De affaire-Diekstra smeult nog na

Het onderzoek tegen de klinisch psycholoog René Diekstra is aanvechtbaar en dient te worden heropend, bepleiten twee emeritus hoogleraren uit Leiden....

IS DE 'affaire-Diekstra' voorbij? Zijn vroegere werkgever, de Universiteit Leiden, meent van wel. De voormalige hoogleraar klinische psychologie heeft in december 1996 immers zelf ontslag genomen. Onder zachte aandrang van zijn superieuren weliswaar, maar toch. Hij hield de eer - of wat daar na een maandenlang publicitair spervuur nog van restte - aan zichzelf, en zijn advocaat maakte geen bezwaar. En daar is, wat de Leidse universiteit betreft, de kous mee af.

Twee Leidse emeritus hoogleraren, Diekstra's leermeester en voorganger prof.dr J.J. Dijkhuis en prof.dr ir A. Rörsch (moleculaire genetica), denken daar echter anders over. Al geruime tijd dringen zij aan op heropening van de zaak. Het is hen daarbij niet zozeer om eerherstel van Diekstra te doen, maar om de erkenning dat het onderzoek dat eertijds is verricht naar de tegen Diekstra ingebrachte beschuldigingen van plagiaat, niet deugde en derhalve moet worden overgedaan. 'In de wetenschap vergissen we ons voortdurend', zegt Rörsch. 'En dat wordt vervolgens weer gecorrigeerd. Dat is een geaccepteerd verschijnsel. Ik begrijp dan ook niet waarom uitgerekend een universiteit zo onwillig is om gemaakte fouten te herstellen.'

De kritiek van Dijkhuis en Rörsch op de werkwijze van de onderzoekscommissie (die werd gevormd door de hoogleraren Hofstee en Drupsteen) is veelomvattend. Zo zou ze de beschuldigingen waarmee Vrij Nederland zich door de nieuwsluwe nazomer van 1996 sloeg, niet hebben geverifieerd. Verder begon ze, aldus Dijkhuis, aan haar werkzaamheden 'zonder duidelijke taakomschrijving, zonder een onderzoeksprotocol en zonder een code waaraan ze haar bevindingen kon toetsen'. De commissie stelde, met andere woorden, haar eigen regels vast, en was haar eigen oordelaar. En in die figuur voorziet ons rechtssysteem niet.

Voor die ongelukkige werkwijze was bovendien geen enkele reden, menen de emeriti. Hofstee en Drupsteen hadden een protocol kunnen gebruiken dat een aantal wetenschapsorganisaties een jaar daarvoor hadden ontworpen om gevallen van 'wetenschappelijk wangedrag' te kunnen beoordelen. De Leidse universiteit had zich - als enige van Nederland - weliswaar niet aan dat protocol gecommitteerd omdat zij het te krachteloos achtte, maar Hofstee en Drupsteen hadden er elementen van kunnen overnemen. Daarnaast had, aldus Rörsch, elke Amerikaanse universiteit een bruikbare richtlijn voor de heren uit de kast kunnen trekken.

Dat zij van die mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, duidt volgens Rörsch en Dijkhuis op hun vooringenomenheid jegens Diekstra. Voorzover bekend fungeert in geen van die protocollen plagiaat als grond voor ontslag. Met haar conclusie dat Diekstra niet als hoogleraar te handhaven was, plaatste de commissie zich dus buiten de gangbare rechtspraktijk.

Tenslotte vragen de emeriti zich af of in het geval Diekstra überhaupt van plagiaat kan worden gesproken. Dijkhuis: 'Hij heeft in de regel aangegeven wat zijn bronnen waren. Van co-producties heeft hij nooit een geheim gemaakt. Zijn grote fout is echter geweest dat hij te weinig aanhalingstekens heeft gebruikt. En dat is inderdaad niet netjes geweest. Maar het is geweldig opgeblazen allemaal. Iedereen wierp hem op een zeker moment verkrachting van de geheiligde wetenschappelijke mores voor de voeten. Maar niemand vroeg zich af: wat is hier feitelijk aan de hand?'

Dijkhuis en Rörsch beijveren zich al bijna twee jaar voor heropening van de zaak. Eind 1997 leverden zij een bijdrage aan de bundel Leiden in Last, waarin de kwestie-Diekstra werd gereconstrueerd en geanalyseerd, en daarnaast pogen zij met het college van bestuur van de Leidse universiteit in debat te gaan. Tot nog toe zonder resultaat. Op hun brieven is alleen gereageerd door de advocaat van de universiteit. Die liet hen weten dat Diekstra zelf een punt achter de zaak heeft gezet door ontslag te nemen, en dat de twee emeriti in dezen geen partij zijn.

Binnen de academische gemeenschap blijkt evenmin enige behoefte te bestaan aan een heropening van de discussie die twee jaar geleden al veel turbulentie en verstoorde verhoudingen heeft veroorzaakt. Zelfs collega's van Diekstra die hem eertijds goed gezind waren, doen er nu liever het zwijgen toe.

De klinisch psycholoog prof.dr C.M.J.G. Maes, die in 1996 nog openlijk twijfelde aan de onderbouwing van het (enige) geval van wetenschappelijke plagiaat dat tegen Diekstra werd ingebracht, laat nu via de vakgroepssecretaresse weten geen behoefte te hebben aan enig commentaar. En de psychotherapeut dr W. Heuves, die vorig jaar nog zijn medewerking verleende aan Leiden in Last, zegt 'hier liever geen mededelingen meer over te doen'. Ook niet op enig ander tijdstip? 'Nee, het is wel goed zo.'

Volgens dr S.H.M. Bem (theoretische psychologie) is in Leiden de stilzwijgende code van kracht dat men over de zaak-Diekstra zwijgt. 'Het college van bestuur heeft ons weliswaar nooit opgeroepen om onze mond te houden. Zoiets zou binnen de Leidse verhoudingen ook onbestaanbaar zijn. Maar men wil dat hele gedoe gewoon laten rusten. Er is toen zoveel door kapot gemaakt, dat men nu het genezingsproces niet wil onderbreken. Misschien is dat jammer en volkomen onterecht, maar de initiatieven van Rörsch en Dijkhuis hebben hier geen enkele Anklang. Misschien heeft hun pleidooi over een paar jaar, als we wat meer afstand hebben kunnen nemen van de beroering, meer kans van slagen.'

Maar alle bezweringspogingen ten spijt, blijft de zaak-Diekstra zijn schaduw over Leiden werpen. Onlangs nog verzocht het college van bestuur het universiteitsblad Mare af te zien van een rubriek die Diekstra had zullen verzorgen. Ofschoon hij hierin als zelfhulpdeskundige had zullen figureren, en niet als de grote wreker van het hem aangedane leed, mocht het huisorgaan de comeback van de zelfhulpdeskundige kennelijk niet helpen bevorderen.

Het college oogstte niet bij iedereen begrip met deze handelwijze. In de brievenrubriek van Mare uitten enkele lezers er hun verbazing over. Diekstra zelf dreigde met gerechtelijke stappen tegen het blad, maar kwam hierop terug omdat Mare door zijn broodheer tot contractbreuk was aangezet. Wel verzocht hij de redactie de gederfde inkomsten over te maken op een rekeningnummer van Amnesty International.

Ook buiten Leiden komt Diekstra nog moeilijk aan de bak. Vorig jaar werden studenten sociale wetenschappen in Utrecht door het faculteitsbestuur gedwongen een uitnodiging aan Diekstra voor een lezing te elfder ure in te trekken. En de circulatie van de Engelse vertaling van het rapport Hofstee/Drupsteen staat de terugkeer van Diekstra naar de internationale fora in de weg. Alleen dat zou volgens Dijkhuis en Rörsch al een heropening van het onderzoek rechtvaardigen.

De oud-rector magnificus prof.dr L. Leertouwer, die de onderzoekscommissie heeft benoemd, denkt echter niet dat het ooit zover komt. 'De commissie aanvaardde de opdracht de feiten vast te stellen, en te verklaren of de ernst van die feiten gevolgen zou moeten hebben voor de positie van Diekstra. Die onaangename taak heeft ze naar eer en geweten vervuld. Zelfs als er achteraf in strikt formele zin gebreken in haar werkwijze zouden blijken, doet dat aan haar conclusies niets af.'

Leertouwer zegt de hele gang van zaken nog steeds hevig te betreuren. Niet eens zozeer vanwege de afloop, want die heeft Diekstra met zijn citeergedrag over zichzelf afgeroepen, maar meer vanwege de manier waarop zijn val is geregisseerd. 'Ik heb van zeer nabij meegemaakt hoe iemand door de lynchjournalistiek van Vrij Nederland kapot werd gemaakt. Ik begrijp niet hoe wijlen Joop van Tijn dat heeft kunnen laten passeren. Maar helaas hadden de beschuldigingen een kern van waarheid. En zelfs als slechts een kwart daarvan juist was gebleken, had dat tot het heengaan van Diekstra geleid.'

Leertouwer zegt 'knarsetandend in het onvermijdelijke' te hebben berust. Diekstra's verdiensten als oud-decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen en - vooral - als wetenschapper zijn immers nooit in het geding geweest. Voor een rehabilitatie zal hij echter zelf moeten zorgen, zegt Leertouwer. 'Hij moet binnen een jaar gewoon drie verdomd goede artikelen schrijven. Daarmee kan hij zichzelf de beste dienst bewijzen.'

Diekstra kiest echter ook voor een andere benadering. Bij de universiteit heeft hij de onderzoeksverslagen van de commissie Hofstee/Drupsteen opgevraagd om inzicht te krijgen in de anatomie van het voor hem zo vernietigende rapport. De universiteit heeft dit verzoek tot dusver niet ingewilligd omdat de gevraagde stukken - aldus de woordvoerder van de universiteit - 'deels een vertrouwelijk karakter hebben en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten'. Daarom zouden ze buiten het bereik van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) vallen.

Diekstra neemt met die verklaring geen genoegen, al was het alleen maar omdat een van zijn collega's de stukken wel zou hebben kunnen inzien. Zijn bezwaarschrift zal deze week worden behandeld. Bij een hem onwelgevallig antwoord zal Diekstra een kort geding tegen de Universiteit Leiden aanspannen.

Het dossier-Diekstra is nog niet gesloten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden