De academie lijkt niet op een school

De universtiteiten verschoolsen, melden vijftig hoogleraren in een prangende aanklacht. Studenten worden te veel bij de hand genomen. Maar er is niets dat daarop wijst....

DE DOOD van de universiteit is al vele malen aangekondigd, en is telkens voorbarig gebleken. De diagnoses van de kwaal waaraan ze zou lijden, lopen uiteen. In de ene versie figureert de universiteit als een in zichzelf gekeerde instelling die haar wereldvreemdheid cultiveert. In de andere laat ze de oren juist te veel hangen naar de aanpalende sectoren, en neemt ze - haar eigenheid negerend - de schutkleur aan van het bedrijfsleven.

De laatste tijd is de opvatting in zwang geraakt dat de universiteit ten onder gaat aan verschoolsing (ook wel 'hbo-isering' genoemd). Aan de hinderlijke en on-academische neiging om de student over vlak terrein naar het doctoraal te loodsen. Amsterdamse studenten die vrezen het slachtoffer te worden van deze benadering, hebben zelfs een politieke groepering opgericht die de universiteit moet behoeden voor verdere nivellering. Zij menen dat de academische integriteit in het geding is, en willen voorgaan in een wetenschappelijk réveil.

Ze werden op hun wenken bediend. Nog geen week na de openbaring van hun initiatief ventileerden vijftig hoogleraren (onder wie veel emeriti) hun ongenoegen over het identiteitsverlies dat universiteiten over zichzelf zouden afroepen. En ook hierin werd gerefereerd aan die vermaledijde verschoolsing.

Het probleem is alleen dat het verschijnsel zich niet voordoet. Dat wil zeggen: niets duidt erop dat de student meer uren aan zijn studie besteedt dan voorheen of vaker met een hoogleraar in een klaslokaal wordt opgesloten. Integendeel. Het aantal 'contacturen' tussen docent en student neemt over de hele linie af. Net als de student-docent ratio.

De Amsterdamse opleiding communicatiewetenschappen geldt als de exponent van die ontwikkeling. Hier verhoudt het aantal docenten zich tot het aantal studenten als 1:71. Nu geldt dit geval als een tamelijk extreem voorbeeld van een uit haar krachten gegroeide mode-studie.

Maar ook de alfa- en gamma-sectoren als geheel wekken met een docent-student ratio van om en nabij de 1:35 niet de indruk ten prooi te zijn gevallen aan verschoolsing. Gelijkenissen met het hoger beroepsonderwijs dringen zich evenmin op. De hogescholen kunnen één docent per 25 studenten inzetten, en menen daarmee al ver achterop te zijn geraakt bij de meest wenselijke verhouding.

Over de ontwikkeling van het aantal contacturen - de uren die zijn gemoeid met hoorcolleges, werkgroepen, practica en andere vormen van begeleid onderwijs - kunnen slechts globaal uitspraken worden gedaan. De universiteiten houden hier geen statistieken over bij, en zeggen ook niet verlegen te zitten om dergelijke informatie. De kwaliteit of de intensiteit van het onderwijs kan immers niet worden afgemeten aan de contacttijd, maar hooguit aan de invulling die daaraan wordt gegeven.

Op de Leidse universiteit worden de uitersten op de 'begeleidingsschaal' gevormd door de circa tweehonderd contacturen per jaar van de gemiddelde letterenopleiding, en de negenhonderd uur van geneeskunde en de bètavakken. Voorlichter Wim van Amerongen zegt vierhonderd uur als het 'optimum' te beschouwen. Waarom? 'Tweehonderd is te weinig, negenhonderd is te veel.'

Het ziet er vooralsnog echter niet naar uit dat de gouden standaard van vierhonderd uur ooit gemeengoed zal worden. Het aantal contacturen neemt, zo lijkt het, over de hele linie af. Vooral bij de populaire massa-opleidingen blijft de groei van de staf achter bij die van het aantal studenten. Zij worden er dus min of meer toe gedwongen om, zoals onderwijsmanager Carla Kuipers-Groensmit van de Utrechtse Faculteit Rechtsgeleerdheid het uitdrukt, een permanent beroep te doen op de zelfwerkzaamheid van de studenten.

Daar staat echter tegenover dat de intensiteit van het contactonderwijs toeneemt. Het hoorcollege - nog niet zo lang geleden symbool voor het onpersoonlijke massa-onderwijs - maakt gaandeweg plaats voor uiteenlopende vormen van kleinschalige kennis verwerving.

In Leiden brengt de gemiddelde eerstejaars nog maar eenderde van de contacttijd door in een collegezaal. Voor het overige wordt hij in werkgroepverband begeleid door docenten of - op individuele basis - door zogenoemde tutoren. Aan het eind van het eerste studiejaar wordt de student geacht ten minste 21 studiepunten - de helft van de maximum score - te hebben gehaald. Wie daar niet in slaagt, wordt met klem verzocht zich te laten uitschrijven.

Zijn schatplichtigheid aan buitenlandse zusterinstellingen ten spijt, afficheert Leiden zich gretig als de bakermat van het kleinschalig onderwijs. Met het 'Leids systeem' poogt deze universiteit zich te ontworstelen aan de eenvormigheid van het Nederlands wetenschappelijk onderwijs. Elders doen zich echter soortgelijke ontwikkelingen voor.

En overal is de verhoging van het studierendement - ofwel: het opvoeren van het studietempo - het doel. Onder invloed van het bindend studie-advies is de student nog wel eens tot een tussensprint te verleiden, maar in het algemeen hebben de rendementscijfers in het Nederlands hoger onderwijs een nogal statisch karakter. Zo rondt van de Utrechtse rechtenstudenten van oudsher slechts iets meer dan de helft de opleiding af. Dit percentage heeft sinds de onderwijsvernieuwing op deze faculteit geen verandering ondergaan. Onderwijsmanager Kuipers-Groensmit voert echter als verzachtende omstandigheid aan dat de kosten per student in de loop der jaren bijna zijn gehalveerd. Zo beschouwd, kan haar faculteit bogen op een opmerkelijke productiviteitsgroei.

De rendementsontwikkeling van de Utrechtse rechtenfaculteit strookt met die van het hele wetenschappelijk onderwijs. De gemiddelde student heeft bijna zes jaar nodig voor een vierjarige opleiding. Het tempo van degenen die in 1996 en 1997 afstudeerden, lag een fractie hoger.

Van alle studenten verlaat bijna een kwart de universiteit zonder diploma. Ook dit percentage blijkt betrekkelijk ongevoelig voor de invloeden van de onderwijsinnovaties van de laatste jaren. Het onderscheidt zich echter positief van het rendement van de meeste buitenlandse zusterinstellingen. In Italië beëindigt meer dan de helft van de studenten haar universitaire loopbaan als dropout. In Portugal, Oostenrijk, Turkije en Frankrijk, schommelt dit percentage tussen de 30 en de 40. Zelfs landen waaraan de Nederlandse universiteiten zich nogal eens willen spiegelen - zoals Engeland, de Verenigde Staten en Australië - doen het in dit opzicht slechter.

Mogelijk hangt het relatief goede rendement in Nederland samen met het betrekkelijk milde regime in het hoger onderwijs. Vrijwel nergens is het verschil tussen de officiële en de werkelijke studieduur zo groot als hier, en vrijwel nergens verzet de cultuur zich zo sterk tegen de uitsluiting van wanpresterende studenten. Je moet het in Nederland, met andere woorden, wel heel bont maken om dropout te worden.

De vermeende verschoolsing kan echter niet als factor van betekenis worden aangemerkt. Dit verschijnsel bestaat vooral in de belevingswereld van emeriti met heimwee naar een universiteit die nooit heeft bestaan. Of dat wordt aangeroepen als schrikbeeld van een universiteit waarvan de contouren zelfs in aanleg nog niet zichtbaar zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden