De achtertuin staat in brand

Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië: de Europese natuur brandt deze zomer op ongeëvenaarde schaal. En dat ondanks behoorlijke voorbereiding en rekenmodellen die het gevaar keurig zagen aankomen....

Grote branden in Frankrijk? En Portugal? Dr. John Roads van het Scripps Institute in La Jolla, Californië, klinkt aan de telefoon alsof hij er werkelijk van ophoort. Of eigenlijk klinkt hij nog lauwer dan dat. Wat merkwaardig mag heten, voor de man die geldt als een van de grondleggers van de rekenmethodes waarmee wereldwijd bosbrandrisico's worden bepaald. Tegenwoordig al hele seizoenen vooruit.

Maar Roads is een echte wetenschapper. Met alle respect voor de vaak heroïsche inspanningen van de ploeterende brandweerlieden, hem gaat het vooral om koele getallen, niet om spectaculaire televisiebeelden. 'Om vast te stellen of onze modellen iets over de werkelijkheid kunnen zeggen, wil ik frontsnelheden weten, verbrande arealen, meteorologische data, wind, luchtvochtigheid. Pas als die gegevens binnenkomen, is er voor mij sprake van een situatie met handen en voeten.'

Bovendien, wie zich dezer dagen verdiept in wat de wetenschap te melden heeft over de bosbranden die de landen in Zuid-Europa teisteren, gaat de dramatische beelden en berichten onwillekeurig wat relativeren. Het brandt in Zuid-Europa, en stevig ook, dat is zeker. Meer zelfs, nu al, dan in pakweg de tien jaar hiervoor bij elkaar.

Maar werp een blik op bijvoorbeeld infraroodkaarten die met de Amerikaanse NOAAkunstmanen van het aardoppervlak worden gemaakt, en de schrik slaat een mens om het hart. Van Siberië tot de Amazone, en van Indonesië tot Midden-Afrika brandt het over gebieden waar heel Europa gemakkelijk in zou passen. Het internationale signaleringssysteem Modis legt het vast, maar zonder dat er verder een haan naar kraait, lijkt het.

Klopt, zegt de in Amerika en Frankrijk opgeleide bosbrand-expert ir. Eric den Breejen van onderzoeksinstituut TNO-FEL in Den Haag. TNO werkt aan rook-signaleringssystemen met camera's in het veld. Het biedt ook in EUverband wargame-achtige trainingen met simulaties van rampen aan brandweerkorpsen in binnen-en buitenland, tot Frankrijk en Spanje aan toe.

Den Breejen: 'Er zijn talloze branden waarvan men per satelliet bij elke overkomst hooguit vaststelt dat-ie er nog is. Waarom zou je er ook iets tegen ondernemen, als het ver van de bewoonde wereld is? En misschien niet eens bereikbaar.'

Wat, zo benadrukt hij direct, in Europa natuurlijktoch iets anders ligt. 'Amerikanen en Canadezen hebben de laatste halve eeuw na een aantal rampzalige branden geleerd de eerste heel natuurlijke impuls te onderdrukken om zo snel mogelijk te blussen.

'Als je dat doet, stapelt het brandbare materiaal zich in onbeheerd bos op tot je op de ramp kunt wachten. Maar Amerikanen hebben daarvoor natuurlijk ook meer ruimte. In Europa is bijna elke bos direct gevaarlijk dichtbij de mens. Hier moet je het echt hebben van preventief bosbeheer: zoveel mogelijk opruimen wat branden kan.'

Den Breejen heeft ze van nabij en aan den lijve meegemaakt, de vuurzeeën in het vrije veld. Tijdens zijn verblijf in de VS deed hij de basiscursus voor bosbrandweerman en rukte een aantal malen met de mannen uit. Overweldigend, zelfs met behoorlijke kennis van zaken, zegt hij met peinzende blik. 'Bosbranden zijn en blijven wispelturige dingen, die zelfs ervaren mensen een loer kunnen draaien. Laat staan dat je zomaar uitrekent wat er te gebeuren staat, en daar als brandweerman blind op vaart.'

Toch, zegt bosbrandmodellenbouwer John Roads in La Jolla bij San Diego, Californië, is dat waar het heen gaat. 'We begrijpen meer en meer van de factoren die bepalen of een gebied & bullet;

met een gegeven voorgeschiedenis onder de verwachte weersomstandigheden, een risico vormt. En wat je preventief of in de bestrijding kunt doen.

'Het probleem is en blijft de validatie: als er geen brand uitbreekt, wil dat niet zeggen dat er geen gevaar was. En voor statistiek blijft het lastig om genoeg data binnen te krijgen. Al was het maar omdat iedereen weer andere dingen registreert.'

Op kleine schaal en kortere termijn heeft de wetenschap echter wel degelijk zijn intree gedaan in de wereld van de bosbrand-bestrijding. Met name de verwachte verspreidingssnelheid van een brandhaard in de natuur is inmiddels te berekenen met een keur aan computerprogramma's, waarvan het Amerikaanse BEHAVE wellicht de bekendste is. Toevallig kwam daarvan vorige week de langverwachte Windows-versie uit, klaar voor de laptop van de brandweercommandanten.

Zelfs in de relatief bescheiden Nederlandse bosbrand-praktijk, met kleine en vlakke percelen, is de inschatting van de snelheid waarmee vuur oprukt verreweg de belangrijkste, zegt commandant Bob Boersma van het brandweerkorps regio Stedendriehoek Apeldoorn nuchter. 'Alles kan branden, het gaat om de omstandigheden waaronder iets brandt: de wind, vegetatie. Wij willen het ontwikkelingsrisico van een gegeven brandhaard kennen om de strategie te bepalen. Daarvoor hadden we natuurlijk altijd al onze vuistregels, maar tegenwoordig laat je ook je laptop er even op los.'

Op het hoofdkwartier in Apeldoorn wordt dagelijks voor de Veluwe, voor Nederland verreweg het grootste risico-gebied, bepaald hoe de basisinzet van materieel moet zijn: of er vier of acht bluswagens inclusief bemanning paraat moeten zijn, of de waarnemingsvliegtuigen Ajax-1 en Ajax-2 de lucht in moeten, op zoek naar beginnende rookslierten.

Ook daarbij bepaalt tegenwoordig de computer wat er te doen staat. Op de Veluwe staan vier meteostations die permanent luchtvochtigheid, neerslag, de temperatuur en de windsnelheden bepalen. Daarnaast heeft elk station nog de zogeheten fuel stick: een houten stokje red cedar van precies 100 gram droog gewicht – door TNO geijkt – dat dagelijks op afstand wordt gewogen om te zien hoe vochtig of droog brandhout in het gebied zal zijn.

Uit al die getalletjes samen bepaalt de computer, met een programma dat op basis van Amerikaanse literatuur is ontwikkeld aan het brandweer-kennisinstituut NIBRA in Arnhem, de uitruk voor de dag.

Zelfs een door de wol geverfde brandweerman als Boersma heeft geen moeite met dat soort automatisering. 'Het werkt, daar gaat het maar om.'

Wat dat betreft is er veel veranderd, zegt aan de andere kant van de Veluwe Jan Slakhorst van het korps Midden-Gelderland in Arnhem. Voor zijn regio en later ook de regio Noord-Oost Gelderland produceerde het NIBRA een risico-indexkaart voor het hele Veluwse bos-en heidegebied.

Voor elke vierkante kilometer werd een veelheid van factoren gewogen, die de beheersbaarheid van een brand ter plekke beïnvloeden: type begroeiïng, de bereikbaarheid, de kans op vroegtijdige ontdekking, de afstand tot waterbronnen, eventueel te beschermen bebouwing of concentraties mensen.

Slakhorst: 'In het verleden waren dat de dingen die bij de ervaren plaatselijke commandant in zijn achterhoofd zaten. Ik denk dat niemand er bezwaar tegen heeft, die kennis voor iedereen beschikbaar te maken om zo beslissen te vergemakkelijken. Over de aanleg van watervijvers, van extra doorgangen, aanplant van loof in plaats van naald.'

Sinds juni benaderen de korpsen in de regio hun gemeentes en bosbeheerders om, met de kaart in de hand, knelpunten weg te werken. Slakhorst: 'Je merkt dat zo'n computerkaart toch een net wat blijvender indruk maakt dan de inschattingen van de brandweerman aan tafel.'

De betreffende kaart met kwetsbare gebieden op de Veluwe is overigens nadrukkelijk niet openbaar. Een kwestie van simpele voorzorg, zegt Slakhorst. 'Vroeger stonden er ook borden in het bos, om het brandgevaar van die dag aan te geven. Die hebben we weggehaald, net als die Postbus-51 spotjes op televisie. Bos en brand, je moet mensen gewoon niet op verkeerde ideeën brengen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.