om het been gevochten. De aflaat werd een afgrond voor de anders dan rooms gelovigen.

Met het laatste heilig jaar liet de vorige paus de aflaat voorlopig voor het laatst triomferen. De opdracht voor de vergeving – een volle aflaat! – was die uit de traditie: de vier grote basilieken in Rome bezoeken (Dante deed dat al in het heilig jaar van 1300; sporen van de drukte in de buurt van de Sint Pieter zijn in zijn werk terecht gekomen).

Er is moed voor nodig en grote theologische en historische kennis om de eeuwenoude visies op de aflaat ter discussie te stellen. De Amerikaanse historicus en hoogleraar geschiedenis Robert W. Shaffern heeft het aangedurfd, en met een uiterste precisie en een bewonderenswaardig rijke kennis van de middeleeuwen heeft hij aan de aflaat en het kerkelijk omgaan daarmee een milder, maar ook overtuigender karakter gegeven, dat theologisch in veel opzichten binnen een grote traditie is gegroeid.

Hij bestrijdt mede het traditioneel verdorven karakter van het laatmiddeleeuwse christendom – een geloof van formaliteiten en angsten – en ook de visie op het vagevuur als het oord van verschrikking en angst bij uitstek. Met name de Franse historicus Le Goff, die een overigens meesterlijk boek over bet vagevuur schreef, wordt terecht gewezen. Maar dit is het meest bijzondere aan het boek: Shaffern beschrijft, in periodes, een ontwikkelinggeschiedenis van het aflaatgebruik. Een grote traditie wordt zichtbaar. Die geschiedenis is natuurlijk zeer rijk aan polemieken: de auteur is een meester in de scherpe onderscheiding van de strijdende geesten.

De allermooiste passage is de beschrijving van de strijd rond de Portiuncula-kapel in Assisi; de gelovige die de kapel bezocht, kreeg, naar Franciscus van God zelf had gehoord, een volle aflaat.

Historisch boeit het meest het hele hoofdstuk dat aan de ‘Schatkist van verdiensten’ is gewijd. Hier toont de auteur, in het uitrafelen van de theologische discussies, zich op zijn best en weet hij de grootheid van de metafoor veilig te stellen. Niet de kerk, maar de lekengelovigen waren vaak de initiatiefnemers bij het ontstaan van een aflaat.

De aflaat is niet in de hoge middeleeuwen uit de hemel komen vallen of een Romeinse vondst uit die tijd. De aflaat verving niet het berouw of de vermorzeling van het hart, hij was, als het aan het middeleeuwse geloof toegekende karakter, allerminst een mechanisme. De aflaat moet in de elfde en twaalfde eeuw gezien worden binnen het kader van de grote hervormingsbewegingen, zichtbaar in de stichting van nieuwe strenge kloosterorden en – later – de bedelorden (die grote predikers van de aflaat). De aflaat, zo laat Shaffern zien, is allerminst een bewijs van de decadentie in de middeleeuwse kerk, zoals velen nog altijd menen. De auteur ziet de aflaat eerder als een bewijs van de grote vitaliteit van het middeleeuwse geloof. Misschien is dit andere uiterste te sterk!

Een facet van de middeleeuwse geschiedenis krijgt hier een nieuwe belichting: de aflaat wint aan gelovige mildheid. Oude theologen mogen elkaar opnieuw in de kruinen vliegen, en dat is uiterst fascinerende lectuur (die de lezer ook met bewondering voor de kennis van de auteur vult). Er staan prachtige citaten in het boek, dat zonder nadruk, laat zien dat de aflaat geen uitwas is, maar helemaal past in het schitterende gesloten systeem dat de middeleeuwse kerk (en maatschappij) was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden