De actualiteit van Wilhelmina

De Leidse historicus Cees Fasseur heeft in het tweede en laatste deel van zijn biografie van koningin Wilhelmina grote nadruk gelegd op de oorlogsjaren, toen de vorstin in Londen verbleef....

TOEN IN 1998 het eerste deel van Wilhelmina verscheen, was het met Nederland en Oranje op een haast serene manier nog koek en ei - alsof volk en vorstenhuis oude twistpunten voorgoed achter zich hadden gelaten, en naar de geest des tijds geheel in elkaar waren verpolderd. In die stemming van algemene tevredenheid over het leven in een nette constitutionele monarchie kreeg het even consciëntieus als smakelijk geschreven portret van 'de jonge koningin' de publieke bijval die het ruimschoots verdiende.

In de drie jaren die volgden, is de idylle ogenschijnlijk ernstig verstoord geraakt. 'Royalty' op de voorpagina is altijd een misselijk teken geweest, tenzij er iemand jarig was. Maar aanhoudend nieuws over uitgelekte koninklijke uitspraken inzake het nut van pepperspray voor de handhaving van de openbare orde, over een IOC-lidmaatschap, over 'de leugen regeert', over een skivakantie in het Oostenrijk van Jörg Haider, over de wenselijkheid om artikel 42 van de grondwet aan te passen, over een dubieuze schoonvader, over de seksuele geaardheid van een prinsenkind en over een enquête waarin de regerende koningin een haaibaai, een kreng en zelfs 'gewoon een tang' werd genoemd en door een meerderheid der ondervraagden tot aftreden werd uitgenodigd - dat was allemaal niet bevorderlijk voor het klimaat van maatschappelijke en staatsrechtelijke pais en vree waaraan we gewend waren.

Zou het de Leidse historicus Cees Fasseur, die in die drie jaar aan het tweede deel van zijn biografie werkte, onberoerd hebben gelaten?

Je had vroeger, juist in Leiden, nogal wat geleerden (Huizinga bijvoorbeeld) die het venster op de wereld als het moest heel goed een poosje gesloten wisten te houden. Maar Fasseur lijkt me iemand die in z'n ivoren toren op z'n minst teletekst heeft toegelaten. 'Wat was die Olympiade toch een tijdverlies', citeert hij dus vroeg in z'n boek Wilhelmina's verzuchting over de uren die ze in 1928 aan de Spelen in Amsterdam moest verspillen - om daar bijna achteloos aan toe te voegen: 'een onderwerp waarover in haar familie thans heel anders wordt gedacht'.

Het zinnetje is typerend voor de laconieke manier waarop hij z'n hooggeplaatste heldin en haar familie te lijf gaat, en zeker voor de wijze waarop hij in het voorbijgaan een actuele kleindochter en een actuele achterkleinzoon (inclusief hun vermoedelijke meningsverschil met een actuele minister-president) in z'n verhaal binnensmokkelt. Je schrijft nou eenmaal zelden geschiedenis zonder enige consideratie met de tijd waarin je schrijft. Maar ook al zou je: de lezer zet er altijd de bril van z'n actualiteit bij op.

De recente 'opspraak' rond het vorstenhuis draait om één kernvraag: in hoeverre gaat Beatrix wel eens constitutioneel buiten haar boekje, of vriendelijker uitgedrukt: in hoeverre zoekt ze welbewust de grenzen van haar macht en haar bevoegdheden op. En als vanzelf komt de historicus die zich in de faits et gestes van Wilhelmina verdiept, de actuele vraag tegen in hoeverre de genen van de grootmoeder (en overige voorouders) nog doorwerken in de nazaten. Het koningschap is tenslotte erfelijk.

Aan botsingen, humeurenkwesties en regelrechte ruzies tussen het onschendbare staatshoofd en verantwoordelijke ministers had Fasseur in deel I - dat tot 1918 reikte - al veel aandacht besteed. Aan het eind van II verantwoordt hij in een nawoord nog eens zijn opzet, en bekent hij dat het schrijven van een 'officiële' biografie nooit z'n eerste ambitie was.

'Veel interessanter', vervolgt hij, 'leek mij het antwoord op de vraag hoe monarchie en staatshoofd vijftig jaar en langer geleden functioneerden binnen het staatskundig bestel van een parlementaire democratie als de Nederlandse, die toen evenals nu haar wortels vindt in Thorbeckes Grondwet van 1848 en het door hem ontwikkelde leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid. In de vijf jaren die met het schrijven van deze biografie gemoeid waren, heeft die vraag niet aan actualiteit ingeboet.'

Het lag dus voor de hand dat in het tweede deel grote nadruk zou vallen op de jaren van oorlog en ballingschap, toen Wilhelmina, gesecondeerd door een gezelschap van overwegend bange en niet al te competente bewindslieden, en zonder een controlerend parlement, de eer van volk en vaderland vrijwel in d'r eentje moest hooghouden, en dus ineens alle ruimte kreeg om haar koninklijke gang te gaan.

Krijgshaftig in een vormeloze jas is ditmaal de aan Ida Gerhardt ontleende ondertitel waarmee de onverzettelijke majesteit tegelijkertijd wordt gekarakteriseerd en gehuldigd. Voor Fasseur springen de oorlogsjaren er ook letterlijk uit: hij heeft ze chronologisch als het ware buiten haakjes gebracht, en begint ermee - zoals sommige speelfilms nog vóór de titel met een sleutelscène beginnen. De vlucht naar Engeland, die volgens de vrome dichter van 13 mei 1940 geen vlucht was ('maar volgen, waar God riep') zou je inderdaad de sleutelscène in Wilhelmina's leven kunnen noemen: zonder die dramatische ingreep, waarmee ze het koninkrijk in formele zin niet alleen veiligstelde maar ook in één klap tot een niet-langer-neutrale bondgenoot maakte in de coalitie tegen wat ze voortaan 'de moffen' zou noemen, zou ze met ere haar graf in Delft, maar nooit de onsterfelijkheid hebben gehaald.

Fasseur gunt Loe de Jong de eer van het grondige veldwerk dat voor de geschiedschrijving van het 'Londense' Nederland is verricht. Maar hij kan des te vrijgeviger naar de eerbiedwaardige vakbroeder verwijzen, omdat hij de beschikking kreeg over bronnen waarbij iedere historicus, dus ook De Jong, z'n vingers had afgelikt. Nieuw vrijgekomen notulen, documenten, dagboeknotities of politieke memoires natuurlijk, maar bovenal de brieven die Wilhelmina bij honderden moet hebben geschreven aan dochter Juliana in Canada en waarvan Fasseur in deel II nog kwistiger gebruik heeft gemaakt dan hij in I al deed met de kattebelletjes aan moeder ('Spekkie') Emma.

Het is ook kostelijk materiaal. Kostelijk, smeuïg, kostbaar en op alle mogelijke niveaus informatief. Een ogenschijnlijk ongenaakbare oude vorstin, ontsnapt aan het Haagse protocol, die opgewekt schrijft dat 'daarnet mijn nachtjapon die ik uitgewasschen had op een struik in den tuin is gewaaid, heerlijk avontuur!', of dat het luchtalarm 'erg goed aanpapt met iedereen', en die na 'een dikke, dikke zoen, ook voor het grut' ondertekent met 'je oude Pluimstaart' - dat schept een menselijke band met iemand die naar vooroorlogse normen toch over ons gesteld was.

Je bent ook geneigd voor het nageslacht te bidden dat Beatrix niet uitsluitend per vervluchtigende media met haar familieleden communiceert. Telefoneren deed haar grootmoeder mondjesmaat: automatische verbindingen bestonden nog niet of nauwelijks, en ze was als de dood dat een juffrouw in de centrale zou meeluisteren. En mailtjes waren godzijdank nog niet uitgevonden.

Wilhelmina's brieven beperkten zich overigens niet tot vrolijke pluimstaarterij, of zelfrelativerende opmerkingen over haar radiotoespraken ('ik heb gebulkt!'; 'vanmiddag weer gekweeld') of haar schilderijtjes die ze niet zozeer maakte als wel 'kliederde'. Fasseur onthult dat ze Juliana nauwgezet en uitvoerig deelgenoot maakte van lopende staatszaken, en aan die noodzakelijke openhartigheid - de dochter kon immers plotseling tot de troon worden geroepen - hebben we pikante typeringen te danken van haar eerste kabinet ('de firma Dirk en Co', toen De Geer er nog was), maar ook de nodige boze uitvallen naar latere 'lammelingen' onder haar ministers, boven wie zij zich, 'zoo zonder parlement', verheven voelde als een 'stamhoofd, iets als de negeropperhoofden in Suriname.'

Voorzover ze hier al de grens van het constitutioneel oirbare overschreed, kun je er nog begrip voor hebben of er zelfs, op z'n Duits, klammheimlich om gniffelen - zeker als je je de groepsfoto's van die Londense kabinetten voor de geest haalt. Gerbrandy was misschien de uitzondering (Gerbrandi, spelde Wilhelmina heel lang hardnekkig, zoals ze het ook over Den Dolert had als ze Den Doolaard bedoelde; de Nederlandse taal was überhaupt niet haar sterkste punt) - 'ja, in de kleine potjes zit de beste zalf', prees ze hem voor hij haar gunst verloor.

Maar al vroeg in haar ballingschap schreef ze ook: 'Ik heb geen Tweede Kamer om mij te hinderen, dus ik kan naar zakelijke oplossingen streven.' En in september 1941 las Juliana:

'In zeker opzicht is ons volk geheel onveranderd: 't wil dat Oranje 't voor 't zeggen heeft; kamer en ministeries, die nimmer werkelijk populair waren, hebben afgedaan op dit oogenblik en ze willen door Oranje rechtstreeks geregeerd worden. Er mogen dan wel ministers zijn, en later ook wel een kamer, maar op't 2de plan. De partijen zooals ze reilen en zeilen met hokjes hebben afgedaan, plus personen die met het oude hebben meegedaan.'

Waar haalde ze die zekerheid over het volk vandaan?

Fasseur volgt het proces waarin ze zich een beeld vormde van de thuisgebleven onderdanen op de voet. Cruciaal was uiteraard het contact met de Engelandvaarders die zij koesterde (en regelmatig op de thee vroeg) als de ware landskinderen en de 'kranigerds' met wie het nieuwe Nederland moest worden opgebouwd. De vraag is of die representatief konden worden geacht voor 'het' volk, zoals het de vraag is of ze majesteit bij alle gezellige huiselijkheid die ze als landsmoeder uitstraalde, niet ook een beetje naar de mond praatten, en in hoeverre zijzelf buitengewoon selectief naar hun verhalen en opvattingen heeft geluisterd.

'Ik ben als het ware in den Nederlandschen vorm gegoten', had ze zich als jong meisje al verbeeld, en daaraan ontleende ze de overtuiging dat ze als geen ander de ziel van de natie kon peilen, waarbij haar talent om de werkelijkheid haar wil op te leggen een aardig handje hielp.

Los van wat ze zich graag door haar jonge helden liet vertellen, had ze van de werkelijkheid in bezet Nederland een voorstelling waarin haar eigen wensdromen - na de bevrijding voorlopig regeren met 'een in constitutionelen zin koninklijk kabinet' zonder Staten-Generaal, en met prins Bernhard als commissaris-generaal voor militair en economisch herstel - de boventoon voerden. Het is een beetje onthutsend, maar niet eens zo verbazingwekkend, dat ze veel zag in de met Duitse instemming opgerichte Nederlandse Unie: dat was naar ze begreep een beweging die nationale eenheid propageerde ten koste van de oude politieke partijen, en de massale ledentoeloop bevestigde haar ijzeren geloof dat Nederland na de bevrijding zo geregeerd wilde worden.

Ondemocratisch? Zonder enige twijfel. Anti-parlementair? Absoluut. Maar Fasseur maakt tussen de regels duidelijk dat het gedrag bovenal moet worden verklaard uit een soort principiële afkeer van de (partij)politiek. In dat opzicht heeft hij in de beide delen een consistente lijn vastgelegd: de jonge Wilhelmina reageerde op haar vroegste kabinetten niet anders dan op de oudere in de jaren van Ruijs de Beerenbrouck, Colijn en De Geer, of de 'Londense' tegenover de ministeries van Gerbrandy: bijna vijftig jaar lang heeft ze haar voorkeur voor 'eenheid boven vakjes uit' verdedigd, dus bij elke nieuwe formatie bewoog ze hemel en aarde om zo veel mogelijk sterke mannen in een nationale ploeg verenigd te krijgen. Zonder zichtbaar resultaat overigens: de zuilen lieten zich niet kisten.

Pas in Londen - overwegend zwakke ministers, geen 'hinderlijk' parlement en een Hollandse kolonie van militaire en ambtelijke dignitarissen die met elkaar verkeerden als in een slangenkuil - begon ze de illusie te koesteren dat ze haar volk alsnog zou kunnen verlossen van de vermaledijde partijschappen, en Nederland kon laten herrijzen als een samenleving waaruit de politiek en de politieke partijen voorgoed waren verdwenen. 'Een apolitiek Nederland', concludeert Fasseur, 'hetgeen nog niet wilde zeggen: een ondemocratisch Nederland.' Ze overwoog serieus om haar vernieuwingsplannen bij terugkeer aan een volksreferendum te onderwerpen - maar juist daarin, oordeelt haar biograaf, gedroeg ze zich op een fundamentele manier inconstitutioneel: 'Haar beroep op het door de bezetter monddood gemaakte volk achter de ministers om, ondergroef het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid.'

In de jaren zeventig van de vorige eeuw gold dat nog als een doodzonde. Fasseur herinnert er enigszins geamuseerd aan hoe Wilhelmina op grond van het signalement in De Jongs Londense delen werd afgeschilderd als 'een eigenzinnig potentaat, een wereldvreemde en weinig verlichte despoot, een arrogante en hooghartige vrouw, bovendien van tact gespeend, driftig, wreed, wraakgierig en in hoge mate bekrompen' (Jan Rogier in Vrij Nederland) - een karakteristiek overigens die, onder aftrek van de grote woorden, niet eens zo ontzettend veel afwijkt van wat de aandachtige lezer ook bij Fasseur zou kunnen opsteken.

Het jaren-zeventig-sentiment - 't meest recent vlees geworden bij Nanda van der Zee (Om erger te voorkomen), die Wilhelmina zelfs verantwoordelijk achtte voor Seyss-Inquart en het lot van de Nederlandse joden - is aan Fasseur niet besteed. Hij laat, typisch voor de Leidse school, de 'waardenvrije' feiten liefst binnen hun historische context spreken, met zo nu en dan een kanttekening waaruit bijvoorbeeld duidelijk wordt dat Wilhelmina's ministeriële tegenspelers de afwezigheid van parlementaire dwarskijkers zelf ook allerminst onaangenaam vonden, en dat een aantal onder hen hare majesteit op het punt van wereldvreemdheid en half-verlichte despotie nog met gemak de baas bleven. Hoe had het anders gekund? De democratische gezindheid in vooroorlogs Nederland - en dáár kwamen ze regelrecht vandaan - was pover ontwikkeld.

Misschien had Fasseur dat in de hoofdstukken over de diverse interbellumkabinetten ook scherper mogen aanzetten. De desbetreffende paragrafen hebben vaak iets plichtmatigs en opsommerigs, de balans tussen Wilhelmina's persoonlijke leven (voorzover existent) en haar staatkundige taken is eigenlijk in beide delen soms een beetje zoek.

Die onevenwichtigheid wordt intussen royaal goedgemaakt door een uit zeer uiteenlopende bronnen verzamelde schat aan anekdotisch snoepgoed dat ook de minder verheven lekkere trek van de lezer royaal bevredigt.

Dat Wilhelmina in Den Haag moeilijk kon afblijven van de taartjes en chocolaatjes van Maison Krul; dat in de nalatenschap van Hendrik (aan wie al in 1914 het echtelijk bed zou zijn ontzegd) 129 legpuzzels werden aangetroffen; dat majesteit naar de tweede symfonie van Willem Pijper heeft geluisterd met watjes in haar oren en dat ze in de radio het symbool zag van 'een hoogere band, door God zelf gelegd'; dat tijdens een roodvonkepidemie staatsstukken ten paleize eerst ontsmet moesten worden; dat de premier van Canada even gefronst moet hebben toen hij de koningin van Nederland op een galadiner zag verschijnen met 'een soort Amerikaanse strandschoenen' aan haar voeten; en dat ze zich midden in de oorlog heftig verzette tegen een postzegelontwerp waarop het prinselijk gezin zou worden afgebeeld ('ik denk er niet aan; het blijft dus bij mijn beeltenis') - dat zijn wetenswaardigheden die een mens bijblijven.

Zelfs Roosevelt, bij wie ze op de thee was (maar hij dronk whisky) was bang voor haar - volgens een ooggetuige zelfs 'scared to death'. Hoe moeten al die Hollandse ministers, Gerbrandy voorop, zich dan wel niet gevoeld hebben als ze op het matje moesten komen met een voorstel dat naar haar smaak van te weinig vernieuwing, lees: van te veel politiek getuigde?

Maar niettemin: in laatste instantie hebben al haar luchtfietserige toekomstvisioenen - of ze nu van onzelieveheer kwamen, van de Morele Herbewapening of van het 'Russische bloed' waar ze graag prat op ging - het afgelegd tegen de klassieke stroperigheid van het Nederlandse politieke bestel. Niet eens omdat een of meer bewindslieden op hun poot speelden. Eerder omdat ze in geval van bange nood net zo lang om de hete brij draaiden tot de boel was afgekoeld. Boerenverstand hielp vaker dan heldenmoed. Geen van Wilhelmina's rare of zelfs rampzalige Londense dromen is na de bevrijding uitgekomen.

En daarmee zijn we bij de actualiteit van Fasseurs biografie. De constitutionele monarchie is heel wel bestand tegen een hooghartige of autoritaire erfvorst. Zolang de minister maar slim is, als hij niet sterk durft te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.