De adder ligt onder het gras

Zo’n honderdvijftig buitenlandse studenten volgen in Zeist de jaarlijkse cursus Nederlandse taal en cultuur van de Taalunie. Niet moeilijk, wel nuttig....

Van onze verslaggeefster Ianthe Sahadat

ZEIST Een groepje Indonesiërs rookt een sigaretje in de zon. Wat Yuli (34) moeilijk vindt aan het Nederlands? Niet het woord ‘ui’ of ‘deur’, maar tangconstructies en bijzinnen. We vinden het geen moeilijke taal, zegt Zea (21). ‘We gebruiken namelijk al Nederlandse leenwoorden. Zoals handdoek en koffer.’ ‘En asbak’, zegt Rengga (22), terwijl hij met zijn blackberry speelt.

Zo’n honderdvijftig buitenlandse studenten uit alle windstreken zijn voor drie weken in Zeist neergestreken voor de jaarlijkse intensieve cursus Nederlandse taal en cultuur van de Nederlandse Taalunie. Zonder uitzondering studeren ze in eigen land – of dat nu Polen, Wit-Rusland of China is – Nederlands taal, cultuur of literatuur.

‘Je wilt zeker weten waarom?’, vraagt de Poolse Mikolaj (22). ‘Dat willen Nederlanders altijd weten.’ Mikolaj studeerde Duits en schreef een scriptie over de Duits-Nederlandse betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog. Het leek hem nuttig ‘een beetje’ Nederlands te leren. Twee jaar verder discussieert hij tijdens een idioomles gepassioneerd over de onjuistheid van de uitdrukking: ‘daar draai ik mijn gouden handje niet voor om’.

Die verbazing als buitenlanders Nederlands leren, is ook niet terecht, volgens coördinator van de zomercursus Gerard Elshout. Nederlands is geen obscure taal, vertelt de gepensioneerde neerlandicus, maar de achtste taal van de wereld. Goed, het is niet zo groot als het Russisch, of het Chinees, maar bepaald niet zo marginaal als het Fins of het Zweeds.

De meerderheid van de cursisten komt voor het eerst in Nederland. Ze zien deze weken hun eerste trapgevel, proeven hun eerste bitterbal en sommigen nemen hun eerste duik in zee.

Verder volgen ze vooral een intensief programma. Dagelijks buigen ze zich over vakken als: woordenschat, idioom of scheidbare werkwoorden. Ook Nederlandse humor, literatuur en het sociale stelsel passeren de revue. Elshout verklaart de onvermoede populariteit van cursus aan de hand van het imago van Nederland. ‘We staan nog steeds voor vrijheid, een land waar veel mag.’

Wie heeft er nog een mooi spreekwoord voor me, vraagt docente Kitty Molenaar na de pauze. De Poolse Suchcicka (28) heeft er eentje. ‘Daar ligt een adder onder het gras.’ Molenaar is tevreden. Wel legt ze nog even uit dat de adder in het spreekwoord – ‘logisch is het niet, nee’ – niet ligt, maar zit en dat het een kleintje is: een addertje dus. Suchcicka, die in Warschau op de Nederlandse ambassade werkt als secretaresse, heeft er nog een. Zand erover. Ook al zo mooi.

In het lokaal van docent Chris van Veen hangen vellen aan de muur met woorden als ‘Poepoe, nounou en hèhè’. Zijn les draait om uitspraak. Omdat elke taalgroep zijn eigen ‘neigingen’ heeft, zitten de Slaven dit uurtje bij elkaar. Ze mogen twee minuten een ‘spontaan gesprekje bij de koffieautomaat’ voeren. Met audioapparatuur neemt Van Veen hen op. Om feedback te kunnen geven.

‘Ik kom uit Polèn’, zegt Katarina tegen haar buurvrouw. Het is de meest gemaakte fout onder de Slaven, legt Van Veen uit. Ze hebben de neiging de ‘stomme e’, de ‘sjwa’ voor de beter ingevoerden, uit te spreken. Waar Nederlanders ‘makkeluk’ en ‘prachtug’ zeggen, spreken zij de woorden uit zoals ze geschreven zijn. En dat doet zelfs de koningin niet, zegt de docent tegen zijn klas. Die zegt ook gewoon: ‘Ik ga evuh een koekjuh etuh.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden