De actualiteit van het leiderschap

HET ONDERZOEK van de Groningse historicus Henk ter Velde heet Stijlen van leiderschap...

Jan Blokker

Actuele titel voor een boek dat een paar weken voor de Tweede-Kamerverkiezingen werd gepresenteerd. En sinds maandag jongstleden onbedoeld nog vele malen actueler geworden door de gewelddadige dood van een leider wiens stijl in anderhalve eeuw politieke geschiedenis van Nederland niet eerder was voorgekomen.

Nou reikt Te Veldes terugblik van Thorbecke tot en met Joop den Uyl, en in z'n laatste hoofdstuk wijst hij alleen nog summier vooruit naar de dagen van Lubbers en Kok. Fortuyn moet pas aan de politieke horizon zijn verschenen toen zijn manuscript al voltooid was. 'Maar', begint hij z'n epiloog, 'als aanzet tot een korte nabeschouwing is het wel mogelijk te laten zien dat het verhaal van dit boek tot in het heden doorloopt.' En de moord van 6 mei maakt het haast onmogelijk om het verhaal niet tot in het heden te laten doorlopen.

Verderop in die nabeschouwingen relativeert Te Velde het beeld 'dat saaiheid en gewoon doen de natuurlijke toestand van de politiek in Nederland is', maar hij vervolgt dan: 'Men kan wél volhouden dat besturen in Nederland slechts zelden een opvallende zaak is geweest. Het is geen wonder dat veel Nederlanders zo gruwden van het bijna partijloze, plebiscitaire leiderschap van Charles de Gaulle. De Franse president sprak over zichzelf in de derde persoon als 'mon personage', zei dat alleen die politici 'groot' waren die het zelf hadden gewild, zag zichzelf als mythe en symbool en gedroeg zich ernaar. Hij was een voorbeeld van theatraliteit.'

Of 'veel Nederlanders' werkelijk van de Generaal hebben gegruwd lijkt me nog de vraag, maar één ding is zeker: noch Thorbecke, noch Kuyper, noch Colijn, noch Drees, noch Den Uyl - de vijf leiders-prototypen die Te Velde de revue laat passeren - kun je van theatrale mythomanie beschuldigen. De een was waarschijnlijk nog wat saaier dan de ander, en op het grote politieke spektakel heeft Nederland moeten wachten tot het najaar van 2001. Misschien is het kenmerkend dat het in mei 2002 al weer voorbij was.

Een 'actief' politiek leven begon in Nederland ten tijde van de Bataafse Republiek aan het eind van de achttiende eeuw. Het werd met de vestiging van het Napoleontische Koninkrijk als het ware in de kiem gesmoord, en raakte pas in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw gereanimeerd in reactie op het autoritaire koningschap van Willem I.

Met het nieuwe staatkundige elan is onverbrekelijk de naam verbonden van Thorbecke - de voorman van een stroming die geen partij was. Partijen waren rond 1848 in Nederland überhaupt nog niet aan de orde. Maar Thorbecke was er zelfs principieel tegen: het parlement werd weliswaar gekozen, (zij het vooralsnog door een welgestelde minderheid aan onderdanen), maar de volksvertegenwoordigers dienden naar zijn mening letterlijk te debatteren zonder last of ruggespraak, dus zonder 'geloofsbelijdenissen aan kiezers.'

In de Narede bij zijn parlementaire redevoeringen vatte hij het nog eens helder samen: 'Vrijgekozen volksvertegenwoordiging, zelfstandig, naar eigen inzigt en oordeel besluitende, zonder eenigen band met de kiezers'. In de Kamer - in zijn tijd nog een klein gezelschap van een man of zestig - moest sprake zijn van vrije discussie tussen heren van gewicht en karakter, die zich nooit mochten laten leiden door de doorgaans beuzelachtige belangen van een 'achterban'.

Maar al in Thorbeckes politieke dagen werd het enigszins hooghartige ideaal ondermijnd. Zijn een anti-revolutionaire generatiegenoot Groen van Prinsterer zou - vanuit zijn betrekkelijke hooghartigheid - de stap naar een volkse 'beweging' nooit zelf gewaagd hebben, maar hij effende het pad voor een opvolger, die er geen gras over liet groeien. Wat Thorbecke zou hebben verfoeid - een politiek programma waaraan de 'freischwebende' debaters op het Binnenhof zich zouden hebben moeten binden - werd zeven jaar na zijn dood werkelijkheid, toen Abraham Kuyper Ons Program publiceerde, en als een christelijk klokkenist zijn 'kleine luyden' naar de politieke kerk maande.

Met een anti-revolutionaire partij zou de Nederlandse politiek fundamenteel van karakter veranderen: ze verloor de Thorbeckeaanse 'immuniteit' voor de samenleving en zou in de eeuw die volgde eerst en vooral partijpolitiek worden, dus in toenemende mate afhankelijk raken van de wensen, de eisen, de humeuren en de luimen van een electoraat. En die ontwikkeling vergde diverse soorten van leiderschap waarbij voortdurend het evenwicht aan de orde was tussen 'de stem des volks', de eigen ideologische of levensbeschouwelijke uitgangspunten, en het landsbelang.

In Te Veldes vijf hoofdstukken zijn de stijlen in die ontwikkeling gevolgd, met de nadruk op het gezichtspunt van de samenleving: 'Dit onderzoek', schrijft hij, 'concentreert zich op de publieke zijde van het politieke leiderschap, niet allereerst op het werk achter de schermen.'

Zo schetst hij na Thorbecke - van wie je zou kunnen zeggen dat hij als 'partijloze' niet helemaal in het rijtje thuishoort - achtereenvolgens de half en half messiaanse Kuyper, de daadkrachtige Colijn die als schipper naast god het imago van de mannetjesputter genoot, de als gewone, gemiddelde, nuchtere, Nederlander erkende (en herkenbare) Drees, en de in zijn leiderschap (dat wil zeggen in het evenwicht tussen partij, politieke kleur en landsbelang) gedreven maar kwetsbare Den Uyl.

Helemaal geïsoleerd konden de vijf uiteraard niet getypeerd worden - ze leefden en werkten in een context van al dan niet betrouwbare coalitiegenoten, politieke tegenstanders en uitgesproken vijanden. Naast Thorbecke komen we Groen van Prinsterer en de 'gematigde liberaal' Van Hall tegen. Naast Kuyper Troelstra, Domela Nieuwenhuis en Schaepman. Naast Colijn De Geer, een heel klein beetje Oud en een staartje Ruys de Beerenbrouck, maar raar genoeg niet Mussert. Naast Drees Schermerhorn, Beel en Romme. En naast Den Uyl figuren als Van Mierlo, Van Agt en bovenal de Nieuwlinkse 'dissidenten'.

Soms zijn die verwijzingen verhelderend, vaak blijven ze in hun beknoptheid aan de haast cryptische kant. Dat geldt a fortiori voor de referenties aan buitenlandse tijdgenoten (Guizot naast Thorbecke, Mussolini naast Colijn, Willy Brandt naast Den Uyl), waarbij een extra handicap wordt gevormd door de omstandigheid dat er moeilijk 'vergeleken` kan worden tussen het nogal onbeduidende Nederland en de internationale of alleen maar Europese gemeenschap waarmee de reguliere contacten tot en met Den Uyl ook nog een stuk beperkter waren dan in de latere dagen van Lubbers en Kok. Max van der Stoel (en Luns!) niet te na gesproken, had het buitenlands beleid tot in de jaren zeventig geen grote Haagse prioriteit. Drees zag naar het schijnt tegen een tripje naar Brussel al op als tegen een wereldreis.

Wat fascineert in Te Veldes imago-galerij is de manier waarop je zich langzaam maar zeker de teloorgang van de politieke partij als maatschappelijke institutie (en als warme behuizing van een grote aanhang) ziet voltrekken.

Vanaf het moment dat de ontzuiling en de anti-autoritaire sentimenten uit de jaren zestig hun effecten sorteren, begint de desintegratie van een Bestel dat een eeuw lang overeind is gebleven. De partijen lijken, als in de tijd vlak na Thorbecke, geslonken tot kiesverenigingen, het leiderschap heeft er niet anders dan 'formele' banden mee. De christen-democraat Lubbers was al een bijna partijloze 'Macher'. In de enige ideologische toespraak die de sociaal-democraat Kok ooit heeft gehouden, kondigde hij aan dat hij zijn ideologische veren had afgeschud.

En daarmee zijn we bij de hyperactualiteit van het boek: bij de bijna volstrekte onmacht die de gevestigde 'partijen' sinds het najaar van 2001 aan de dag hebben gelegd tegenover het verschijnsel Pim Fortuyn, die na z'n kortstondige verbintenis met Leefbaar Nederland besefte dat hij ook helemaal geen partij nodig had, om regelrecht, via zoiets eenvoudigs als een lijst, het leiderschap van het hele land over te nemen. Hij was een bewonderaar van Kennedy, maar hij zou zich even graag gespiegeld hebben aan 'het partijloze, plebiscitaire leiderschap van Charles de Gaulle', die zichzelf als mythe en symbool zag, en een voorbeeld was van theatraliteit.

Inderdaad: het verhaal van Te Veldes boek loopt door tot in het heden. Over dertig jaar weten we misschien hoe het is afgelopen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden